STAAT EN MAATSCHAPPIJ
ONDERWIJSWENSCHEN
Het onderwijs in Nederland kost jaarlijks aan de schatkist handen vol geld. Voor het loopende jaar worden deze kosten der onderwijs-begrooting geraamd op een bedrag van niet minder dan 142 millioen gulden, d.i. meer dan 20 pet. van het totaal van de raming van alle rijksuitgaven.
En toch blijven de klachten nog aanhouden, dat voor het onderwijs niet genoeg wordt gedaan en er niet voldoende gelden worden beschikbaar gesteld, ten einde het onderwijs op het peil te brengen, waarop, naar gemeend wordt, de volksontwikkeling behoort te staan.
Wij wezen , reeds de vorige week op den aandrang, welke uit onderwijskringen op de Regeering wordt uitgeoefend om de leerlingenschaal bij het Lager Onderwijs te wijzigen (met het terugbrengen van de tegenwoordige schaal naar de vroegere zou 8 millioen gemoeid zijn). Voorts zou men willen voorzien in den noodtoestand, waarin de duizenden werklooze jonge onderwijzers verkeeren.
Doch met deze desideratie (wenschen) is men er nog niet en zijn de onderwijsmoeilijkheden nog niet uit den weg geruimd.
Zou er geld beschikbaar komen, dan zou toch niet alleen op het Lager Onderwijs te letten zijn, maar eveneens h. v. op het Middelbaar Onderwijs, bij welken tak van onderwijs de grief is, dat de leeraren ten gevolge van de zeer groote klassen overbelast zijn en ook zou niet voor het minst aan het Buiten gewoon Lager Onderwijs en wel met name aan het onderwijs aan schipperskinderen, moeten worden gedacht.
De toestand bij dat onderwijs is op het oogenblik zóó, dat van de ruim 13.000 schipperskindereni op leerplichtigen leeftijd, maar 28 % regelmatig onderwijs ontvangt, 48 % af en toe ter school komt, althans indien het stilliggen van het schip daartoe de gelegenheid geeft, terwijl de rest, 29 %, in 't geheel geen onderwijs ontvangt, dus op tateren leeftijd analphabeten zijn, d.w.z. noch lezen, noch schrijven kunnen.
Het gevolg van deze gebrekkige schoolopleiding, welke het schipperskind ten deel valt, maakt de schippersjeugd ongeschikt om aan den wal het brood te verdienen, zoodat die jeugd daardoor gedwongen wordt op 't schip te blijven. En het is juist de voortzetting van het bedrijf, die de saneering van de binnenscheepvaart, welke door zijn .te grooten omvang in een noodtoestand verkeert, bemoeilijkt.
Doch, afgezien van deze saneering, blijft het toch ook onrechtvaardig, dat wèl alle kinderen aan den wal goed onderwijs kunnen genieten en zich voor hun toekomst kunnen bekwamen, terwijl duizenden schipperskinderen zonder onderwijs rondloopen en over welke kinderen zich niemand bekommert.
De ouders en de schoolfondsen roepen wel om onderwijs voor de kinderen, doch zij krijgen geen gehoor.
Er is geen geld.
Het zou daarom billijk zijn, dat het geld, dat voor het Lager Onderwijs beschikbaar is, zoo werd gedistribueerd, dat het aan alle kinderen, dus ook aan de schipperskinderen, ten goede kwam. Geen bevoorrechting alzoo van het eene deel der schoolbevolking boven het andere ; want dat is onrecht.
Ten gevolge van de slechte bedrijfsuitkomsten bij de scheepvaart is een steeds toenemend aantal binnenschippers, dat varende is, voor het onderwijs aan hun kinderen op den financieelen steun van de schoolfondsen aangewezen.
Een en ander heeft tot gevolg, dat het schipperskind zich niet alleen geestelijk maar ook stoffelijk in een nadeelige positie bevindt. En met de schipperskinderen staan ook andere misdeelde kinderen als blinden, doofstommen, hardhoorenden, enz. op één lijn.
Daarom dient, zoo spoedig geld beschikbaar is, het eerst aan het onderwijs van deze kinderen gedacht te worden.
Zeker er behoort, zooals wij de vorige week zagen, iets gedaan te worden om de leerlingenschaal bij het Lager Onderwijs te verbeteren en ook dient aan de werklooze jonge onderwijzers gedacht te worden. Doch de Regeering hoede zich voor eenzijdige belangstelling.
Zoo zijn de nooden bij het onderwijs nog vele.
In verband daarmede zal de vraag aan de orde moeten blijven, of niet op goedkoopere wijze meer rendement (winst) op het gebied van het onderwijs is te verkrijgen.
Het zal op den duur niet mogelijk zijn anderhalf honderd millioen voor het onderwijs beschikbaar te stellen.
BEZUINIGING NOODZAKELIJK
Hierboven schreven wij, dat op den duur geen anderhalf millioen gulden voor het onderwijs zullen kunnen worden beschikbaar gesteld. Wij merkten dit op in verband met den toestand van 's lands financiën, welke nog altijd zorgelijk is.
Zooals bekend is, is het tekort op de uitgaven voor het loopende jaar geraamd op 84 millioen gulden en dat om dit tekort slechts voor een gedeelte te kunnen wegwerken, de belastingen voor 1938 ruim 60 millioen hooger werden geraamd dan voor 1937 en de middelen eveneens ruim 50 millioen meer. Het is echter de groote vraag, of deze hoogere bedragen in 1938 zullen worden gehaald.
Daarbij komt dan nog, dat tal van vaststaande financieele verplichtingen verschoven moesten worden naar de toekomst, wat tengevolge heeft dat er een gat is ontstaan van zeker ƒ 200 millioen. Voegt men dit bedrag bij de inteering, welke in de laatste jaren heeft plaats gehad tot een bedrag van 750 a 800 millioen, dan komt daaruit vast te staan, dat met een economische toestand, welke nog altijd hoogst onzeker is, de schuld van den Staat met een milliard is verhoogd.
Daarom is het een eisch van noodzakelijkheid, dat op de rijksuitgaven wordt bezuinigd en niet voor het minst ook op die van het onderwijs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's