De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

PARLEMENT NAAST PARLEMENT ?
't Gaat niet over de politiek, 't Gaat over 't geen op 't oogenblik in onze Hervormde Kerk gebeurt. Althans ais we het goed zien. We willen voorzichtig zijn. Omdat we niet' alles precies weten. Maar zwijgen willen we toch niet, omdat we „aanvoelen" dat er iets op komst is, dat we ten zeerste zouden betreuren.
Zoo nu en dan „gebeurt er iets" met een dominé. En dan niet een „vallen" in de zonde, maar een „leven" in de zonde. Vele jaren geleden was dit zoo, een paar jaar geleden weer, verleden jaar ook, en nu weer met een paar dominees. En dan gebeurt het wel, dat een Kerkbestuur, waarin de dominees altijd nogal sterk vertegenwoordigd zijn, den dominé willen „sparen", althans zooveel mogelijk. En wanneer dat niet ten schade van de Gemeente gebeuren kan, zoodat niet de Gemeente er mee „opgescheept" zit en blijft zitten, kunnen we dat begrijpen en willen we dat billijken. We hebben zelf daaraan ook wel eens meegewerkt. En we hebben er nooit spijt van gehad. Maar dan moét de dominé in kwestie willen meewerken, om de zaak zoo goed mogelijk te kunnen brengen tot een niet al te ellendig einde. Men moet rechtvaardig blijven, wat met ons christelijk beginsel volstrekt niet in strijd is ; integendeel ; knoeien en onrecht doen is onchristelijk. Zonde moet zonde genoemd worden ; recht is recht en moet recht blijven. Dat is in de onderwijzerswereld zoo ; dat is met kantoorpersoneel zoo; dat is bij de politie zoo. Men mag geeii „klasse-justitie" in 't leven roepen in de Kerk.
Nu is men op 't oogenblik nogal druk aan 't schrijven over een „dansende dominé". En men wil dat lachend 'en schertsend blijkbaar terug brengen tot een onbeduidende kleinigheid. Wat het niet is. De Kerk heeft zich daarmee bemoeid. Maar — en dat trekt voor 't oogenblik onze aandacht — nu komt de Bond van Predikanten en schuift zich er tusschen en wil voor „gevallen" dominees een weg zoeken, dat hij „invaliditéits-pensioen" kan krijgen en in het Orgaan wordt er voor gepleit, dat de dominees samen de onkosten maar moeten gaan dragen, om „collega's, die „in hun ambt zich komen te ontvallen of vastloopen, met hun gezin te onderhouden. Zoo'n dominé moet dan niet kerkelijk gestraft worden, moet maar ziekteverlof krijgen, moet maar nu ja, straks in de gemeente terug keeren en moet maar blijven waar hij is en ieder moet maar zwijgen.
Intusschen moet een nieuwe weg gemaakt worden voor een soort „invaliditeitspensioen" voor „gevallen" dominees.
Zoo schuift zich — als we ons niet vergissen — de Bond van Predikanten; of het Orgaan van dien Bond of de Secretaris van dien Bond (wie is het nu eigenlijk ? ) tusschen de kerkelijke colleges en zal de leiding gaan nemen.
De dominees kunnen zich dan aan dat Bureau aanmelden om rechtskundig advies, om zoo, in strijd met de kerkelijke wetgeving, van straf vrij te komen en met of na „ziekteverlof" terugkeeren in de Gemeente, waarbij de gemeente eenvoudig buiten alle rechten gezet wordt.
Er is alleen maar een dominé, men denkt, waaraan men denkt.
De Kerk bestaat niet meer.
De Gemeente telt niet mee.
En lachend schertst een van onze grootste dagbladen telkens maar wat en schrijft maar heel vroolijk over een „dansende dominé''.
Moeten we dien weg op ?
„Parlement naast Parlement", zouden we niet dulden. De Kerk moet niet onder curateele komen van den Bond van Predikanten.
Mocht er eventuueel geen „schijn of schaduw" van dit „gevaar" aanwezig zijn — des te beter. Na het geschrijf in de N. Rott. Ct. vonden we het toch wel goed om er even over te praten. Bestaat het gevaar niet, best ! Maar als het onverhoopt wél bestaat, dan hopen we, dat we voor dergelijk „knoeiwerk" bewaard zullen blijven ; en dat men allerwege mee zal protesteeren. En als de dominees dan niet willen meewerken in deze, dat dan de Kerkeraden of (en) de Kerkvoogden hun stem zullen verheffen. Of een stem uit de Gemeente.
Goed is goed, maar men moet het niet te bar maken, met een vriendelijk lachje.

DE AMBTEN IN DE KERK
Er is niet alleen de onzichtbare Kerk, hoewel die bijzonderlijk het eigendom des Heeren is, het lichaam van Christus, Hem van den Vader gegeven en door Hem gekocht, niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed. Die onzichtbare Kerk is alleen bij den Heere bekend en bestaat uitsluitend en alleen uit geloovigen ; het zijn de uitverkorenen Gods, de Levende steenen van het Godsgebouw ; de levende leden van het lichaam van Christus, waarvan Hij het Hoofd is.
Maar er is niet alléén de onzichtbare Kerk, dat geestelijk lichaam van enkel geloovigen. Naar den eisch des Heeren en naar uitwijzen van Gods Woord moet en zal er ook zijn de zichtbare Kerk. Dat is naar Gods Woord. En we lezen dan ook overal in Gods Getuigenis van zichtbare Gemeenten te Corinthe, te Filippi, te Rome, enz. enz. Op iedere plaats moeten de geloovigen zich als Kerk des Heeren openbaren, en dan naar bepaalde regelen, rondom het Woord, met de belijdenis der Waarheid en met de ambten, die door Christus zijn ingesteld en waarvoor de Heere Zelf heeft gezorgd dat ze er zouden komen en dat ze zouden blijven. Eerst de eerste, grondleggende en veelszins buitengewone en niet-blijvende ambten als Apostelen en Profeten. Daarvoor behoeven de dienstknechten des Heeren als Titus en Paulus ook niet te zorgen, dat ze gekozen zullen worden, zooals we van de andere en blijvende ambten als ouderlingen en opzieners wèl lezen. Voor buiten­ gewone ambtsdragers zorgde de Heere Zelf, en daarna verdwenen ze. De vereischten voor zulke ambtsdragers worden ook niet aan de menschen, die verder voor de ambten moeten zorg dragen, opgenoemd ; dat was overbodig, want de Heere Zelf zorgde er voor in den tijd, dien Hij daarvoor noodig achtte. Hij gaf ze Zelf. Efeze 4 vs. 11, 12 : „En Dezelve (n.l. Christus, Die in den hemel zit en alle dingen vervult, zie vers 10), heeft gegeven sommigen tot Apostelen, en sommigen tot Profeten, en sommigen tot Evangelisten, en sommigen tot Herders en Leeraars, tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams enz." Daarvoor heeft Christus Zelf gezorgd. En daarvoor hebben nu Paulus en Titus en de Apostelen verder geen zorg te dragen, want die tijd is voorbij met dat „éénmaal"-gebeuren door Christus' daad. Maar dan gaat het, naar luid van Gods Woord, heel duidelijk over in de gewone en blijvende ambten van herder en leeraar, ouderlingen of opzieners en diakenen. En daarvoor moet wèl gezorgd worden en daarvoor worden wèl de vereischten genoemd in de Schrift. Titus 1 vs. 5 : „Om die oorzaak" — schrijft Paulus, een dienstknecht Gods en een Apostel des Heeren (vers 1) — „heb ik u in Creta gelaten, opdat gij hetgeen dat nog ontbrak, voorts zoudt terechtbrengen" (aanvullen en voortzetten) „en dat gij van stad tot stad zoudt Ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb".
Van het éénmalige Apostolaat gaat het nu over op de blijvende ambten : herder en leeraar, ouderling en opziener, en diaken.
En dat is noodig, naar het woord van Paulus in Hand. 20 vs. 28 : „Zoo hebt dan acht op u zelve, en op de geheele kudde over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed". Hier spreekt de Apostel tot de Ouderlingen der Gemeente van Efeze, gelijk duidelijk blijkt uit het 17e vers van ditzelfde hoofdstuk.
Die ambten, die drieërlei zijn en als zwevende ambten ons bekend, zijn, zijn dus geen vindingen van menschen, maar zijn naar het Getuigenis en naar den eisch Gods, gelijk blijkt uit de Heilige Schrift : 1. Herder en Leeraar ; 2. Ouderling of Opziener ; 3. Diaken of armverzorger, naar de drie ambten van Christus : 1. Profeet ; 2. Koning ; 3. Priester. Prediking des Woords, regeering der Kerk, dienst der barmhartigheid. „Tot volmaking der heiligen, tot opbouw van het lichaam van Christus".

DE SCHOOL.
Ieder burger van elk beschaafd land is de meening toegedaan, dat de School een onontbeerlijk instituut is. We kunnen naast ons gezin en met het oog op de maatschappij, de School niet missen. Ook voor de Kerk niet. Kerk en School behooren steeds in één adem te worden genoemd. Gelijk we in Catechismus Zondag 38, bij de behandeling van het vierde gebod lezen : Het vierde gebod gebiedt „eerstelijk, dat de Kerkedienst, of het predikambt, en de Scholen onderhouden worden". Laat het dan waar zijn, dat daar gedacht wordt aan de opleiding van het predikambt, het is buiten twijfel, dat hier naast 't werk van de Kerk dn de prediking, ook aan de Scholen als opvoedings-en onderwijsinstituut gedacht wordt, gelijk op de Dordtsche Synode wel gebleken is.
Wat moest er, meer dan nu veelal geschiedt, des Zondags gedacht worden in de prediking en in den dienst der gebeden aan de Scholen ! Want dat laat nu nog al eens wat te wenschen over bij vele dienaren des Woords en der gebeden !
Een der eerste zaken, die leiders en regeeringen van de beschaafde volkeren — en tot moderne beschaving komende volken — dan ook ter hand nemen, is die van „de opvoeding en onderwijs der jeugd" en daarom : het stichten van Scholen en de verzorging van de geheel aparte Schoolwereld. De Zending is dan ook altijd evenzeer bedacht op het stichten van Scholen als van Kerken. Op het Zendingsterrein behoeft men niet extra te zeggen: de Kerk en de School moeten samengaan en kunnen elkaar niet missen ; daar voelt men het aan alles en ziet men het overal, dat, wat God heeft saamgevoegd, de mensch niet mag scheiden. In landen met reeds gevestigde cultuur trekt de School blijvende belangstelling van regeering en volksleiders en het is waarlijk niet alleen in ons Vaderland, dat de School de inzet is of wordt van een ernstige en religieuze strijd der partijen.
De School weerspiegelt, zij het dan ook in gebroken lijnen, het karakterbeeld der natie ; zij is, bij vrije volken, de weerklank van wat er leeft in het hart. Met evenveel recht als beweerd wordt, dat elk volk de regeering krijgt, die het verdient, mag gezegd worden, dat iedere natie de Kerk krijgt, maar ook de School krijgt, die ze waardig is.
Welke School men zichzelf waardig acht, d.w.z. voor zijn kinderen begeert, wordt bepaald door wat men zelf is of van harte wenscht te zijn. In een land, vrij van buitenlandsche overheersching, ook vrij van binnenlandsche tyrannie, zooals ons Vaderland onder Gods bestel en door Zijn goedertierenheid tot heden is, bepaalt het ideaal, dat men stelt aan eigen leven, het ideaal der School, die men begeert voor z'n kinderen.
Nu leeft men niet altijd even sterk in het bewustzijn en in de overtuiging, dat het karakter van de School voor de ouders en voor de kinderen, even groot — neen, grooter ! is — dan de hoeveelheid parate kennis, die een of ander onderwijs-instituut bij brengt.
Wie dit vergeet of veronachtzaamt, komt bedrogen uit. Kennis zonder zedelijke vorm, opleiding zonder geestelijke opvoeding (gesteld al dat ze mogelijk ware) is geoordeeld door de Schrift, die ons leert, dat de vreeze Gods het beginsel der ware wijsheid is en dat ieder, die alleen op het goed der wereld z'n betrouwen stelt, dwaas is en niet rijk in God, maar arm en ellendig is te noemen. Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart, waarbij alleen de Waarheid Gods tot wijsheid en zegening is — zegt de Schrift.
Daarom moeten we hebben onze Scholen met den Bijbel, overal.
Dat moet in de eerste plaats de ouders der kinderen ter harte gaan. Die moeten zich voor hun kind, voor de opvoeding van hun kind en voor het onderwijs van hun kind interesseeren. En die moeten vragen om Scholen, waar hun gedoopte kinderen ook als gedoopte kinderen behandeld worden en als gedoopte kinderen worden onderwezen, naar den Woorde Gods, met Jezus Christus, den Heiland en Zaligmaker, als middelpunt van alle opvoeding en onderwijs.
We moeten Scholen hebben, waar de onderwijzers staan in den dienst des Heeren en leven bij Zijn Woord. Die Bijbel is gezaghebbend voor alle onderwijs — want anders leven we naast den Bijbel, wat ook ons bezwaar is tegen de Openbare School, ook al komt er een uurtje in de week „vertellen uit den Bijbel" bij. We moeten niet hebben een School, die zich los van den Bijbel maakt en dan tegenover den Bijbel komt staan bij alle onderwijs — ook al is er dan een uurtje in de week, dat de Bijbel „er óók nog is".
En op onze Scholen met den Bijbel moeten onze kinderen dan onderwezen worden naar den eisch huns wegs, in gehoorzaamheid aan Gods Getuigenis, dat eeuwig zeker is.
Dan mogen we ook een zegen vragen en verwachten van dat onderwijs, dat in Nederland reeds zoo rijk gezegend is geworden.

DE SCHIPPERSSCHOOL IN DUISBURG.
Dr. G. Kalsbeek, directeur van de Kweekschool in Zetten, tevens inspecteur van de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs, bezocht in die laatste kwaliteit de Schippersschool te Duisburg — of liever het Schippersschool-schip. Hij vertelt er het volgende van in „Berichten en Bijdragen", orgaan van de Vereen, voor Chr. Nat. Schoolonderwijs (jaargang 15, aflev. 1, Jan. '38) :
„'k Ben in een school geweest, waar de grond onder de voeten wankelt. Dat is mij overkomen bij het bezoek aan de Schippersschool te Duisburg (Duitschland). De vorige maal, toen ik er als inspecteur van de Vereen. voor Chr. Nat. Schoolonderwijs kwam, waren de schipperskinderen gehuisvest in een gehuurd gebouw ; nu is alles zoo geheel anders geworden. Het schoolschip, in Nederland gebouwd, ligt gemeerd in een haven, waar ook de Nederlandsche Rijnaken een plaats hebben gevonden, of liever, in één van de vele havens. Geweldig zijn die uitgestrektheden water !
Het schoolschip heeft drie klassen, waarvan er, op het oogenblik van mijn bezoek, twee in gebruik waren. Men moet n.l. weten, dat de schoolbevolking uitermate „vlottend" is, en nu vooral weer, omdat de tijd van, lang stilliggen voorbij is, en de schippers telkens met een vracht, en met hun kinderen, wegvaren. Het hoofd der school, de heer Lutke Schiphol, liet mij dan ook zien, hoe de kinderen, zoodra het schip maar weer in een der havens is gearriveerd, dadelijk bij het in school komen, naar de kast gaan, om daar uit een reuze stapel cahiers hun eigen schriften op te zoeken, en verder te gaan op het punt, waar zij vóór de afvaart waren aangekomen. Van regelmatig klassikaal onderwijs in den gewonen zin van het woord, kan dus geen sprake zijn. Er is daarom des te meer reden tot dankbaarheid, als men moet constateeren, hoe goede vorderingen ondanks al de tegenwerkende factoren worden gemaakt. Het schrijven, dat in vele gevallen een gevoelige thermometer voor het onderwijs blijkt te zijn, is bij verscheidene leerlingen opvallend goed.
Terwijl wij daarover, en over andere schoolzaken in gesprek waren, kreeg ik ineens de sensatie van : nu wankelt de grond onder mijn voeten ! De kinderen slaan daar geen acht op, geen wonder : van de wieg tot het graf, om naar alle waarschijnlijkheid te spreken, kennen zij deze beweging, en zij zouden 't al heel vreemd vinden, als er juist geen beweging zat in de school. Toch een vreemd gevoel ! Naar het uiterlijk: alle omstandigheden die van een school, en nu dat zachte deinen ; een groote boot meert in de buurt, en doet de heele school met grondvesten en al uit het lood gaan !
Wat een prachtinstelling toch, die school voor schipperskinderen. Vroeger : overgelaten aan het lot, of zij al of niet iets zouden leeren ; moeilijke huiselijke omstandigheden, die voor een gelijkmatige godsdienstige opvoeding bijna slechts tegenwerkende factoren beteekenen ; en nu deze geregelde en deskundige verzorging. En of dit alles door de schippers ook op prijs wordt gesteld !
Bij het „uitvaren" van de school (een juistere benaming dan 't traditioneele . uitgaan !) kwam een tweede belangrijke figuur uit de sohoolwereld naar voren, de concierge, hier : de kapitein van de schoolmotorboot, die dagelijks de kinderen afhaalt en brengt.
Het is zeer de moeite waard, eens mede te gaan. De boot is een vlotte vaarder, gemakkelijk in de hand, en men zou zoo den indruk krijgen, dat er volstrekt geen kunst aan is, het slanke vaartuig tusschen de booten door te loodsen. Natuurlijk komt dat door de bekwaamheid van den handigen piloot. Af en toe meert de boot langs een Rijnschip van respectabele afmetingen, in de hoogte verschijnt een gezicht van moeder of het oudere zusje, de ladder met haken wordt vanaf de motorboot over de verschansing geslagen, en het kleintje klautert met hulp van onder en hulp van boven, veilig binnen boord. „Tot morgen", de peuter wuift, terwijl het schippershondje zich in vele bochten wringt en maar keft, als zijn aandeel in de uitingen van blijdschap, dat „alles wèl is aan boord".
Een ouderavond, die belegd was, was bijzonder goed bezocht".

HET RECHTS-MODERNISME EN DE BIJBELBESCHOUWING.
Prof. Heering, een man van rechts-moderne richting, heeft een Dogmatiek geschreven op den grondslag van Evangelie en Reformatie. Hij wil althans richtlijnen geven voor een dogmatiek. In het jaar 1918 schreef prof. Roessingh, inmiddels overleden, dat de rechtsmodernen stonden „op de basis der moderne Bijbelcritiek en historie-beschouwing". Dit houdt natuurlijk op het nauwst verband met het openbaringsprobleem. Dat zien we ook heel duidelijk in de Dogmatiek van prof. Heering. Reeds in het eerste deel van zijn Dogmatiek (nu is het tweede deel verschenen) had hij het telkens over „het Evangelie", maar het werd nog allerminst duidelijk, wat wij nu precies onder dat Evangelie hadden te verstaan. Dr. G. C. Berkouwer, die in het „Calvinistisch Weekblad" (14 Jan. '38) de Dogmatiek van prof. Heering bespreekt, zegt daar : „Het verwondert ons niet, dat we in dit tweede deel een bespreking vinden van de vraag naar de verhouding tusschen Bijbel en Evangelie".
Hier blijkt voor prof. Heering inderdaad een probleem te bestaan. Hij spreekt het namelijk openlijk uit, dat het „zuivere" Evangelie, dat is : de Openbaring, nergens voorhanden ligt, ook niet in de Bijbelsche geschriften. Weliswaar is de vorming van den bijbelschen N. T. Canon een prachtige greep geweest, waarin Gods leiding herkenbaar is, maar dat wil niet zeggen, dat de Bijbel als geheel een geïnspireerd boek is. Er staan b.v. in de brieven van Paulus uitspraken, waarin we noch het Evangelie, noch een zijner consequenties kunnen terugvinden. De Bijbel bevat teveel heterogene elementen, om ons als richtsnoer te kunnen dienen.
En toch brengt — aldus prof. Heering — de Schrift ons het Evangelie. We moeten het wagen imet ons geloofsoordeel. En dan zullen we zien, dat ondanks het subjectieve element het objectieve en verbindende element van het Evangelie voor het waarachtig Christelijk geloof verrassend groot is.
Daarom behoeven we — zoo vervolgt prof. Heering — de Bijbelcritiek ook in het geheel niet te vreezen. We zullen er het Evangelie niet door verliezen. Niet de Bijbelcritiek doet ons kwaad, maar de orthodoxe Bijbelopvatting maakt ten slotte de band aan het Evangelie los. Dat is de fout geweest van den tijd, na de Reformatie.
De Reformatie had het Woord Gods losgerukt uit de omklemming van het Roomsche leergezag. Maar wat gebeurde er toen ? Toen men zich losgemaakt had van de Roomsche wettelijkheid, ging men op den duur toch weer naar een andere vastheid-zoeken en stelde toen voor die Roomsche wettelijkheid van het kerkgezag een andere wettelijkheid in de plaats, n. 1. de wettelijkheid van het gezag eener onfeilbare Schrift.
Dat was fataal — aldus prof. Heering. Want zoo schoof het massieve boek, de Bijbel, zooals hij daar ligt, met zijn vele en diverse geschriften, met zijn honderden meeningen en mededeelingen van verschillenden aard, met zijn hoog en laag, met zijn heiligen en nietheiligen inhoud, zich in tusschen de waarheidsopenbaring Gods en het geloof van den mensch, met het droeve gevolg, dat men zoo het Evangelie kwijt raakte. God openbaart niet een hoek met zulk een veelsoortigen inhoud. God openbaart überhaubt geen boek. Dat is meer Mohammedaansch dan Christelijk gedacht. Prof. Heering deinst voor de meest krasse uitdrukkingen niet terug, om de verachtelijkheid dezer bijbelbeschouwing uit te drukken.
Hij zegt b.v., dat Paulus zich in zijn graf zou omkeeren, wanneer hij de openbaring, die hij van God in Jezus Christus had ontvangen, zou veranderd zien in een dik Boek, dat van Genesis 1 tot en met Openbaring 22 als „Gods eigen Woord" gold.
Prof. Heering ziet hierin het probleem voor de dogmatiek, hoe hij dan den grondslag moet vinden in het Evangelie. Prof. Heering acht het noodzakelijk, in ieder geval niet af te wijken van den modernen weg der „autonomie".
In die autonomie ligt de grensscheiding tusschen recht-en vrijzinnig.
Roomsch-Katholicisme en Orthodox Protestantisme staan aan de zijde der heteronomie. Het Modernisme kiest voor de autonomie. Want persoonlijk geloof beteekent autonoom geloof. Dit autonome geloof is geen willekeur, want het kan alleen bestaan door de inwerking van den Heiligen Geest, en daarin ligt door de aansluiting aan het Evangelie ongetwijfeld een gezagsmoment, maar van een uitwendig gezag kan hier geen sprake zijn, want dat zou alle autonomie, alle persoonlijk geloof dooden.
Het gaat dus — zoo kunnen we, zegt dr. Berkouwer, het bovenstaande samenvattend — om persoonlijk, autonoom geloof in het Evangelie. In verband met de beschouwing over den Bijbel van prof. Heering kunnen we — aldus dr. Berkouwer — zeggen : het geloofsoordeel moet het wagen met het Evangelie, dat uit den Bijbel tot ons komt. En de risico's, die met een waagstuk altijd verbonden zijn, worden door dat Evangelie zelf weer overwonnen. We voelen, dat we hier midden in de cirkel van alle subjectivisme zitten. Want de redeneering van prof. Heering is, dat het geloof rust op openbaring ; die openbaring komt tot ons uit den Bijbel ; maar de critiek op den Bijbel is geoorloofd, omdat het geloof op openbaring berust !
De bede : „vermeerder ons geloof", vindt haar zin in de verzuchting : „Veni Creator Spiritus" !
Maar als Christus is opgestaan en Hij voegt zich bij de Emmaüsgangers, dan gaat Hij tot vermeerdering van hun geloof en tot bestrijding van hun ongeloof hun de Schriften openen, beginnende van Mozes en van al de profeten.
Later zeggen ze tot elkaar : was ons hart niet brandende in ons, als Hij sprak tot ons op den weg, en als Hij ons de Schriften opende ? "
De Gereformeerde Dogmatiek zegt dan ook, dat de Heilige Schrift, Gods Woord, het Boek des Heiligen Geestes, de bron is voor leer en leven, voor gelooven en belijden, waaruit de Kerk des Heeren heeft te leven, bewarende het pand haar toebetrouwd.
Zegt de Heiland niet tot de Sadduceën : al uwe dwalingen komen, omdat gij de Schriften niet kent ?
Ons geloof mag niet vervluchtigen tot een religieuse stemming, of worden een rationalistisch redeneeren. Noch de vrome mensch, noch de denkende mensch mag met autoriteit worden bekleed. We mogen noch de geloovige, noch de Kerk, noch iets anders op de eerste plaats zetten, maar Gods Woord als de geopenbaarde Waarheid Gods is bekleed met de autoriteit.
Daarom altijd „naar de Schriften". En de openbaring van Gods Woord geeft ons verstand en doet niet dwalen.
De Reformatie vond haar wijsheid en kracht in het Woord, niet in de Kerk (Roomsch), niet in den vromen mensch (de Anabaptisten of Wederdoopers c.s., de geestdrijvers van verschillende soort), maar het Woord en niets dan het Woord.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's