De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

Van den Schepper en het Woord.

11 minuten leestijd

Zoo neemt de Heilige Schrift een geheel bijzondere plaats in. Zij valt buiten het gewone kader der dingen.
Daarom zal men iemand van haar zekerheid en gezag niet overtuigen, tenzij de Heilige Geest dat doet.
Voor hen, die het Woord in de vreeze Gods omhelzen, kan echter nog wel op enkele kenmerken worden gewezen, waardoor zij versterkt worden.
Calvijn brengt enkele van die punten naar voren. Wie nauwgezet het Woord onderzoekt, zal worden getroffen door de schoone orde van de bedeeling der hemelsche wijsheid, door, de hemelsche reuke, welke van de leer overal uitgaat, door de overeenstemming aller deelen en wat al meer de majesteit der Heilige Schrift verraadt.
Het kan niet zonder de verhevene voorzienigheid Gods geschied zijn, dat de hemelsche verborgenheden in zulk een nederigheid van woorden worden overgeleverd.
Wanneer dat alles in de vormen eener glanzende welsprekendheid ware gegoten, zouden de goddeloozen nog spottend opmerken, dat hier alleen de kracht eener poëtische kunst aan het woord was.
Doch de Schrift spreekt in eenvoud van de waarheid, die voor zich zelf getuigt, en heeft geen behoefte aan de opluistering van menschelijke wijsheid.
Daarbij wijst Calvijn er op, dat er in de wereld geen boek is, hoe schoon ook geschreven, dat bij machte is zooveel invloed op ons uit te oefenen.
Dat mag echter niet zoó worden opgevat, alsof de Schrift in schoonheid van vorm ook met de wereldsche schrijvers niet kon worden vergeleken.
Calvijn haast zich om te zeggen, dat verschillende deelen uitblinken in taal en stijl, als om te betoonen, dat het den Heiligen God niet ontbreekt aan welsprekendheid, ofschoon Hij vaak een ongèkunstelden en gewonen stijl gebruikt.
Vervolgens brengt hij vele voorbeelden uit het Oude en Nieuwe Testament naar voren om de profetische kracht des Woords te laten zien.
Daarbij behandelt hij verschillende tegenwerpingen en bezwaren, welke de menschen tegen de Heilige Schrift en haar schrijvers aangevoerd hebben.
Zijn groote kennis van de Heilige Schrift en van wat de wijsheid der wereld heeft voortgebracht, komt hem daarbij te stade.
En hoewel Calvijn op grond van zijn overtuiging, dat men zonder het getuigenis des Heiligen Geestes de goddelijke waar­heid der Schrift niet zien kan, ontraadt om door menschelijke overreding haar waarheid te bevestigen, kan hij toch niet nalaten ook als hij de geloovigen wil versterken, tegen wereldsche vonden te strijden.
Dat overkomt hem niet alleen, maar dat gebeurt ons ook, om de eenvoudige reden, dat wij in eigen kring daarvan niet verschoond blijven.
God heeft den mensch goed geschapen, maar zij hebben vele vonden gezocht. De wereld woont in ons hart en van nature hebben wij geen lust in de dingen van het Koninkrijk Gods. En indien wij voor de zaak des Konings uitkomen, staan wij dagelijks in den strijd naar binnen en naar buiten.
Het ligt echter voor de hand, dat Calvijn zich bij dit alles heeft bepaald bij de vraagstukken, die zich toen en tot op zijn tijd voordeden. Ofschoon ten deele zaken worden aangeroerd, die ook heden de onderzoekers nog bezig houden, is er sedert dien ook over de geschiedenis der oudheid meer licht opgegaan.
Het onderzoek heeft niet stil gestaan, met name in de laatste eeuw is de kennis van die oude wereld in belangrijke mate uitgebreid. Men heeft die lang vervlogen tijden a.h.w. uit het graf opgedolven en uit de verborgen overblijfselen, die in den schoot der aarde bewaard zijn gebleven, wetenschap vergaderd omtrent het leven dier oude volkeren, hun godsdienst, beschaving, kunst en litteratuur, tengevolge waarvan groote wijziging is gekomen in de beschouwingen en vraagstukken daaromtrent.
Dit alles kan de kracht van de geestelijke argumenten, waarop Calvijn wijst, uit den aard der zaak niet verzwakken.
De slotsom blijft dan ook precies dezelfde als voor Calvijn.
Wij kunnen Gods Waarheid niet overeind houden met menschelijke redeneeringen, maar daar is ook geen macht ter wereld, waardoor zij krachteloos wordt gemaakt.
De Heere zelf, die alle dingen stiert, zal over Zijn Woord waken.
Voor de wereld is er geen sterker getuigenis voor de macht en heerlijkheid van het Woord dan dat het volk, dat Zijn Naam belijdt, in Zijn licht wandelt en in ware godsvrucht zijn levende kracht bewijst.
Luther schreef een geschrift tegen de zwermgeesten, waarin hij krachtig optrad tegen de geestdrijvers, die in zijn dagen een gevaar waren voor de zaak des Evangelies.
Calvijn pakt ze niet minder hardhan­dig Calvijn aan.
Deze zijn niet zoozeer door dwaling ver­ strikt als door razernij, zoo oordeelt hij.
Wie dat zijn ?
Zij deden zich in zijn tijd voor onder verschillende namen: Doopersche secten en mystieken, die bijzonder geestelijk wilden zijn.
Het gaat echter ook hier niet om den naam, maar om de zaak, of liever om den geest, waartegen Calvijn te velde trekt.
Die geest is nog niet uitgebluscht, zoomin als de geest der dwaling, die met allerlei tegenwerpingen tegen Gods Woord opkomt.
Wanneer Calvijn dien geest een geest van razernij noemt, is het duidelijk, dat hij dezen nog veel scherper veroordeelt.
Wie zijn dat dan toch, die door zulk een razernij worden gedreven ?
Dat zijn zij — ik gebruik Calvijn's woorden — die een weg, ik weet niet hoe, tot God verzinnen, terwijl de Schrift wordt veracht.
Zij nemen een hoovaardige houding aan, alsof zij het meesterschap des Geestes hebben. Zij verwerpen het lezen van de Schrift en dat niet alléén, maar zij lachen om de eenvoudigheid dergenen, die de doode en doodende letter — zooals zij zeggen' — alsnog volgen.
Ik wil wel eens weten — zoo Calvijn — door wiens ingeving zij worden gedreven, dat zij de leer der Schrift durven verachten.
En, indien zij zeggen, dat het de Geest van Christus is, is een zorgeloosheid van deze soort wel belachelijk.
De Apostelen en de oude Christenen zijn door den Geest van Christus geleerd en niet één heeft van dien Geest geleerd, Gods Woord te verachten.
Woord en Geest zijn door een onverbreekbaren band verbonden. Met een beroep op Jesaja 59, 21 en andere plaatsen, toont Calvijn dat aan. Onder het Rijk van Christus wordt de kerk door het Woord en den Geest geregeerd.
Paulus, die tot in den derden hemel werd opgetrokken, laat niet af van de Wet en de Profeten en vermaant Timotheüs tot volharding in het lezen.
Reeds vroeger hebben wij daarop de aandacht gevestigd.
Het ambt van den Geest, die ons beloofd is, is niet eenige nieuwe en ongehoorde openbaringen te verdichten — zoo gaat Calvijn verder — of een nieuwe leer te smeden, zoodat wij van de leer des Evangelies worden afgebracht.
Neen, zijn ambt is de leer des Evangelies in onze harten te verzegelen.
Daaruit volgt alzoo, dat wij ijverig behooren te zijn in het lezen en aanhooren der Heilige Schriftuur, indien wij vrucht willen hebben van den Geest Gods. (2 Petrus 1 vers 19).
Volgen wij daarentegen geesten, die aan het Woord Gods voorbijgaan en , een andere leer inblazen, dan kan men deze zeker ijdel noemen.
De Heilige Geest is de Auteur der Schrift en kan daarom van het Woord niet verschillen. Hij is ons gezonden om Zijn werk te volbrengen in de bevestiging des Woords.
Op deze wijze treedt Calvijn de geestdrijvers van zijn tijd tegemoet om hen bij de waarheid der Heilige Schrift te bepalen.
Zooals wij hebben gezien, noemt hij hun drijven razernij.
Wie iets van de geschiedenis weet, zal zich herinneren, dat zij tot buitensporige dingen kwamen.
Hun gedrag was veeltijds in strijd met de goede zeden, zoodat zij in het openbaar ergernis wekten en voor revolutionairen werden gehouden, die de openbare orde dreigden omver te werpen. Zoo noopten zij de Overheden om tegen hen op te treden.
Van de Dooperschen is dat bekend, zooals ook uit de belijdenis kan blijken, o. a. in Art. 36, waar hun houding en die van andere oproerige menschen wordt veroordeeld, omdat zij de Overheden en Magistraten verwerpen, enz.
In onze dagen ontbreekt het niet aan revolutionaire geesten, doch zij zijn niet zoo „geestelijk" als die van den tijd der reformatie.
Toch zijn er nog wel in den lande, die verwantschap vertoonen met de door Calvijn zoo scherp veroordeelde geestdrijvers, al zijn zij ook geen verstoorders van de openbare orde.
Door hun onschriftuurlijke denkbeelden dragen zij echter weinig bij tot de kerkelijke orde.
In een vorig artikel hebben wij reeds de aandacht gevestigd op menschen, die zich weinig bekommeren om God en Zijn Woord, onder het voorwendsel, dat men eerst moet verlicht zijn door den Heiligen Geest.
Zoo wordt de Waarheid tot een leugen gemaakt en bespot. Omdat zij zeggen, het licht te missen, verwerpen zij ook het Woord.
Zulk een houding kan slechts groote schade brengen niet alleen voor de personen zelf. die in zulk een valsche vroomheid rust willen vinden, maar óok voor hun huisgezin, dat op deze wijze vervreemdt van de kennis der Heilige Schrift.
Mijn volk is uitgeroeid, omdat het geen kennis heeft. De kinderen des volks ontwennen aan de tucht der gezonde leer, wanneer zulk een geest onder degenen, die van de kerk zijn, gaat heerschen.
Wanneer men daarbij bedenkt, dat reeds velen willens en wetens gebroken hebben met Gods Woord, dan wordt zulk een liberalisme, ook uit de kringen, die beter moesten weten, nog versterkt tot schade van den volksgeest.
Immers zulke denkbeelden blijven niet bij denkbeelden, maar bepalen iemands gedrag ook ten aanzien van zoovele andere zaken.
Stelt iemand zich op het standpunt, dat de Schrift voor hem een doode letter is, zoodat hij daarvan niet wijzer wordt, wanneer zal hij dan beginnen met haar te lezen ?
Als hij bekeerd zal zijn, misschien.
Doch, hoe zal hij leeren, wat het zeggen wil bekeerd te zijn, indien hij den weg, door den Heere bevolen, niet begeert ?
Gehoorzaamheid is de eerste schrede op den weg, doch als deze ontbreekt, gaat het kwaad verder.
Waar zal men ter kerk gaan ?
Een dominé kan het Woord niet recht snijden, als hij niet bekeerd is, en het woord van een onbekeerden dominé kan geen kracht tot bekeering hebben — zeggen zij.
Dan kan men dus met eenige hoop op eigen bekeering alleen bij een bekeerden dominé, of bij iemand, dien men voor bekeer houdt, het Woord beluisteren. Desnoods en misschien bij voorkeur buiten den kerkdijken Dienst des Woords, en dus al weer buiten de bevolen orde.
Wij zijn er niet blind voor, dat zulke practijken worden bevorderd door het feit, dat er zooveel prediking is, die voor onzuiver moet worden - gehouden. Dit valt niet te ontkennen en wijst op een euvel in ons kerkelijk leven, dat niet ernstig genoeg kan worden genomen.
Doch het neemt niet weg, dat het zoo juist geteekende standpunt onschriftuurlijk is.
Hoe toch zal men weten, of de prediker de hemelsche genade deelachtig is ? De Heere alleen kent de Zijnen.
Calvijn heeft dan ook niet geleerd, dat men alleen bij bekeerde dominé's zal kerken, maar dat de kerk daar is, waar het Woord zuiver wordt verkondigd.
Zoo behooren de ouderlingen en voorstanders der gemeente acht te hebben op de leer, opdat men met vertrouwen kan opgaan in de samenkomst der gemeente.
Een andere vraag. Bij wien zal men zijn kinderen ter school zenden ?
Bij het Christelijk onderwijs.
Ook hier rijzen weer allerlei bezwaren, en helaas — niet altijd ongegrond. Daar kan gewis heel wat aan haperen, want het is ook al weer menschenwerk, met zondige gebreken. En het is de vraag, of wij ons wel genoegzaam beijveren om het zooveel mogelijk te doen beantwoorden aan den eisch. .
Maar, hoe dit ook zij, en hoe gaarne men zou mogen wenschen en bidden, dat alle onderwijzers en predikanten godzalige mannen waren, men kan niet den eisch stellen, dat een onderwiizer bekeerd is en anders zijn kind maar liever geen Christelijk onderwijs doen geven.
Alweer, de Heere kent de Zijnen, en wij hebben acht te geven op de leer der Apostelen en Profeten.
Dat is de voortdurende vermaning van Calvijn, die wij onszelf én elkander voor oogen hebben te houden, opdat wij de gave, welke de Heere ons in het Woord heeft gegeven, niet verachten.
Er zou nog meer te berde kunnen worden gebracht, waaruit zou blijken, hoezeer men zijn roeping verzaakt, indien men wijzer wil zijn dan de hemelsche wijsheid.
Doch wij willen het bij deze dingen laten en op het voorrecht wijzen, dat wij het profetische Woord mogen hebben, dat zeer vast is, opdat het ons tot; een lamp voor den voet en een licht op ons pad moge zijn.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's