KOHLBRUGGE
en de leer des heils
XIII.
Zoo past de leer van Gods vrije, eeuwige verkiezing der genade geheel in het kader van de leer des heils en der zaligheid, als men haar overeenkomstig het evangelie opvat. Zij stelt den mensch op de plaats waar hij behoort en geeft den moedeloozen geloovige een rijke troost,
Kohlbrügge vraagt : „Waartoe dient de leer der eeuwige, vrije verkiezing der genade ? "
Hij antwoordt : „Zij leert ons, in welke verhouding wij staan tot God, opdat wij : eerstens ons op genade en ongenade in de handen van onzen souvereinen God werpen met de bede : Bekeer Gij mij zoo zal ik bekeerd zijn ; ten tweede, opdat wij alle aanmatiging der eigengerechtigheid afleggen, en ten derde, opdat wij een vaste en eeuwige troost hebben in alle kruis, moeite, vervolging en aanvechting. Wanneer er echter duizenden tegenwerpingen tegen Gods voorbeschikking gemaakt worden, dan heb ik alleen maar te letten op mijn eigen doemwaardigheid, onwaardigheid en volkomen onmacht, op de souvereiniteit en de vrijheid Gods, die den persoon niet aanziet en op het bloed van het Lam, dat de zonde van iedereen wegdraagt zonder onderscheid, die zonde heeft en op dit Lam naar den wil Gods zijn zonde legt." (Erlauternde und befestigende Fragen und Antworten zum Heidelberger Katechismus, blz. 48 en 49).
De tegenhanger van de verkiezing der genade is de verstokking en verwerping. Kohlbrügge gaat in de geschiedenis van de verstokking van Farao op den oertekst terug, die drie verschillende uitdrukkingen voor het woord „verstokken" heeft. Het eerste woord qaschah beteekent glad maken en vervolgens met moeilijkheden omringen. „De miskende, verworpen, mishandelde God komt eerst met Zijn vriendelijk licht en verlicht daarmee den mensch, zoodat hem de ijdelheid der zichtbare dingen, waardoor hij zich tot dusver liet knechten, duidelijk wordt en hij daarbij ook inziet, dat dit licht hem niet verdoemt, maar hem wil gelukkig maken ; maar de mensch moet erkennen, welk wezen hij is. De mensch echter wil hetzelfde wezen blijven en heeft spoedig allerlei bezwaren, die moeten doorgaan voor gerechtigheid. Hij wil geen genade, geen erbarmen, maar hij wil blijven, wat hij is." (20 predicaties, gehouden in 1846, blz. 226).
't Andere woord voor verstokken (chasaq) beteekent : vast omgorden, zoodat men in zijn lendenen gestijfd wordt. „God komt dan opnieuw met de macht Zijner Waarheid, liefde en wonderen. Nu is echter de uitwerking van deze macht, wanneer de mensch haar niet berouwvol erkent, dat hij zich door deze macht sterkt, om zichzelf dés te meer voor vroom en rechtvaardig te houden, inplaats van tegenover deze macht, die tot hem komt en bij hem aanklopt, uit te roepen : „Groote God, wat zijt Gij toch lankmoedig en genadig." (20 predicaties, gehouden in 1846, blz. 226).
Het derde woord (kabed) beteekent : Iemand zoo met eer overladen, dat hij zich niet meer van zijn plaats laat brengen. „God eert hem dan ten laatste, door hemzelf de zaak der verlossing in handen te geven en als het ware te vragen : doe het maar ! alsof Hij van den mensch afhankelijk ware. (2 Cor. 5 : 20 ; Jes. 65 : 2 ; Jer. 13 : 16 en 17).
Dan denkt de mensch : Heb ik het zelf in mijn hand, dan beteeken ik toch in elk geval wel iets en de uitwerking van het eeren door God is, dat men zijn eigen hart eert." (20 predicaties, in 1846 gehouden, blz. 226).
„Als de Allerhoogste lang genoeg bij een menschenkind de minste is geweest en Hij hem in lange, lange lankmoedigheid gedragen heeft, en als dan de mensch, al zegt ook de Heilige Geest : Met al uw vroomheid deugt ge niet, zich toch trots op zijn werken, zijn handel en wandel verheft, wie kan dan iets op Gods wil aanmerken, als Hij zoo iemand verstokt ?
Is niet juist deze verstokking een bewijs tegen u, o mensch ? Is het niet de overgroote goedheid, waartegen gij u verhardt ? (Rom. 2 : 4).
Is deze verstokking nog niet als het ware de laatste handeling van de genade Gods aan iemand, die niet wil bekennen, wat hij is en die de erbarming Gods niet begeert ? Wil men nu echter met God den strijd opnemen, moet het gaan macht tegen 'macht, hard tegen hard, zonde tegen genade, trotsch tegen een liefde, die deze wil bezweren, werken en voortreffelijke eigenschappen, die men van God wil hebben, tegen erbarming ; wil men den strijd met God opnemen : Waarom zou ik niet zalig worden met mijn vroomheid, en waarom zou hij zalig worden, die toch niets is ? — dan hoore men het Woord : Hij ontfermt zich, wiens Hij wil en Hij verstokt, dien Hij wil". (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 229).
IX. Over den mensch na zijn bekeering.
In een ander verband is hierover reeds iets gezegd. (Bladz. 24 en 135). Wij willen nu samenvattend hierover spreken. Door de genadige verlichting van den Heiligen Geest is de mensch in het geloof een nieuw schepsel geworden. „De mensch heeft nu een andere plaats gekregen, zoodat hij nu heel anders tegenover de wet staat als vroeger. En als de apostel (Rom. 6 vs. 15) het zoo voorstelt, dat de mensch heelemaal niet meer in verplichting of betrekking tot de wet staat, dan bedoelt hij daarmede de wet, zooals de mensch die in zijn eigengerechtigheid opvat, waarbij de mensch er in 't geheel niet aan denkt, dat hij geheel van God is afgeweken en den duivel en den dood is toegevallen.
De geloovigen staan nu onder de genade ; en genade is de handhaving van de wet, de waarachtige vervulling er van, een volgens Gods Geest volkomen volbrengen van den wil Gods, zooals God zelf de wet in eigen hand genomen en haar zelf volbracht heeft, haar ook in eigen hand houdt en (haar in een zondig mensch, die geheel geen verstand van Zijn wet heeft, naar haar diepsten zin, geest en beteekenis, wonderlijk vervult. De apostel noemt dit genade. Na zijn bekeering was deze genade aanwezig". (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 203).
„De Schrift maakt een scherp onderscheid tusschen den toestand des menschen, zooals wij allen; in Adam zijn en zooals wij allen in Christus zijn ; en dan vinden wij van Adams zijde niets dan de dood in, aan en boven ons. En na onze bekeering, alle heiligen getuigen het, werkt in ons evenals buiten ons niets anders dan de dood. Volgens de wet zijn wij geheel en al vleeschelijk. De mensch, bekeerd of onbekeerd, is op zichzelf met geheel zijn willen en kunnen, met al zijn denken en doen een doode. In Christus echter zijn wij der zonde gestorven en leven Gode in Christus Jezus onzen Heere. De geloovigen nemen, uit de opstanding van Jezus Christus steeds weer leven, eeuwig leven, gerechtigheid en sterkte, midden in hun dood". (Licht und Recht, deel 9, blz. 9 en vervolgens).
Er is zeker een diepgaand verschil tusschen den mensch voor en na zijn bekeering, voorzoover men ziet op Gods toerekening en doen in Christus.
Dit verschil wordt in de Schrift ook genoemd met de uitdrukking : oude en nieuwe mensch. „De Heilige Schrift kent maar twee menschen : Adam en Christus (Rom. 5 ; 1 Cor. 15 VS. 45—47 ; 1 Tim. 2 vs. 5).
Naar onze vleeschelijke geboorte hebben wij allen den eersten mensch, Adam, tot stamvader, en hij is het hoofd van ons geslacht. Deze was heer onder God, heer van de eerste schepping. Door zijn ongehoorzaamheid en moedwillige overtreding, die hij beging op aanstichten van den duivel, kwam de zonde in de wereld en door de zonde de dood.
Jezus Christus is de andere mensch, en deze is het hoofd, de plaatsvervanger der door God uitverkoren menschheid. Deze is de heer van de nieuwe schepping, van de genade. Hij, het eeuwige Woord des Vaders, werd vleesch. Deze nam voor de Zijnen de oprichting van het eeuwig genadeverbond op zich (Hebr. 7 VS. 22)". (Licht und Recht, deel 9, blz. 6).
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's