De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

FLAVIUS JOSEPHUS DE JOODSCHE GESCHIEDSCHRIJVER

5 minuten leestijd

1900 jaar geleden geboren.
We schrijven nog 1937, en indien het juist is, dat Josephus in 37 na Christus het levenslicht zag, dan kunnen wij nog alleen in dit nummer van ons blad zeggen, dat het dit jaar dus 1900 jaar geleden is. Angstvallige nauwkeurigheid behoeven wij hier echter niet in acht te nemen, omdat het ook zeer wel mogelijk is, dat de datum van Josephus' geboorte in het jaar 38 ligt. In ieder geval valt hij tusschen 13 September 37 en 16 Maart 38, in het eerste jaar der regeer ing van keizer Caligula. Voor deze kwestie zie men het in de literatuur genoemde werk van Schürer.
Josephus stamt uit een priesterlijk geslacht. Hij kreeg een zorgvuldige rabbijnsche opvoeding, en moet reeds als knaap van veertien jaar buitengewoon onderlegd geweest zijn in de joodsche wet. Wonderlijke verhalen zijn er hieromtrent in omloop. Om zijn kennis van den joodschen godsdienst te completeeren, doorliep hij op 16-jarigen leeftijd de scholen der Pharizaeërs, Sadducaeërs en Essceërs. Onder leiding van een zekeren Banus oefende hij zich in strenge boetedoening. Josephus was dus, wat wij zouden zeggen, op en top een jood, een waardig vertegenwoordiger van zijn geslacht. Romeinsche invloeden brachten hierin echter weldra verandering.
Nadat Josephus zijn intrede in het openbare leven gedaan had, ondernam hij een reis naar Rome, ten behoeve van eenige priesters, die als onruststokers door Felix, procurator van Judea, daarheen gezonden waren. Hij was toen 26 jaar oud. Door voorspraak van keizerin Poppaea, in wier gunst hij zich mocht verheugen, wist hij de in-vrijheid-stelling zijner landgenooten te verkrijgen, en overladen met geschenken, als belooning voor dit succes, keerde hij na drie jaren in zijn vaderstad (Jeruzalem) terug. Van toen af werd Josephus beschouwd en geëerd
als een groot man.
Niet lang na Josephus' terugkomst uit Rome, stonden de Joden tegen het romeinsche gezag op. Aanvankelijk schijnt Josephus zijn medewerking aan de opstandige beweging onthouden te hebben, maar later veranderde hij van partij, en werd hem het opperbevel over Galilea toevertrouwd. De wijze, waarop Josephus het joodsche leger tegen de Romeinen organiseerde, dwingt nog heden ten dage bewondering af, al zijn de mededeelingen, die ons hieromtrent zijn overgeleverd, niet voor honderd procent betrouwbaar. De strijd tusschen de joodsche macht en den romeinschen adelaar werd echter in Juli 67 in het voordeel van den laatsten beslecht. Alhoewel de bekwaamheden van Josephus bij de belegering der stad Jotapata, die 47 dagen duurde, onmiskenbaar gebleken zijn, — toch heeft hij geen stand kunnen houden tegen het leger der Romeinen, dat onder aanvoering stond van Vespasianus. Josephus zelf is op laffe wijze aan den dood ontkomen, en gevlucht. Weldra koos hij voor goed de zijde der Romeinen, een daad, die bij zijn landgenooten niet eens zooveel opzien baarde, aangezien men hem nimmer heeft vertrouwd. Twee jaar hielden de Romeinen hem gevangen. Daarna werd hij door Vespasianus, bij de aanvaarding van diens keizerschap, in vrijheid gesteld, uit dankbaarheid voor de verwerkelijking eener voorspelling, die Josephus gedaan had, dat Vespasianus eens als zoodanig den troon zou bestijgen.
Heel Josephus' leven heeft gestaan in het teeken van zucht naar roem en grootheid. Indien hij een en ander bij zijn eigen volk zou hebben kunnen bereiken, — wellicht had hij nimmer positie voor den Romein gekozen. De afloop van den oorlog deed hem echter sterk vermoeden, dat het met 't zelfstandig volksbestaan der Joden uit was. Daarom kon hij, uitsluitend en alleen gedreven door zijn zucht naar eigen belang, een verrader worden van de heiligste principes zijns volks. Niemand, zegt Schürer, zal Josephus' karakter in bescherming willen nemen.
Onder groote begunstiging van Vespasianus werd de vroegere joodsche Pharizaeër een grieksch schrijver.
In een eerste werk, waarin hij o. a. Vespasianus veel lof toezwaait, handelt hij „Over den Joodschen Oorlog". Al zijn de redevoeringen, die er in voorkomen, waarschijnlijk zeer overdreven, en de getallen niet au serieux te nemen, — zwakheden, die vele auteurs uit Josephus' dagen .met hem gemeen hebben —, de betrouwbaarheid schijnt over het algemeen wel vast te staan. De geschiedenis van zijn gevangenneming te Jotapata is beslist onjuist. Een tweede boek, dat tot titel draagt „De Joodsche Oudheid", behandelt in twintig boeken de geschiedenis van het joodsche volk. Het is slordiger bewerkt dan het vorige, zoodat de waarde van dit boek afhangt van de beteekenis der door Josephus geraadpleegde bronnen. Ook heeft Josephus zijn eigen „Leven" beschreven, dat te beschouwen is als een „oratio pro domo" (een betoog ten bate van zichzelf), en dat de ware toedracht der feiten eenvoudig op den kop zet. Van zijn overige geschriften noemen wij nog dat tegen A pion, waarin hij de oudheid van het joodsche volk verdedigt tegen aanvallen van heidensche schrijvers. Men beschouwt dit strijdschrift wel als Josephus' beste werk.
Evenals bij Vespasianus het geval was geweest, stond Josephus ook bij de latere keizers Titus en Domitianus in hooge gunst.
Het jaar van Josephus' dood is niet bekend.
Eusebius heeft in zijn kerkgeschiedenis melding gemaakt van een standbeeld, dat te Rome te zijner eere zou zijn opgericht (III. IX. 2), een bericht, dat overigens niet wordt bevestigd.
D.
d. Z.


Literatuur.

Al de werken van Flavius Josephus, bewerkt door dr W. A. Terwogt, Dordrecht 1873.

W. A. Terwogt, Het Leven van den Joodschen Geschiedschrijver Flavius Josephus, Utrecht 1863.

Dr Emil Schürer, Geschichte des jüdischen Volkes im Zeitalter Jesu Christi, Ier Band, 5e Aufl., Leipzig 1920, S. 74—106.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's