De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

Van God den Schepper.

12 minuten leestijd

Het ligt niet in onze bedoeling over de verhouding van Kerk en Staat breedvoerige beschouwingen te houden. Wel kan het van belang zijn er op te wijzen, dat de beschouwingen van Calvijn tot geheel andere resultaten moeten leiden dan bovengenoemde.
En hoewel men moet toegeven, dat ook in het Calvinistische land de beginselen van den Geneefschen hervormer niet werden doorgevoerd, geeft de historie daar een ander beeld te zien.
Ondanks allen afval, verslapping en verbrokkeling, kan men dat in ons land, in Engeland en ten deele ook in Amerika nog gewaar worden. Het volksbewustzijn als geheel reageert anders op de revolutionaire geesten en vertoont nog een innerlijken weerstand, die elders wordt gemist of veel zwakker is.
Dit vindt uiteraard verklaring in de beginselen, waarvan de theologie van Calvijn uitgaat en die, ondanks de door velen gewraakte leer der goddelijke verkiezing, het volk als geheel onder den eisch der religie betrekken.
Slechts wie eenzijdig op de leer der uitverkiezing let, kan het toeschijnen dat Calvijn's leer oorzaak van velerlei secten moet worden.
Ontkend kan niet, dat ook op Calvinistischen bodem velerlei kerken en secten zijn ontstaan. Dat is echter ook op niet-Calvinistischen bodem geschied. Het gaat dan ook niet aan, dit aan de beginselen van Calvijn's theologie toe te schrijven.
Daarbij komen ook nog andere factoren in het geding, die wij thans laten rusten.
Het kan echter niet worden weersproken, dat de verbrokkeling van het kerkelijk leven groote schade berokkent aan de waardeering der Christelijke religie en haar invloed ondermijnt. Al te zeer heeft men de universeele roeping der Kerk uit het oog verloren. En dat heeft zonder twijfel mede zijn oorzaak daarin, dat men den algemeenen eisch der kennisse Gods als Schepper en Onderhouder naar de orde onzer schepping, niet heeft onderscheiden van de kennis van God als Verlosser in Christus Jezus, welke den kinderen Gods IS beschoren naar Zijn eeuwige verkiezing.
De strijd tegen de leer der uitverkiezing in de 17e eeuw kon daaraan slechts bevorderlijk zijn. Het stuk der praedestinatie moest sedert dien als het kenmerk der orthodoxie gelden. Inderdaad grijpt het de kern van de leer der zaligheid en wordt de souvereine vrijmacht Gods daarin geëerd.
Een en ander werd echter ook aanleiding om de leer der zaligheid eenzijdig tot inhoud en doel der prediking te maken. Daaruit volgt weer, dat zoekers der zaligheid een „ruimer evangelie", zooals het heet, zochten te verdedigen. Hoe anders kon men van „rekkelijken" en „preciesen" spreken ? En dat had weer ten gevolge, dat de weg der zaligheid op onderscheidene wijzen werd voorgesteld, en de menschen allerlei drogredenen bedachten om hun ziel te vreden te stellen.
De zuivere leer der zaligheid werd het troetelkind der orthodoxie temidden van allerlei wind van leer van een z.g. Evangelisch Christendom, dat van het fundament des geloofs allengs verder afgleed.
Het zoeken van zaligheid ligt den mensch nu eenmaal nader dan het zoeken van den levenden God, en als hij zonder God zaligheid kon vinden, zou hij dat boven Zijn heiligen dienst verkiezen.
Op die wijze vergat de Kerk haar universeele roeping om allen te prediken, dat wij eere en aanbidding schuldig zijn aan den Schepper van hemel en aarde naar de orde onzer schepping.
Niemand kan er aan twijfelen, dat zulks in de roeping der Kerk ligt en wel om de volgende redenen.
1°. De gevallen mensch is zonder God in de wereld.
2°. Hij is onbekwaam om Hem uit te vinden.
3°. Alleen door het Woord wordt hij tot de kennis van God geleid.
4°. De Dienst van het Woord is der Kerk toebetrouwd.
5°. Omdat hij in deze eerste kennis tot ontdekking zijner ellende wordt vermaand.
Calvijn onderscheidt drieërlei Godskennis :
1°. Het besef, dat er een God is.
2°. De kennis van God den Schepper.
3°. De kennis van God den Verlosser in Christus Jezus.
Zoo zijn er ook drieërlei soort van menschen. Menschen, die zonder God in de wereld verkeeren. Menschen, die in meer of mindere mate kennis van God den Schepper dragen, door opvoeding en prediking, in ieder geval door het Woord der openbaring. Menschen, die hun zaligheid in Christus verwachten.
Een vergadering van deze laatsten kunnen wij niet bijeenbrengen, omdat de Heere alleen de Zijnen kent.
In ieder land, waar de Dienst des Woords wordt waargenomen, zullen derhalve die drieërlei menschen voorkomen. En het blijkt, dat ook in de natie, die reeds eeuwen lang onder de prediking des Woords leeft, altoos onverschilligen zijn, die in onwil en onwetendheid volharden, ondanks opvoeding, onderwijs en prediking.
Daarom acht Calvijn het een genade, als men door opvoeding, onderwijs, prediking en Doop kennis van den waarachtigen God verkrijgt en zich voegt onder den eisch om Hem te eeren en te aanbidden. Zooals gezegd, handelt hij dan nog niet over de kennis der zaligheid in Christus Jezus. Hij noemt die tweede soort van kennis een zekere godsvrucht en onderscheidt die ook als geloof, al is dat als zoodanig nog geen geloof uit de wedergeboorte.
Reeds meerdere keeren werd er op gewezen, dat Calvijn dezen algemeenen eisch om den God der Schriften te eeren, op de orde onzer schepping gegrond wil hebben, zoodat niemand zich daarvan kan onttrekken dan in moedwillige ongehoorzaamheid.
Op grond daarvan kan men dien eisch dan tot de gansche natie uitstrekken in het z.g. Christenland. Het nationale leven in zulk een land behoort op den grondslag van de kennis van God den Schepper te staan, die zich in Zijn Woord openbaart en Zijn wil te kennen geeft.
Het behoort dus te staan onder de norm van Zijn wet.
In zulk een land heeft dus de Overheid de roeping zich op dien grondslag te stellen, omdat die met den eisch aan de orde onzer natuur door God gesteld overeenstemt.
Inderdaad heeft de Overheid niet de zorg voor de zaligheid van het volk, maar zij heeft voor de eere Gods te waken door de handhaving van Zijn wet. Zij stelt zich op het plan van de kennis van God den Schepper.
Zij is er immers om der zonde wil.
Welnu, door de zonde is die kennis verduisterd en te loor gegaan, maar door de genade Gods deed het Woord licht over deze duisternis opgaan. Dan heeft zij zich daarnaar te reguleeren.
Wanneer men zich op de beginselen van Calvijn bezint, rijzen uitteraard verschillende vragen, die niet zoo gemakkelijk worden beantwoord.
Anderzijds kon aan veel gehaspel een einde worden gemaakt, zoo men van hem wilde leeren.
Het kan b.v. geen vraag meer zijn, of de Overheid ook iets met de eerste tafel der Wet heeft uit te staan. Het is toch duidelijk, dat zij met dien God van doen heeft, die daarin gebiedt, hoe Hij geëerd wil zijn.
Iemand kan echter vragen, wat de Overheid met de Wet Gods als zoodanig heeft
te maken en of zij zich niet heeft te fundeeren op het algemeen zedelijk bewustzijn.
Dat is nu juist het onderscheid tusschen heidenland en Christenland. Het volk, dat in duisternis wandelt, kan bij het licht niet leven. Het leeft uit de schemering van de gloeiende sintels, die uit de orde der natuur zijn overgebleven Doch waar het licht opging over die orde en de kennis van den eisch dier orde, daar komt het met de eere Gods overeen dien eisch te eerbiedigen.
Het behoeft niet te worden opgemerkt, dat de omstandigheden en de gesteldheid van het volk mede de grenzen der toepassing bepalen, maar het gaat thans om den eisch.
Dus niet het algemeen zedelijk bewustzijn, maar dit onder den eisch der Wet. De Wet Gods verklaart toch den eisch, aan de orde onzer natuur gesteld, zij is de Wet des menschen naar zijn schepping.
Een ander kan vragen, hoe wij dan spreken van Christenland, als toch kennelijk niet bedoeld kan wezen, dat het gansche volk uit waarachtige Christenen, wedergeborenen, bestaat.
Of scherper : heeft de Overheid eigenlijk wel iets met den Christus te maken ? Wij spreken van een Christelijke Overheid, Christelijke Staatkunde, enz. Daarin ligt een bevestigend antwoord.
Sommigen hebben er wel eens een kwestie van gemaakt of Christus in de gebeden der Overheid, b. v. in de raadszaal, mag aangebeden worden, dan wel of men zich alleen tot God heeft te wenden.
De menschen kunnen vele spitsvondigheden bedenken om den knoop te ontwarren zonder klaarheid te brengen.
Gaan wij alweer naar Calvijn terug, dan laten zijn beginselen ons niet in den steek.
Door Wien toch anders dan door den Christus is de onbekende God van het heidendom een Bekende geworden ? Aan Hem, het levende Woord, danken wij die kennis, gelijk Hij ook Zelf betuigt: Ik ben het Licht der wereld. Het staat er zoo universeel en algemeen mogelijk: Het Licht der wereld.
Alleen door het Woord, zegt Calvijn, worden wij tot de kennis van God geleid. Zal dan de Overheid het Licht niet erkennen, bij hetwelk zij haar taak heeft te vervullen ?
Het blijft voor de Overheidspersoon een persoonlijke zaak, of zij Hem als Middelaar der verlossing kent, maar in het ambt heeft zij Hem als Middelaar der Godsopenbaring te eerbiedigen.
Zoo draagt zij ook kennis van de Wet Gods, omdat het Woord daarin het licht over de norm van het religieus-zedelijk leven naar de orde der schepping deed opgaan.
Voorts volgt uit deze dingen, dat men voorzichtig zij met de eischen, aan het beleid der Overheid gesteld.
Een Kerk kan maar niet op grond van ieder dogma plichten aan de Overheid opleggen.
Ten eerste behoort men de zelfstandigheid der Overheid te erkennen.
Vervolgens heeft men te bedenken, dat haar macht dikwijls wordt beperkt door de gesteldheid van het volk en de omstandigheden.
Maar voorts is het niet onmogelijk, dat men dingen van de Overheid zou vragen, die niet binnen de grenzen van haar roeping liggen, gegeven het universeele gebied, waarop zij staat.
Heiliging van den Sabbath kan de Overheid niet dwingen ; de rust heeft zij echter krachtens de Wet te bevorderen en te handhaven.
Principieel genomen, mag men geen confessioneel bepaalde Staatkunde van haar eischen, geen Roomsche, Luthersche, Gereformeerde of anderszins.
Het is wel bekend, dat de verschillende confessies verschillend denken over den Staat en zijn verhoudingen, zoodat het Roomsch-Katholicisme, het Lutheranisme en Calvinisme in het land, waar het doinineerde, een stempel op de staatkunde en haar historie drukte.
De werkelijkheid bewijst, hoewel op niet gelukkige wijze, dat men een meer algemeen standpunt zoekt.
Of zoekt het liberalisme niet een Christendom boven geloofsverdeeldheid te verdedigen ? En streeft de nationaal-socialistische staatsidee niet naar een soort universeel religieus standpunt, dat boven de confessie der kerken uitgaat?
Daarin steken ongetwijfeld zeer ongelukkige bewijzen eener behoefte aan een algemeen standpunt, maar het heeft toch iets te zeggen.
Calvijn geeft een beteren weg aan, die ook als de juiste moet worden erkend. Immers ieder algemeen Christelijk standpunt, dat men verzint, buiten den weg, dien hij wijst, rust in ijdele bespiegelingen, die uit de verdorven natuur van den mensch opkomen.
Calvijn echter onderwerpt zich aan Gods Woord en stelt ons voor Gods eisch omtrent ons leven, gelijk dat naar de goddelijke orde behoort te zijn.
Daar ligt nu juist het critische punt. Calvijn gaat uit van de erkenning der Godsopenbaring, zooals die in de Heilige Schrift is gegeven. Daaraan mangelt het onzen tijd.
Het geschreven Woord wedervaart dezelfde bejegening als het vleeschgeworden Woord, gelijk het ook desondanks zijn goddelijke kracht betoont. Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. Zoo zag Jesaia Hem, en toen Hij tot de Zijnen kwam, werd deze Schrift bevestigd: Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen.
Evenals de Christus aan velerlei opspraak, smaad, hoon en ergernis bloot stond, en ten laatste werd uitgeschud en gekruisigd, is ook het geschreven Woord aan velerlei critiek blootgesteld en uiteengescheurd.
Met name de laatste eeuw heeft niet nagelaten, zoo het mogelijk ware, de Heilige Schrift dood te critiseeren.
En gelijk de Joodsche schriftgeleerden Zijn heftigste tegenstanders waren, heeft de nieuwere schriftgeleerdheid zich ingespannen de Schriften te toetsen aan haar eischen van historische en grammatische zuiverheid en aan die der menschelijke geleerdheid en rede.
Een z. g. n. Nieuw-Testamentisch Christendom trachtte zich los te maken van het Oude Testament, sneed den band der goddelijke genade in Christus Jezus met de orde der schepping door.
Men heeft weerzin aan een z.g.n. wettisch Christendom en doet, alsof wij met de Wet Gods niet meer van doen hebben.
Het eind is, dat de leer der genade en der zaligheid boven lucht en wolken zweeft en in allerlei speculaties opgaat, die met de werkelijkheid geenerlei verband houden.
Calvijn had er echter oog voor, dat de Wet Gods een tuchtmeester tot Christus is. Het reformatorisch geloof begint bij den eisch der Wet. En het ligt dan ook voor de hand, dat een volk, dat voortdurend aan den toets der Wet wordt herinnerd en wordt geregeerd naar haar norm, evenals Israël eertijds, ontvankelijk wordt voor de profetie der zaligheid.
Niet het model van den Israëlietischen staat is normatief.
Inderdaad waren de omstandigheden in oud-Israël geheel andere.
Maar dergelijke tegenwerpingen treffen alleen het drijven van hen, die het Israelietische volksbeeld tot een exempel maken voor heden.
Waar het echter op aankomt, is de Wet Gods, zijnde de norm voor het zedelijk leven, aan geen tijd of ras gebonden, maar zijnde de Wet des menschen.
Eerst onder den eisch der Wet leert de mensch God en zichzelf kennen en wordt de behoefte aan den Verlosser geboren.
Maar, zooals reeds werd opgemerkt, aan de kennis van en den eerbied voor het Woord Gods ontbreekt het in onze dagen, zoozeer, dat men een schriftuurlijk geloof in God, den Schepper van hemel en aarde, hetwelk een domineerende plaats in het bewustzijn der volkeren inneemt, niet meer kan spreken.
Hoe zou Calvijn oordeelen, als hij de hedendaagsche toestanden kon waarnemen ? Er waren in zijn dagen geestdrijvers, libertijnen, mystieken en verkondigers van vreemde leeringen, maar het algemeen bewustzijn lag onder beslag van de algemeene waarheden des geloofs.
De ijdele bespiegelingen, welke hij telkens weer aan de kaak stelt, hebben in onze dagen zoovelen ingenomen, dat zij een machtigen invloed op den gang van zaken uitoefenen. Wijsgeerige, sociale, oeconomische en politieke theorieën hebben een plaats in het denken en handelen der menschheid veroverd en de gezonde principiën, die Calvijn ons leert, verdrongen uit het bewustzijn van de massa.
Allereerst roept dit tot bezinning omtrent de roeping der Kerk, opdat zij zelf wederkeere tot gehoorzaamheid aan den eisch des Woords. Zij kan van de wereld geen erkenning verwachten, indien zij niet de gehoorzaamheid brengt, die zij anderen predikt.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's