KOHLBRUGGE
en de leer des heils
X.
De weg Zijner heiligen gaat dikwijls door diepe wateren en door groote aanvechting heen. „Zoo gaat het in het begin van den levensweg, maar ook in den voortgang herhalen zich menigmaal zulke gevoelens van verlorenheid. Soms wel is men alles kwijt, wat men van de liefde Gods en de genade van Jezus Christus ervaren heeft, zoodat men opnieuw niets anders ziet dan zonde en nog eens zonde, en in het geheel geen macht, zich van die zonde vrij te maken, enz. Bedenk echter, op Wien gij hebt te zien, gij, die met zonden zijt beladen. Zie op het Lam Gods ; wat het wegdroeg, waren uw zonden". (Licht und Recht, deel II, blz. 54 en vervolgens).
„Waar waarachtig leven is, daar houdt het niet op met moeite, strijd, moedeloosheid, twijfelen, onrust, met angst voor den toorn Gods, in het kort, met allerlei aanvechting. Wie nauwkeurig let op datgene, wat voortkomt uit het hart, die ziet voortdurend, dat het hem gaat, als wij vinden in de Psalmen: nu eens weent hij, dan weer zingt hij, er is een voortdurend worstelen, vrees voor Gods toorn, een schreeuwen om genade, een prijzen van Zijn naam, schrik des doods en der hel, en dan weer een danklied. Dat gaat op en neer, nu eens ligt men geheel onder, dan weer is men boven. Of men de kroon ook voor zich ziet, men is toch nog ongerust, zoo lang men haar niet heeft bereikt". (Licht und Recht, deel III, blz. 12).
„Wie gelooft in de vergeving der zonden, zou God wel alles willen schenken, zou van harte gaarne geheel overeenkomstig Gods bevel willen leven, zou in alle goede en Gode welgevallige werken begeeren te wandelen en daarin meer en meer overvloeiende zijn. Maar als hij nu alles overziet, wat uit hem voortkomt in dezen dienst van God, en hij in alles slechts zonde ziet, wat kan hij dan geven voor de vergeving zijner zonden, waarmede deze den Heere vergelden ? Hij kan slechts de vrije genade roemen, slechts den naam des Heeren prijzen, wanneer God hem zijn lippen opent, en dit is zijn bidden en zuchten : De Heere, die zich alles kan onderdanig maken, moge zulks doen". (God, wees mij genadig : naar Psalm 51, blz. 57).
„Heeft er dan nu echter heelemaal geen verandering met den mensch plaats gevonden ? Staat het dan zoo, dat de mensch, nadat hij om Christus' wil rechtvaardig geworden is, rustig en geheel blijven kan, wat hij is, terwijl zich de genade dan des te meer verheerlijkt ? Daar geeft de apostel het antwoord : Wij zijn der zonde gestorven. Waar zulk een waarheid bekend wordt, daar heeft zij ook een almachtige, onwederstandelijke invloed op den mensch, die haar belijdt. Hij, Die de sleutel draagt van hel en dood, zal wel goed er voor weten te zorgen, dat degenen, die Hij in Zijn dood aan zulk een opstand tegen den levenden Vader heeft doen sterven, zich met Hem overgeplaatst vinden in Zijn eeuwig leven, en dat zij niet voor de zonde, maar voor God leven in Hem, evenals Hij, wat Hij leeft, Gode leeft. Daarvoor is Zijn opstanding ons borg.
Er moet echter een waarachtige, zware en groote nood bij ons geweest zijn, om deze dingen te verstaan, hoe zij in Jezus waarheid zijn". (20 Predikatiën, gehouden in 1846, blz. 186 en 191, vergelijk 20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 206 en vervolgens).
Meer en meer heeft het verstand tegen deze leer het verwijt doen hooren, dat zij zorgelooze en goddelooze menschen zou maken. De duivel komt met de tegenwerping : Dat is een mooie leer, daarbij kan men op zijn zonden blijven zitten. Heeft men dan bewezen : met Hem zijn wij begraven, met Hem zijn wij opgewekt, zóó moeten wij ons voor God stellen, dan wordt er weer gezegd : Nu ja, daarbij kan men toch blijven zondigen. En heeft men nu bewezen, dat het zoo niet gesteld is, maar dat juist de genade een vrucht ter heiligmaking is en eeuwig leven met zich brengt, dan wordt 46 er nogmaals gezegd : wat moet dan echter de wet ? En heeft men nu zijn hart geheel uitgestort en getrouw uit eigen ervaring ronduit gezegd, wat wij eigenlijk zijn en hoe wij ons gedragen en hoe heilig de wet is, dat onze zonde het ons echter onmogelijk maakt, de wet te vervullen, en wij ons daarom alleen aan Christus moeten houden, dat wij zoo Gode vrucht voortbrengen, dan wordt er andermaal gezegd : Maar, hoe schikt ge u dan in de zonde ? De zonde is met dat alles toch niet weg, dus zijt gij dan toch niet rechtvaardig voor God, enz." (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 109).
„Is het gedrag van zulk een mensch bij deze leer niet gevaarlijk ? Moet daaruit niet voortvloeien, dat de mensch zijn zondig leven zal voortzetten ? Kan men daaruit niet besluiten : Nu, als ik dan onder de genade ben en niet onder de wet, (Rom. 6 vers 15), dan kan ik immers zondigen ; en als de genade niet wil, dat ik zondig, dan kan zij het immers verhinderen ! Daarop antwoordt de apostel : Geeft gij u over en blijft gij bij de waarheid der gerechtigheid, zooals ik u die heb voorgehouden, dan hebt gij uw vrucht tot heiligmaking en het einde het eeuwige leven, terwijl het einde van uw heiligmaking de dood zou zijn. Wanneer gij erkent, dat gij op het gebied der genade zijt overgegaan, zoo zult gij ook erkennen, dat gij aan deze genade zijt overgegeven, om u aan deze genade te onderwerpen, die voor u zal zorgen". (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 208).
„Zal men misbruik van zulk een leer maken ? Wie kan dat verhinderen ? Er is geen mensch, die niet van alles misbruik maakt. Israël zelf maakt er het meeste misbruik van. Toch is het Israël. Het Woord spreekt in Psalm 130 vers 7 en 8 van een Israël, tot hetwelk het zegt : het hope op den Heere. Het Woord belooft hier : Het Israël, dat op den Heere hoopt, zal door Hem verlost worden van al zijn ongerechtigheden". (Licht und Recht, deel 6, blz. 36, vergelijk 20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 207 en vervolgens Licht und Recht, deel XII, blz. 55).
Waar de zaak in de practijk des levens zoo staat, daar gaat het om een heilig moeten van het geloof, van het vasthouden aan 't Woord, het gaat om de geloofsmoed. „Ik zeg, dat wij geloofsmoed noodig hebben, om den Zoon te beschouwen. Bij. geloofsmoed behoort iets, dat altijd bij moed behoort, dat is een diep gevoel van verlorenheid en een snel besluit, om juist het middel te grijpen, dat op dit oogenblik mij alleen kan helpen. Wie derhalve een diep gevoel ervan heeft, dat de wet zijn eeuwige geldigheid handhaaft, dat zij door ons niet mag worden geschonden, ja dat zij, omdat zij geestelijk is, ook geestelijk oordeelt, die heeft een diep gevoel van zijn verlorenheid. Zoo iemand kan niet vragen, of hij gelooven mag, of hij gelooven kan, hij moet ; want hij voelt zich geheel en al verloren. Daarom grijpt hij ook het eenige middel, dat hem op zulk een oogenblik van angst en nood kan redden : hij neemt zijn toevlucht tot een verlosser. Dat noem ik geloofsmoed". (Licht und Recht, deel XII, blz. 96 en vervolgens).
„Maar wat spreekt gij toch van vasthouden, zal menigeen denken, dat kunnen wij juist niet. Ik zeg, zooals de apostel schrijft : Laat ons vasthouden (Hebr. 10 vs. 19—24). Wij behoeven het niet te kunnen, wij mogen, wij willen, wij moeten. Want het is hier het een of het ander". (Licht und Recht, deel V, badz. 44).
„De Geest werkt een moeten, zoodat men zich wel in de zee van de open, vrije genade van Christus moet begeven. Want men kan niet meer terug, ook niet links of rechts afslaan, .men moet voorwaarts. En, o, hoe merkwaardig, de wateren, van welke men dacht, dat zij gereed waren ons te verslinden, worden tot muren en borstweringen. En hoe heerlijk komt men droogvoets er door, met den Heere als voor-en als achterhoede". (Licht und Recht, deel II, blz. 73, vergelijk Licht und Recht, deel X, blz. 90).
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's