MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Thans stond er evenwel verandering te komen. Tijdens de vacature, waarin de ring-predikanten optraden, had de gemeente het onderscheid bemerkt, dat er tusschen de verschillende godsdienstige richtingen in de Kerk bestond. Behoudens een paar uitzonderingen, was de geheele Ring puur modern, en ook onder de vrijzinnige predikanten openbaarde zich nog vrij wat onderscheid, zoowel betreffende het ambt als de „hoogere aangelegenheden", gelijk men het noemde.
Sommigen hunner kozen nog wel een tekst uit den bijbel, doch hielden dan gewoon een toespraak over de meest algemeene zaken, die het natuur-of het maatschappelijk leven betroffen, en die even goed in een bijeenkomst van het „Nut" dienst had kunnen doen. Een enkele, meer religieus aangelegd, wilde met nadruk de noodzakelijkheid van den godsdienst ook voor het dagelijksch leven bepleiten. Allen te zamen echter kwamen hierin met elkander overeen, dat zij naar eigen, vrije opvatting uitlegging gaven aan het Woord, hetwelk zij hadden te verkondigen en waarbij de meesten van hen zich aanpasten aan de eischen van den tijd.
In den beginne was de opkomst des Zondags grooter dan ooit. Of 't nu louter uit nieuwsgierigheid geschiedde, dan wel dat men, opgeschrikt door het plotseling sterven van den dominé, den angst in het hart had voelen slaan en oordeelde, dat het toch wat anders in het leven moest toegaan, hoè 't zij, de menschen, die zich voorheen nooit in de kerk lieten zien en met den godsdienst in het geheel niet bemoeiden, kwamen thans vrij trouw.
Douwe en Klaske bijvoorbeeld hadden nog nooit een Zondag voorbij laten gaan, waarop zij niet met het zilverbeslagen kerkboek óptogen. En hoe langer zoo meer begon de ijver voor den godsdienst bij Klaske vooral te ontbranden, zoodat zij daar ook niet van zweeg en ook Gelske mee in den stroom gekregen had. Deze bezat wel niet zoo'n mooi kerkboek als Klaske, maar had toch na lang praten van haar man de vrijheid gekregen, om een nieuwen mantel te koopen en een anderen hoed over haar oorijzer, welke nu 's Zondags mooi gebruikt konden worden als zij met buurvrouw naar de kerk ging.
Ook onder de meer gegoeden scheen de belangstelling te ontwaken, zoodat zelfs van „Bornia-State" en „Glad Verlegen" geregeld een of twee, buiten het personeel, den morgendienst bezochten. Vrouw Siderius had geen vaste gewoonte. Een paar maal had Bouke haar naar de kerk gebracht, bij gelegenheid, dat een vrijzinnig ringpredikant optrad, maar daar was het bij gebleven. De inhoud van de preek vond zij zoo schraal en de zedelessen, die gegeven of de beschouwingen, welke over het dagelijksche leven gehouden werden, zóó oppervlakkig en algemeen, dat zij het de moeite niet waard oordeelde, daarvoor naar de kerk te gaan. Zoo iets kon men ook wel uit de krant of uit een mooi boek lezen. Het raakte de koude kleeren niet, — meende de boerin.
Anders werd het evenwel wanneer de rechtzinnige ringpredikanten optraden. Hoe vaker deze kwamen, hoe voller de kerk liep en al heel spoedig trad het groote onderscheid aan het licht tusschen hun prediking en die der moderne collega's. Dit was voor de gemeente iets nieuws. Zoo'n preek. hoorde nu eigenlijk bij den godsdienst, al begreep men dan ook den inhoud niet geheel.
Als men bij zoo'n gelegenheid naar de kerk ging, dan kréég men wat voor zijn geld, — zooals de koopman zei, die gewoon was alles naar zijn waarde te taxeeren. En een ander vond, dat die orthodoxe dominees vrij wat meer van hun werk maakten dan die moderne heeren, vooral de jongeren onder hen, die zich met een koud praatje van de dingen afmaakten.
't Was toch maar zóó, als men naar de kerk ging, dan wilde men daar ook iets hooren, dat niet op straat of in de herberg of in de comedie en ook niet zoo gewoon in den omgang met de vrienden en kennissen werd vernomen. Daarvoor was het Zondag en ging men naar de kerk.
Hier kwamen nog andere dingen bij. Die rechtzinnige predikanten toonden ook veel meer ernst in hun prediking en spraken in elk geval met veel meer eerbied over God. Zij voelden blijkbaar dieper den afstand tusschen het hoogste Wezen en hen en openbaarden dat in heel hun prediking. Ook voor den Bijbel hadden zij véél meer ontzag. Zij noemden dezen het „Woord Gods", of de „Heilige Schrift" en beschouwden hem als een bijzondere openbaring uit een hoogere wereld. Zelfs de wijze, waarop zij met dit Boek omgingen, bewees hun meerderen eerbied, terwijl daar in die bladzijden voor hèn het eind van alle tegenspreken lag.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's