KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE EEUWIGE ZOON IS HET VLEESCH GEKOMEN.
Over de twee naturen van Christus is veel strijd geweest in den loop der eeuwen. Geen wonder. Want we hebben hier te doen met een geloofsstuk en de verborgenheid der godzaligheid is groot, juist waar 't gaat om dit goddelijk mysterie : God geopenbaard in het vleesch !
Aan de menschelijke natuur is veel getwijfeld en Christus' komst in het vleesch is veel bestreden. Lees de brieven van den grijzen Apostel Johannes maar eens, die de anderen overleefd heeft en latere gebeurtenissen mee heeft doorgemaakt, toen de andere Apostelen reeds gestorven waren, terwijl hij woonde in het harte van Klein-Azië, waar de heidensche filosofie veel kwaad deed, ook onder christenen, die soms met de gnostische leugenleer werden besmet. Naar heidensche betoogtrant leerden de Gnostieken (die de christelijke waarheden naar heidensche begrippen wilden omvormen) dat de Eeuwige Zoon van God niet geweest is een mensch van vleesch en bloed ; niet geboren uit de maagd Maria. Die Jezus, die uit Maria geboren was en zei dat Hij de Christus was, was een echte zoon van Jozef en — een bedrieger. Voor straf is Hij ook, rechtvaardig, aan het kruis gestorven, als een valsche Messias, die z'n verdiende loon ontving.
Maar de echte Christus, de ware Messias, moest „geestelijk" genomen worden. Die was niet een mensch van vleesch en bloed, uit de maagd Maria geboren.
Hoogstens was Hij met Zijn hemelsch lichaam door de maagd Maria heengegaan ; Maria is slechts „kanaal" geweest, maar de Christus heeft niets van haar vleesch en haar bloed en haar lichaam ontvangen ; Hij scheen slechts mensch, Hij deed Zich slechts zoo voor, maar het was alles maar schijn. En hier ontmoetten de Doceten de Gnostieken en de Gnostieken de Doceten. Alles, schijnbaar, om den Christus hoogelijk te eeren, veel „geestelijker" dan de gewone Christenen, die leefden bij het woord van de Apostelen. Die gewone Christenen waren veel te „vleeschelijk" en werden veroordeeld als minderwaardig in hun gelooven en belijden.
Daarbij kwam dan, dat die z.g.n. „geestelijke" Christenen, die „het geboren uit de maagd Maria" loochenden en de komst in het vleesch van Gods Zoon verwierpen, zelf ook onderscheid gingen maken tusschen den geestelijken mensch en den vleeschelijken mensch in den geloovige. In den geloovige waren dan eigenlijk twee menschen : de natuurlijke mensch van vleesch en bloed — en de geestelijke mensch, die uit God geboren is. En i, vleesch" kan immers niet anders dan zondigen. Daarom leerden ze, dat de mensch zich aan de Wet niet had te storen, daarvan kwam toch niets terecht. Het vleesch zondigt en blijft zondigen ; laat het dan ook maar zondigen ! Er is toch niets aan te verhelpen !
Daarom waren die „geestelijke" Christenen, die de komst in het vleesch van den Heiland loochenden, ook tegelijk voor eigen levenspractijk anti-nomianen, d.w.z. ze zetten de Wet eenvoudig opzij en zeiden : de mensch is nu eenmaal vleesch en bloed en dus zondigt de mensch, waaraan niets te verhelpen is.
Dat vinden we in de Brieven van Johannes terug. En de Apostel, die in zijn Evangelie getuigt van het Eeuwige Woord, dat vleesch geworden is (Joh. 1) herhaalt met méér woorden nog in zijn Brieven, dat Jezus (Dien ik — zegt hij —gezien heb en ulieden heb verkondigd) in hét vleesch gekomen is. Waarachtig God en waarlijk, echt mensch is de ware Messias ; in Wien de gemeente haar verzoening en zaligheid vindt. En die de vleeschwording des Woords loochent, hoort niet bij de gemeente ; zij haten de broederen ; zij zijn leugenaars ; zij staan aan de zijde van den Antichrist. Daarom moet het geloofsartikel : „Gods eeniggeboren Zoon — geboren uit de maagd Maria" ook verdedigd worden, schrijft Johannes. Het is een van de meest grondleggende stukken van de Christelijke belijdenis. En die dat loochenen „zijn niet van ons", zegt de Apostel der liefde (1 Joh. 2 vers 9).
Allen, die de Godheid van Christus of (en) de menschheid van Christus loochenen, zijn niet van de Gemeente des Heeren, die leeft bij het Woord en die de algemeen christelijke, ongetwijfeld en zekere belijdenis handhaaft en verdedigt : „ik geloof in Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere — Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, Die geleden heeft, gekruisigd is en gestorven en begraven — opgestaan uit den dood".
We moeten geen gemeenschap hebben met degenen, die dat loochenen, schrijft Johannes (1 Joh. 1 vers 5—10 ; 2 vers 1). Ook niet met die anti-nomianen, want de ware Christen spreekt niet als een anti-nomiaan. De ware Christen „zondigt niet" — neen, die spreekt zóó niet over de zonde. Want de ware Christen weet best, dat hij een zondaar is en zondaar blijft, tot z'n doodsnik toe — maar de ware Christen spreekt niet als die z.g.n. „geestelijke" menschen, die zeggen: de mensch is toch maar „vleesch" en daarom „zondig maar" !
De ware Christen zondigt niet met lust en liefde, met roekelooze zorgeloosheid en vleeschelijke bedekselen.
„Des Heeren vrees is rein, Zij opent een fontein Van heil, dat nooit vergaat. Zijn dierb're leer verspreidt Een straal van billijkheid, Daar z' all' onwaarheid haat".
PROF. HEPP OVER REORGANISATIE
In „Credo", het progressief Gereformeerd Weekblad, hoofdredacteur prof. dr. V. Hepp, hoogleeraar aan de V. U., schrijft deze over Reorganisatie als volgt (17 Dec. '37) :
„Druk wordt er, nu er concrete reorganisatieplannen zijn, over deze zaak gesproken. Een vrijz. medewerker in de N.R.Ct. spreekt over: „Brandnetels uit den Reorganisatiehof" (waarbij prof. Wagenaar uit Leeuwarden opmerkt, dat het een zeker soort dier is, dat op brandnetels verzot is en er smakelijk van eet). Prof. Haitjema e.a. staan er anders tegenover.
„Welke houding hebben wij, als leden der Geref. Kerken, hier tegenover in te nemen ? Het zou ons als zonde worden aangerekend, indien wij hier onverschillig tegenover stonden. Naar onze broeders en zusters in de Ned. Hervormde Kerk, die even zuiver in de belijdenis zijn als wij, moet voortdurend ons hart uitgaan. Ja, méér dan tot nog toe. Wij hebben iets aan hen goed te maken. Onze gezindheid jegens hen was niet altijd zóó hartelijk, als zij op grond van onze geloofsgemeenschap wel behoorde te zijn. De kwestie, hoe we met hen tot éénheid kunnen komen, mag ons niet loslaten". „Zij meenen den weg van Afscheiding en Doleantie niet te mogen inslaan. Zij kiezen liever een anderen, dien ze veelal als „reorganisatie" aandienen. Mogen wij over die reorganisatiegedachte den ban uitspreken ? Ik zou dat niet durven. Dat vonnis gaat er vanuit, dat reorganisatie principieel verschilt van reformatie. Dat kan. Maar het behoeft niet".
„Beschouwt men den genootschappelijken bestuursvorm als een desorganisatie van de aloude Geref. Kerken — en dat doen gelukkig zeer velen in de Ned. Hervormde Kerk —, trekt men de reorganisatie zoover door, dat de Geref. belijdenisschriften weer moeten worden gehandhaafd, dat de leertucht naar
echt Gereformeerde opvatting in eer moet worden hersteld, dat de Kerk weer moet gaan leven naar een Kerkordening, welke alleen de Heilige Schrift tot richtsnoer heeft en in overeenstemming is met onze Gereformeerde symbolen, dan valt moeilijk in te zien waarom zulk een reorganisatie geen reformatie zou mogen heeten".
„Ik acht het onverantwoordelijk, zich op 't standpunt te stellen, dat de Ned. Hervormde Kerk zóó verdorven is, dat zij in het geheel geen sporen van ware Kerken meer bezit. Calvijn dorst dat zelfs van de Kerk onder het pausdom niet te beweren. Hoeveel minder voegt het dan ons ten aanzien van de Ned. Hervormde Kerk, waarin toch meer waarheid is overgebleven dan in de Roomsche Kerk na de groote Reformatie".
„Het aangenaamst zou het mij zijn, indien onze Gereformeerde broeders in de Hervormde Kerk zich bij ons voegden. Maar waar zij tot in hun ziel overtuigd zijn dat niet te mogen doen en op een huns inziens betere manier tot Kerkherstel willen komen, daar mag ik niet anders dan den wensch koesteren, dat zij hierin heilige activiteit zullen betoonen en dat God van den hemel het hun doe gelukken. De Heere heeft meer dan één weg om de Kerk tot reformatie te brengen. En ik waag niet van te voren te beslissen, dat reorganisatie geen reformatie kan zijn, als een nieuwe genade, door den Heere aan Zijn Kerken bewezen".
„Zelfs al zou een reorganisatie slechts voor de helft verbetering brengen, dan hebben we ons nog te verheugen". „Alleen vinde onze broederlijke bede gehoor: zijt in alles getrouw, vergeet niet, dat, schoon God het werken moet. Hij u als Zijn knechten wil gebruiken !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's