KERKELIJKE RONDSCHOUW
WAT IS DE KERK?
Om een antwoord te krijgen op de vraag : Wat is de Kerk ? willen we even teruggaan naar het Paradijs. Wat heeft God, de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, daar gedaan ten opzichte van den mensch ?
Laten we de dingen hier niet zwaarder en ingewikkelder maken dan ze zijn (de menschen hooren zoo gaarne zichzelf praten, inplaats dat ze eenvoudig stil luisteren naar Gods Woord, dat zoo kinderlijk eenvoudig is, voor degenen, die den Heere vreezen) — en dan krijgen we als het Schriftuurlijk antwoord : „God heeft ons geschapen, opdat wij Hem recht zouden kennen. Hem zouden liefhebben en dienen en tot Zijn eer leven".
Dat zegt Oud-en Nieuw Testament — Schrift moet met Schrift worden vergeleken — en dat zegt b.v. óók onze Ned. Geloofsbelijdenis, net zoo goed als onze Heidelb. Catechismus, gelijk we dat óók lezen in de Vijf Leerregels van Dordt : de Drie Formulieren van Eenigheid.
De Heere heeft dus den mensch geschapen om Hem recht te kennen, Hem van harte lief te hebben en in den weg Zijner geboden te wandelen, doende Zijn heiligen wil.
Dat is door de zonde stuk geslagen.
Maar dat vinden we nu in de Kerk, de Gemeente van Christus, het Huis Gods, weer terug !
Allen, die hun zaligheid in Christus mogen kennen, gekocht door Zijn dierbaar bloed en verlost uit de heerschappij des duivels, mogen, weten, dat de Heilige Geest ons aan Christus, onzen Heere verbindt, om gewillig gemaakt door den Geest, tot Zijn dienst bereid te zijn. Dan. is Gods Woord ons een lamp voor den voet en een licht op ons pad. Dan zijn de Sacramenten ons teekenen en zegelen van Gods genade. Dan willen we verkondigers zijn van het heilig Evangelie. Dan willen we overal uitgaan, om Zijn Naam te belijden en van Zijn geboden te getuigen. Dan willen we alles oproepen tot Zijn dienst. Dan gaan we in de stegen en in de straten met de verkondiging van het heilig en heerlijk Evangelie. Dan bouwen we scholen met den Bijbel. Dan zoeken we Gods Kerk op te bouwen en Gods Koninkrijk uit te breiden. Dan vragen we, hoe we, naar Gods Woord, in Gods huis moeten verkeeren. Dan eeren we de ambten en de diensten door Christus in en voor Zijn Kerk ingesteld. Dan zoeken we de vergaderingen, die, naar de ordening des Woords, voor Christus' Kerk op aarde bestemd zijn. Dan waken we tegen leugen en dwaling, om het Huis des Heeren te bewaren voor afval. Dan geven we ook acht op elkander, tot opscherping der liefde en der goede werken (Hebr. 10 vs. 24). Dan gaan we tot Jood en Heiden en Mohammedaan, om tegen de valsche religies te getuigen met Gods Woord in de hand en te verkondigen den éénen Naam, die onder den hemel is gegeven, door welken wij moeten zalig worden : Jezus Christus, onzen Heere.
Wat is dus de Kerk ?
Zij is dan voor ons, met de verkiezing Gods als achtergrond, de heilige vergadering of gemeenschap van allen, die in eenigheid des waren geloofs van Jezus Christus, hun Heere en Zaligmaker, al hun heil verwachten, in leven en sterven. Het is de geloofsgemeensohap met Christus en de liefdesgemeenschap der heiligen. Het is het lichaam van Christus, waarvan Hij het hoofd is en wij de leden (1 Cor. 12 VS. 27 ; Efeze 5 vs. 23). Het is het Huis des Heeren, waar Zijn ordeningen en geboden autoriteit hebben en door de geloovigen worden bemind, gezangen zijnde in het land der vreemdelingschap. Het is de Gemeente Gods, waar de rechte bediening des Woords, met Wet en Evangelie, gevonden wordt ; de rechte en zuivere bediening der Sacramenten van Doop en Avondmaal, naar uitwijzen van en in gehoorzaamheid, aam Gods Woord ; waar het opzicht, het toezicht, en, waar noodig, de tucht en de straf gevonden wordt, in gehoorzaamheid aan Gods getuigenis ; waar de rechte belijdenis gevonden wordt en een godzalige wandel der leden. Waar gestaan wordt naar de éénheid in de openbaring van bet lichaam van Christus, dat één is in Zijn Hoofd (Joh. 17 vs. 21a ; Efeze 4 vs. 4—6), opdat ook de wereld wete, dat zij, die in Christus gelooven, één 'zijn en de gemeenschap der heiligen oefenen. Waar gestreden wordt, omdat in deze zondige wereld de duivel nooit aflaat va nde Kerk, maar waar het uitzicht leeft op de uiteindelijke triomf en de algeheele overwinning, die eeuwig duren zal, in Jezus Christus, onzen Heere.
Dan is de Kerk des Heeren het lichaam van Christus, waar de verbondsbelofte klinkt van geslacht tot geslacht : „Ik wil u tot een God zijn, en een God van uw zaad", of, zooals Petrus getuigde, na de uitstorting van den Heiligen Geest : „Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen, die daar verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God toe roepen zal" (Hand. 2 vs. 39).
Ook onze kinderen zijn in het Verbond begrepen en hun komt de belofte des Evangelies toe, opdat zij in geloof en liefde en gehoorzaamheid zullen wandelen, in het midden des volks, als een geslacht, dat niet God den rug toekeert, maar Hem vreest en dient. (Psalm 78).
Waarvan, de keerzijde is, dat in verbonds-gehoorzaamheid uitkomt, dat het niet allen Israël zijn, die uit Israël geboren worden. Dat niet allen, die geroepen en gedoopt zijn, zalig worden. Want de Kerk des Heeren, die zelve alle zaligheid verwacht van Christus en zoo gaarne zegt : „hier zijn wij, Heere, wij, en onze kinderen" — die Kerk weet het en predikt bet : „Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden — maar, die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden". (Marcus 16 vs. 16).
Zalig, die in den Zoon gelooven, ze hebben het eeuwige leven ! Maar wee degenen, die niet in den Zoon gelooven, doch Hem ongehoorzaam zijn — de toorn Gods blijft op hen.
Het zal Tyrus en Sidon in het oordeel verdragelijker zijn dan Bethsaïda en Jeruzalem.
Zalig, die dan in 't geloof Christus en al Zijne weldaden mogen omhelzen. Die aan het Avondmaal, het gedachtenismaal van het lijden en sterven van Christus, mogen aanzitten, waar Hij onze zielen wil spijzigen en laven ten eeuwigen leven. Waar we belijden, dat wij, als arme zondaren, onze geestelijke nooddruft zoeken hij den Heere Jezus, om Hem voortaan van harte lief te hebben en te dienen, verwachtend de wederkomst des Heeren, wanneer het einddoel van de schepping en de heerschappij in heerlijkheid zal bereikt zijn, tot grootmaking van den nooit volprezen Naam van Hem, uit Wien en door Wien, en tot Wien alle dingen zijn ; Wien zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.
KERKLEER EN DE BELIJDENISSCHRIFTEN
De bekende A. J. Wormser, vriend van Da Costa en van mr. Groen van Prinsterer, onder ons nog bekend door zijn mooie boekje over „De Kinderdoop", schreef in 1854 in „De Nederlander" een artikel over Kerkleer, waar aan we het volgende ontleenen :
„Kerkleer" is, volgens prof. Hofstede de Groot, in een Christelijke Kerk ongeoorloofd, in een Evangelische Kerk ondenkbaar en bestaat niet in de Nederlandsche Hervormde Kerk.
De Kerkelijk-vrijzinnigen verlangen, dat de Kerk vrijheid zal genieten en dat zij niet langer door de banden en kluisters eener gemeenschappelijke belijdenis bekneld zal worden ; — zij wenschen haar daarom van haar leer en belijdenis te ontheffen.
Evenwel zal er, ook wanneer haar leer en belijdenis ter zijde gesteld zou zijn, in de Kerk altoos geleerd en beleden worden ; doch natuurlijk alleen en uitsluitend door de leeraren en hoogleeraren.
De Kerk zelve moet dan zonder belijdenis zijn ; de leden der Kerk zonder zelfstandige, gevestigde overtuiging omtrent faun hoogste en eeuwige belangen — maar de leeraren mogen dan ieder voor zich, een eigen overtuiging hebben en deze overtuiging door prediking en onderwijs aan de leden trachten mede te deelen en in te prenten !
Men ziet, dat men dus feitelijk de gansche Kerk, wat hun geloof en belijdenis betreft, wil doen opgaan in de overtuigingen van lederen afzonderlijken predikant en de Gemeente wil overgeven, zonder eenig verweer, aan de individueele meeningen van de leeraars, die naar believen voordragen, wat zij willen.
Grooter afhankelijkheid en volstrekter verlies van vrijheid en zelfstandigheid is er voor de gemeenten niet denkbaar, dan dat zij haar eigen overtuiging en belijdenis, die zij als Kerk bezitten, moeten opgeven en ieder oogenblik zouden moeten gereed zijn, om de afwisselende en uiteenloopende gevoelens van haar leeraren als waarheid en als haar belijdenis te ontvangen ! Op die wijze zou ze een kerk verkrijgen, die zelf niet gelooft en zelf niet belijdt, maar die steeds eenige honderdtallen van predikanten in haar midden ziet optreden, om haar te verkondigen wat zij, als leeraars waarheid achten te zijn ; doch, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij het verkondigde wel als waarheid zal ontvangen en in zich opnemen, maar zonder dat zij dit ooit of te immer, als Kerk, als haar geloof en haar overtuiging zou mogen belijden. Want — geen Kerkleer !
De gemeente mag, ook dan wanneer zij baar tegenwoordige belijdenis loslaat, nimmer, ook zelfs niet door de prediking die thans (1854) tot haar gericht wordt, komen tot een gevestigde overtuiging, welke zich als gemeenschappelijke belijdenis openbaren zou. Want de Groninger leeraren (de Groningsche richting) wenschen zich de bevoegdheid voor te houden, om hetgeen zij heden als waarheid verkondigen, morgen als leugen te doen voorkomen en in dat geval is de Gemeente verplicht de leeraars opnieuw te volgen in haar overtuiging, hetgeen onmogelijk zou zijn, indien de Gemeente een eigen overtuiging en de Kerk een eigen belijdenis bezat of verkreeg.
Het opheffen van alle Kerkleer en Kerkelijke belijdenis heeft dus geen ander doel dan om alle vrijheid en zelfstandigheid aan de Kerk te ontnemen, en haar te brengen onder een geestelijk despotisme van haar leeraren.
Het is niets dan onwaarheid en misleiding, wanneer men beweert, dat de voorstanders van de Kerkleer de leeraars zouden wenschen te dwingen om de grondbeginselen van het Christendom in bepaalde vormen en spreekwijzen voor te dragen.
Integendeel. Wanneer er een frissche en vrije verkondiging is van de grondbeginselen van het Christendom — en dat moet toch het geval zijn — zou er weinig worden gedacht aan de Formulieren. Maar omdat de meeste leeraren nu die grondbeginselen van het Christendom, onder de leus van te ijveren voor de vrijheid der Kerk, verzaken, moet hun de belijdenis der Kerk worden voorgehouden, om hun de onchristelijkheid van hun handelwijze en het onrecht, dat zij der Kerk, die sinds lang tot zelfbewustheid inzake de christelijke waarheid gekomen is, aandoen, te doen beseffen".
Van De Belijdenisschriften zegt Wormser dan verder : „De Formulieren van Eenigheid der Hervormde Kerk, ofschoon het werk der menschen, zijn wonderlijke opstellen. Bijkans algemeen gehaat, kan niemand ze wèg krijgen. Ofschoon sedert bijna drie eeuwen de wettige Belijdenis der Kerk, en zelfs bij de Reglementen als zoodanig erkend en gehandhaafd, bevlijtigt bijkans iedereen zioh om er op te schelden en te smalen. Liberale protestanten reiken aan de Roomschgezinden de hand, en gaan met dezen ten reie of de graven der vaderen te dansen ; met hen te klagen over de doodslucht, welke de belijdenis der Reformatoren verspreidt ; over de vermolmde dogmatiek, die zij bevat ; en schilderen de Formulieren af als banden en kluisters, die hen met afgrijzen vervullen.
Welnu, werpt ze weg, zoo gij kunt. Maar indien gij begint met weg te werpen, waar zult gij eindigen ? Eerst gaat dan de Belijdenis ; dan volgt de liturgie, dan het lied, de sacramenten incluis. Maar de Gemeente belijdt in alles ; in proza en poëzie. En de Gemeente kan niet zonder belijden, kan niet zonder gemeenschappelijk belijden.
Formulieren, Belijdenisschriften, het bezit eener belijdenis, is voor een Kerk geheel en al een zaak van goede trouw. Niemand kan haar een Belijdenis opleggen, maar zij kan en wil haar Belijdenis uitspreken. En zoolang er in een Kerk tusschen leeraars en leden goede trouw bestaat, hebben Formulieren van Eenigheid niets, dat naar hardheid, strengheid, bekrompenheid of kleingeestigheid gelijkt. Want de Formulieren van Eenigheid zijn nooit opgesteld of ingevoerd om het denken of het spreken der Kerk te formuleeren en aan vormen te binden ; zij zijn slechts de constateering der hoofdwaarheden, omtrent welke die bepaalde Kerkgemeenschap in den loop harer geschiedenis en onder den drang van bestrijding en vervolging, tot duidelijkheid en bewustheid gekomen is. Daardoor vervallen, zoolang de goede trouw in de Kerk blijft bestaan, alle enghartige kwesties over tittel en jota.
Het is een bewijs van doodelijke lauwheid en onverschilligheid, dat zoovelen, die zich zoo gaarne den schijn laten aanleunen van lieve en bezadigde, humane en verdraagzame christenen te zijn, zich altoos bereid toonen partij te kiezen tegen onze voorgewende bekrompenheid en formulier-rechtzinnigheid, maar nimmer eenig bewijs geven dat ook de hoogststaande aanvallen op het christendom hun eenigszins ter harte gaat of een smartelijke aandoening veroorzaken.
Gedachten van Wormser : door J. F. van Haselen. Libellenserie No. 254. Uitgave Bosch en Keuning, Baarn. Blz. 29—BI. 74
HET REORGANISATIE-ONTWERP AANGENOMEN.
Woensdag 12, Donderdag 13 en Vrijdag 14 Januari is de Algemeene Synode der Ned. Hervormde Kerk in buitengewone zitting bijeen geweest ter behandeling van het Reorganisatie-Ontwerp. Met groote belangstelling is deze vergadering van de Synode gevolgd. Gewoonlijk kan de Synode daarin zich niet verblijden, dat door gansch het land oog en oor en hart zich tot haar keert, om acht te geven op wat daar in Den Haag, Javastraat 100, besproken, verhandeld en besloten wordt. Het is dikwijls ook „klein goed"; en de Synode staat veelszins buiten de Kerk, als een Bestuurslichaam, waaraan men overigens niet veel aandacht schenkt. Maar nu was het anders. Er zijn er wel, die 'net doen, alsof deze kwestie van de reorganisatie der Hervormde Kerk de aandacht niet heeft, maar dan doet men maar „alsof" het zoo zou zijn. Want in werkelijkheid zijn er velen, die nu zoo graag willen meeleven. Alleen vele dominees trekken er zich niet zoo heel veel van aan en laten de gemeente er ook maar liever buiten. Men sukkelt toch wel voort met een vroolijk wijsje. En 't zal onze tijd wel uitdienen, — denkt men. 't Is ook nog zoo kwaad niet
Velen hebben naar de courant gegrepen. Velen hebben met belangstelling de gang van zaken gevolgd. Er is ook voor gebeden. Of is het de moeite niet waard voor de Kerk, voor de Ned. Hervormde Kerk te bidden ? Voor de Kerk van Christus in dezen lande, zooals deze zich in de Hervormde Kerk openbaart ?
Onder leiding van dr. P. Smit, Ned. Herv. pred. te Hemmen, in de Betuwe, heeft de Synode vergaderd. Vroeger was dat onder leiding van den ouden pastor uit Veere, nu uit Hemmen, een plaatsje in de Betuwe, waar de Hervormde Kerk bestaat uit 84 leden. Het openingswoord, dat tot inleiding van de gewichtige bespreking moest dienen, ging „over de schuldvraag". De bejaarde Praeses, die de 65 al gepasseerd is en oorspronkelijk als predikant bij de Waalsche Kerk is opgeleid, had zich op z'n studeerkamer ingedacht, dat over vijftig of zestig jaar een man zich zou zetten, om de historie van de Ned. Hervormde Kerk te beschrijven en die dan ook z'n aandacht zou wijden aan de reorganisatie-beweging in de 19de en 20ste eeuw ; en dat hij dan ernstig zou stellen de vraag : waar de schuld ? wie de schuldige ? De Synode ? Neen, dat zal een goed historicus niet doen !
En toen kregen we het verslag van de Commissie van vier, door de Synode in Juli '37 aangewezen, om de bespreking in deze buitengewone vergadering van Januari '38 voor te bereiden. De vier heeren waren : dr. W. H. Weeda te Oosterland (classis Zierikzee), ds. J. Boonstrat te Gieten (classis Assen), Ingenieur P. Wolffensperger, ouderling te Zwolle en ds. T. G. van Reeuwijk te Amsterdam.
Drie van de 4 leden verklaarden zich tegen het Ontwerp : omdat er strijd door zou ontstaan in de Kerk en omdat alles zoo duur zou worden. „Daarom meenen deze leden aan de Vergadering te moeten voorstellen, het Ontwerp af te wijzen en het niet aan het oordeel der Kerk te onderwerpen". (De heer Wolffensperger is daarvan teruggekomen). De prullenmand sprong al op van vreugd
Ds. Van Reeuwijk dacht er anders over en hield een vurig pleidooi, om te betoogen, dat het Ontwerp wèl aan de Kerk moest worden voorgelegd en noemde als hoofdlijnen van het Voorstel : eerherstel der ambten, herplaatsing der belijdenis in het middelpunt van het kerkelijk leven ; vervulling der Zendingstaak ; herstel eener Schriftuurlijke tuchtoefening.
Hiermee was de eerste zitting (Woensdag 12 Jan.) beëindigd en ging men uit elkaar tot Donderdag.
De twee kerkelijke hoogleer aren, prof. Semmelink, pas in Groningen opgetreden in de plaats van wijlen prof. Van Veldhuizen, en prof. Berkelbach v. d. Sprenkel, van utrecht, kwamen als adviseerende leden (zonder stemrecht zijnde) allereerst Donderdag aan het woord. Als nieuweling voelt prof. Semmelink zich wat bezwaard om aanstonds in zoo'n belangrijke zaak advies te geven. Hij gaat de pogingen na, die de laatste 100, 120 jaar gedaan zijn om in de Kerk tot verandering en tot reorganisatie te komen ; geeft een uitvoerig overzicht Van het Ontwerp van Kerkherstel (1929) — waarmee wel zal bedoeld zijn het Ontwerp van de Commissie, door de Synode benoemd — van Kerkopbouw (1934) èn van het huidige Ontwerp. Hij zegt, dat prof. Brouwer bezwaren heeft geopperd en amendementen heeft voorgesteld ; dat ds. D. Boer, de secretaris van den Predikantenbond, tal van reglementaire fouten heeft aangewezen, en komt aarzelend in eerste instantie tot de conclusie : 'laat de Synode het Ontwerp terug sturen en laat men dan dezen zomer terugkomen, als 't kan met een Voorstel van bescheidener omvang. „Beter wat later en goed, dan dadelijk deze onrijpe vrucht".
Prof. Berkelbach van der Sprenkel zegt dat het Voorstel, waaraan door vele bekwame mannen van allerlei richting gearbeid is, te ernstig is, om op zij te worden gelegd. Zijn oordeel is, dat de verdiensten van dit Voorstel groot zijn. Wel zal er strijd moeten worden gevoerd — natuurlijk — maar dan kan de strijd in de Kerk worden gestreden. Hij adviseert het Ontwerp voorloopig aan te nemen en het door te zenden naar de Classicale Vergaderingen, opdat de Kerk zelve zal kunnen oordeelen. Dit adviseert hij niet uit beleefdheid, maar omdat het niet aangaat, dat de Synode met den rag naar de Kerk voortgaat. Dit Ontwerp klopt op de deur en roept, dat de Kerk niet dood is. Het is een knap stuk werk, natuurlijk met gebreken, maar het verdient niet om zoo maar afgewezen te worden. Het argument „het wordt te duur" geldt hier niet, waar het gaat om het leven en de openbaring der Kerk. Er wordt veel te weinig geofferd voor dit doel. Nu het accoord dit Ontwerp te voorschijn riep, moet er acht op gegeven worden. Deze dingen moeten in de Kerk aan de orde worden gesteld. Laat de Synode niet regeeren, met den rug naar de Kerk staande.
Ds. Bokma, van Schiedam, de vice-president, een eerwaarde grijsaard, die reeds in 1863 het levenslicht zag en dus 75 jaar oud is, vindt het niet zoo makkelijk om zijn stem te bepalen. Opgevoed bij de gedachte der noodzakelijkheid van reorganisatie, is zijn overtuiging, dat Gods Geest de restauratie moet werken. En hij is bevreesd bij dit Ontwerp. Hij is geneigd om nog geen conclusie te nemen en voelt er het meest voor dit Ontwerp terug te sturen en nog eens degelijk te overleggen, om het bij vernieuwing bij de Synode in te dienen.
Ds. Barbas, van Hengelo, spreekt anders. Zeker moeten we vragen om de werking des Heiligen Geestes, maar dan mogen we dit werk niet verijdelen. Hij vertrouwt dat de Kerk deze zaak nu verder ernstig zal behandelen, daarom adviseert hij dit Ontwerp voorloopig aan te nemen en het, zoo noodig, in een tweede buitengewone Synode te behandelen.
Ds. L. Boer, van Scheveningen, zegt, dat de Kerk geboeid is en dat in de boeien een zegen ligt. „In den toorn gedenkt Hij des ontfermens". Het Woord moet het doen. Hij zegt, dat we ons moeten verootmoedigen. God moet het doen. Dit is zijn bede. Met groote droefheid moet hij afwijzend staan.
Onderling Van den Bosch, van Amsterdam, ouderling Hondius, van Middelburg, en oudouderling Ter Stal, van Veenendaal, verklaren zich er voor om de Kerk in deze te hulp te komen en het Ontwerp aan de Kerk ter behandeling voor te leggen. De Kerk moet komen tot een nieuwe organisatie en moet weer belijdende Kerk worden.
Ds. de Bruijn, van Driebergen, is teleurgesteld door het rapport der meerderheid van de Commissie tot voorbereiding en is van gevoelen, dat de zwijgende Kerk een belijdende Kerk moet worden. Nu is de belijdenis in een safe opgeborgen en spreekt bij geen enkele gelegenheid, zooals de Kerk van Christus moet getuigen. Hij vindt het jammer, dat de afvaardiging naar de Synode niet door de Classicale Vergaderingen zal geschieden. Maar hij oordeelt, dat het Ontwerp aan de Kerk moet worden voorgelegd eri dat de Kerk niet als een onmondige mag worden behandeld.
Ds. Van Zwet, van Almelo, en ds. W. J. Addink, van Heeze (N.-Br.), betoogen, dat het Ontwerp de Kerk helpen kan en dat de Synode dit voorloopig moet aannemen. De Kerk zegge haar meening over deze ingrijpende veranderingen.
Ir. Wolffensperger, ouderling te Zwolle, wil de woorden van art. 8 al. 5 : „de zorg voor hare 'belijdenis door hervorming en handhaving", veranderd zien. Het moet bij de Kerk gaan om de zorg voor haar belijdenis. Hij wijst op de voorstellen van prof. Brouwer.
Ouderling Oosterhoff, van Leeuwarden, en ouderling Bolt, mannen van vrijzinnige richting, verklaren zich tegen, gelijk ook de vrijz. ds. Winkel, van Heerenveen-verband. De omschrijving van de belijdenis zal een bron van onrust, verwarring en verdeeldheid brengen. Ook de Waalsche predikant van Middelburg, ds. Blommaert, verklaart zich tegen.
Ds. Van Reeuwijk pleit nog eens voor het Ontwerp, zeggende : de reorganisatie vraagt een offer, geloof en vertrouwen. Het is noodzakelijk, dat onze Kerk naar haar aard kan spreken en handelen. De oogen zijn op ons gericht, laten wij onze verantwoordelijkheid beseffen".
Ook prof. Berkelbach en de secretaris, ds. den Breems, spreken voor aanneming. Prof. B. adviseert, na overleg met prof. Scholten (Kerkopbouw) en prof. Haitjema (Kerkherstel) art. 8 al. 5, waar nu sprake is van „hervorming en handhaving der belijdenis", aldus te lezen, dat het wordt : „de zorg voor haar belijden, opdat het geloof der Kerk in haar verkondiging en in haar symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverder tot uit drukking kome".
Besloten wordt met 11 tegen 8 stemmen, dat de Synode nu niet aan amendementen moet beginnen, maar het Ontwerp nu ongewijzigd moet laten en zóó voor of tegen stemmen.
Alsdan wordt het Ontwerp in z'n geheel voorloopig aangenomen met 10 tegen 9 stemmen, om nu aan de consideratiën der Kerk te worden onderworpen.
Vóór stemden : de vice-President ds. Bokma, ds. Barbas, ds. Van Reeuwijk, ds. De Bruijn, ds. Van Zwet, ds. Addink, ouderling V. d. Bosch, ouderling Hondius, oud-ouderling Ter Stal en ouderling Wolffensperger (die aanvankelijk als lid van de Commissie van voorbereiding tegen was, maar bij de besprekingen zich voor verklaard heeft).
Tegen stemden : de president dr. P. Smit, ds. Boer, ds. Weeda en de vrijzinnige leden : ouderling Oosterhoff, oud-ouderling Bolt, ds. Winkel, ds. Brucherus Cleveringa, ds. Boonstra en de Waalsche pred. ds. Blommaert.
De Handelingen der buitengewone Synode zullen afzonderlijk worden gedrukt en verkrijgbaar gesteld, evenals met het reorganisatie-rapport geschied is.
Het woord is nu aan de Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's