BIJ DE WISSELING DES JAARS
Wij brengen onze jaren door als eene gedachte. Psalm 90 vers 9b.
Dat woord moet de dichter toch anders hebben verstaan dan wij het geneigd zijn te nemen.
Men zou zoo zeggen, de dagen van den psalmist waren heel wat rustiger dan de onze. Het leven was niet zoo druk en overladen voor den landbouwer of herder van den ouden dag als bij ons.
In onze eeuw komt ieder tijd te kort.
Alle menschen zijn druk, ondanks alle hulpmiddelen om tijd en arbeid uit te sparen.
Het lijkt wel, of de tijd veel sneller verloopt dan vroeger. Vooral de ouderen laten zich in dien zin uit. En zij gelooven het ook half.
't Is natuurlijk niet zoo, maar
Wie zal het uitmaken, of de klok sneller gaat dan voorheen ?
Alles is zoo betrekkelijk.
Zou het niet grootendeels afhankelijk zijn van onze gesteldheid en de omstandigheden, waarin wij verkeeren ?
Een enkele rninuut wachten kan soms zoo lang duren — terwijl uren als een droom kunnen voorbijsnellen.
Wat is eigenlijk tijd ?
We zullen ons in deze vraag niet al te zeer verdiepen. Dat zou voor velen misschien zelfs vervelend worden.
Maar toch is er wat wonders in, dat ons geslacht hoe langer zoo meer wordt voortgesleept in de vliegende jacht van den tijd.
Iedereen heeft haast, ieder komt tijd te kort en hoeveel moesten wij eigenlijk niet aan tijd overhouden.
Wij doen niets anders dan tijd en arbeid uitwinnen en komen steeds meer te kort.
Loopen doen wij niet meer. Jong en oud dwarrelt op een rijwiel. Voor een boodschap in de buurt, voor het posten van een brief een halve straat van huis, grijpt men naar de fiets.
Het treinverkeer neemt steeds in snelheid en menigvuldigheid toe. Automobielen rennen langs de wegen in steeds grooter getal. Autobussen draven op en neer in stad en land.
Posterijen, telefoon, telegrafie, radio, arbeiden dag en nacht om het onderling verkeer te bespoedigen in handel, nijverheid en op alle levensterrein.
Welk een kapitaal van tijd moest dit alles niet uitwinnen — niemand kan tegenspreken, dat het alles tijd uitwint — en toch, het schijnt wel, dat wij hoe langer zoo meer tijd te kort komen.
Terwijl een heirleger van menschen bij tijd en ontijd in de weer is met al die toestellen te fabriceeren en te bedienen om voor anderen tijd te winnen, slokken dezen de winst gretig op in hun arbeid, handel en wandel, zoodat de rekening toch weer een tekort oplevert.
Het gaat nog niet snel genoeg.
Iets dergelijks geeft de uitkomst der arbeidsbesparing te zien.
Arbeidsbesparing — zoo oordeelt men — is werkelijke besparing. Zij moet den welstand verhoogen. En men spaart arbeid uit.
De machine neemt een machtige plaats in in de moderne samenleving.
Hoeveel arbeid wordt op velerlei gebied door de machine verricht, waar weleer nooit aan gedacht is.
Zeker — 't is waar, dat de bevolking in de laatste eeuw sterk is toegenomen. En ieder kan begrijpen, dat er veel en veel meer noodig is dan vroeger om al die monden spijs te bereiden en te voorzien in de allereerste levensbehoeften van kleeding en woning, om van het overige maar te zwijgen.
Men kan de vraag stellen, of door enkelen handenarbeid naar ouderwetsehen trant in al dien nood voorzien zou kunnen worden, indien de menschheid verstoken ware geweest van de hulp der machine.
Wij laten deze en dergelijke vragen maar over aan de menschen, die zich daarmede bezighouden en die daarover ook het laatste woord nog niet hebben gezegd.
Het is trouwens zoo eenvoudig niet, want de machine wint ongetwijfeld wel arbeid uit, maar aan den anderen kant vraagt zij weer arbeid.
Voorts leven wij op geheel anderen voet dan het voorgeslacht en stellen zoo geheel andere eischen aan het leven.
Deze som is dus niet gemakkelijk uit te rekenen.
Met rekenen echter komen wij er toch niet. Het blijkt, dat de menschen telkens verkeerd rekenen. Het komt altijd weer anders uit dan zij gedacht hebben.
Als men op de werkeloosheid ziet, zou men haast gelooven, dat er te veel arbeid is uitgespaard. En als men op de gejaagdheid van het leven let, zou men het tegendeel weer aannemen.
Wij leven in een vreemde wereld.
Sommigen zeggen : in een bezeten wereld.
Wanneer men het kind bij den naam wil noemen, wordt het nóg anders. Wij leven in een zondige en verzondigde wereld.
De mensch leeft zich zelf.
Een duivelsche geest drijft hem uit om zich zelf te zijn en zich zelf te leven.
Gespaarde tijd en gespaarde arbeid worden aangewend voor het daemonische zelf. Zucht naar geld, naar genot, vieren hoogtij in onze dagen.
Daarom varen onze dagen voorbij met jachtschepen en als een arend, die naar het aas toevliegt.
Zelfzucht is als het vuur, dat nimmer zegt: het is genoeg.
De Mammon is als een afgod, die de kinderen van ons geslacht verteert.
Het leven van onzen tijd vertoont de kenteekenen van lichamelijk en geestelijk verval onder de degenereerende invloeden der moderne cultuur.
De ingebeelde winst loopt in werkelijkheid op verlies uit.
Wij willen den tijd omzetten in aardsche goederen en genoegens. Tijd is immers geld. Geld is in de wereld alles: genot, macht, aanzien, eer, vrijheid.
Wat zal men anders begeeren dan geld ? Wanneer de mensch den dood kon afkoopen met geld — maar de dood! — wat spreekt men toch van den dood ?
Waarom er over gezwegen ? Men kan den dood niet doodzwijgen. Men kan alleen met den tijd spelen, zoolang men den dood niet ernstig neemt.
Doet men dat wèl, dan is het spel uit. De dood maakt ernst met onze vergankelijkheid.
Hij is een vorst der verschrikking.
Hij opent de poorten der eeuwigheid en hoe zal de mensch God ontmoeten, die toornt over de zonde en te rein van oogen is dan dat Hij het kwade kan zien.
In het licht van den dood wordt de tijd genade en hemelsche lankmoedigheid en vergaat de glans van des menschen luister.
Zoo ziet de dichter van den 90sten Psalm de dingen.
Hij heeft zichzelf geschouwd in het aangezicht van den Eeuwige en ontwaarde zijn gestalte voor God.
„Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns".
Hij ontdekte, dat de mensch in rekening staat bij den Allerhoogste, Wien hij schuldig is de lof en de eer, de aanbidding en de dankzegging, welke hij niet brengt en niet brengen kan vanwege zijn ongerechtigheden.
„Want al onze dagen gaan heen door Uwe verbolgenheid, wij brengen onze jaren door als eene gedachte".
Vervreemd van den dienst des Heeren, zonder God in de wereld, verkeert de mensch in een nacht.
Vergeefs zoekt hij vrede in het aardsche gewemel, vergeefs ontvluchting uit de ellende, die knaagt aan zijn ziel.
IJdel is zijn arbeid en roof, want de aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid.
Tijd is genade, omdat de mensch geen recht heeft op het leven, maar de geringste van 's Heeren weldadigheden heeft verbeurd.
Wanneer dat wordt ingezien, wordt ook de waardeering van den tijd een zoo geheel andere.
Vandaar de bede van den dichter : leer ons onze dagen tellen in de vreeze Gods. Dat wij een wijs hart bekomen.
Een wijs hart koopt den tijd uit. Het leert zich zelf als boos en verdorven kennen. Het wordt geoefend in de vreeze des Heeren en in de kennis Zijner goddelijke deugden. Het overdenkt de dingen, die boven zijn, en neigt zich tot den oversten Leidsman des geloofs.
Wanneer de schat der hemelsche genade opengaat voor een menschenkind en het in Christus Jezus den hemelschen Vader als een Vader der barmhartigheid heeft, mag het ervaren, dat de tijd en de arbeid worden geheiligd in Zijn werk.
„Laat Uw werk aan Uwe knechten gezien worden en Uwe heerlijkheid over hunne kinderen".
Een glans der eeuwigheid dringt door den tijd heen.
De vergankelijkheid van het schepsel wordt gedragen door de onvergankelijke trouw van den God des levens, in Wiens hand onze adem is, en de voorsmaak van den eeuwigen vrede is het deel dergenen, die zich verheugen in de kennis Zijner zaligheid.
Zij verwachten de stad, die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouw meester God is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's