De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

TWEEËRLEI DROEFHEID

7 minuten leestijd

Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekeering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood. 2 Corinthe 7 vers 10.

Er is veel droefheid op deze aarde, want er wordt veel geleden.
Hier treurt een gezin in doffe verslagenheid, omdat een dierbaar offer door den harden dood werd afgeëischt.
Ginds is het leven één groote teleurstelling, omdat de levensidealen in rook opgingen.
Een ander vindt lederen morgen zijn kastijding en heeft tranenbrood tot zijn spijze. Hij kan de klacht van den psalmist overnemen: ,, Waarom zendt de Heere de tegenheden in zulk een mate? " Dan wordt de waarheid ingezien van het woord, dat de Godsman van den ouden dag heeft gesproken : Het uitnemendste van dit leven is moeite en verdriet.
Zoo wordt in onze tegenwoordige dagen veel geklaagd over de moeilijke tijden, die wij beleven. En zonder twijfel baren onze dagen aan vele gezinnen groote zorgen. Doch als men deze droefheid nader onder de oogen ziet, gaat deze treurigheid niet dieper dan over de kwade gevolgen der zonde en geenszins over het kwaad der zonde zelf. Het is in wezen niet meer dan het spijtige gevoel, dat den dief en den moordenaar, terwijl ze zuchten in den kerker, bekruipt, omdat hun misdaad ontdekt is en de arm der gerechtigheid hen heeft gevonden. Ze zuchten wel onder de straffen, maar weenen niet over hun zonden.
Het is altegader droefheid over de kwade gevolgen der zonde en geen droefheid over de zonde zelf. Geen droefheid, die God behaagt, geen droefheid naar God.
Zulk een droefheid naar God nu zag de apostel Paulus tot zijn groote blijdschap in de gemeente van Corinthe. Hij had die gemeente ten zeerste moeten bestraffen in zijn brief, omdat er een schandelijke zonde was begaan. Er stond n.l. iemand schuldig aan bloedschande, en de gemeente droeg er geen leed om, ergerde zich niet en liet den zondaar ongemoeid. De bestraffing van Paulus nu had de gewenschte uitwerking. De oogen gingen open voor het vreeselijke kwaad. De gemeente werd er bedroefd om. Paulus zag een droefheid naar God geboren worden.
Hier is een droefheid over de zonde zelf. Niet, dat er ook niet getreurd zou mogen worden bij de droeve gevolgen der zonde. Als Jeremia op de puinhoopen van Jeruzalem zit, is zijn oog een tranenbron, als hij de vreeselijke verwoesting van de schoone Godsstad ziet en het bloed der verslagenen, dat langs de straten heeft gestroomd. Jezus houdt zijn tranen niet terug, als Hij bij het graf van Lazarus, zijn vriend, staat. Dan weent Hij met de weenenden.
Doch als Jeremia op Jeruzalem's puinhoopen zit, spreekt hij ook dit diepe en veelbeteekenende woord : Wat klaagt dan een levend mensch ? Een ieder klage vanwege zijn zonde. Dat is droefheid, die Gode behaagt, de ware droefheid naar God. Deze droefheid zucht en treurt niet over het leed, dat de zonde steeds met zich brengt in zijn kwade gevolgen, neen, ze weent over den goddeloozen aard der zonde. Een kind Gods leert weenen over hetgeen het is, niet over hetgeen het ondergaat.
Gods Geest leert Gods kind met hartelijke droefheid weenen over de snoode overtreding van Gods geboden, over zijn weerspannigheid, over zijn hart, dat een vuile bron van booze wanbedrijven is. Het beweent zijn ondankbaarheid jegens God, dat goedertieren Wezen.
Zeker, het ziet zijn zonde ook als schande, die het over zich gebracht heeft, doch veel dieper gaat de smart bij de klacht : „Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is in Uw oogen". Dan is de ziel er van genezen om van uit de hoogte op anderen neer te zien want men ziet in de booze roerselen des harten den sluimerenden moordenaar, den hoereerder, den dief.
De droefheid naar God leidt de ziel ook tot God met gebed en smeeking. De tollenaar kon den drang om op te gaan naar den tempel niet weerstaan, hoewel hij anderzijds weer van verre bleef staan vanwege zijn diep gevoelde zondeschuld. De ziel van den psalmist dorst naar God, naar den levenden God, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen.
Ofschoon deze droefheid zeer diep kan gaan en de ziel Gods vervaarnissen kan dragen en met den psalmist zeggen, dat ze gekneld lag in de banden des doods, daar de angst der hel haar allen troost deed missen, is het toch geen droefheid, die tot wanhoop voert, gelijk bij een Kaïn, Saul of Judas. Het is een droefheid, die doet opstaan uit de zonde en tot God uitdrijft met de ootmoedige belijdenis : „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor U, ik ben niet meer waard Uw kind genaamd te worden".
Ware droefheid naar God is hartelijk leedwezen, zielepijn over de zonde, en neemt de toevlucht tot de genade Gods in Christus Jezus.
De droefheid der wereld nu blijft slechts treuren op de puinhoopen van haar geluk, zonder de klacht over de zonde tegenover den heiligen God te kennen. Ze kermt onder de slagen der roede en is er verre van om te belijden, dat 's Heeren doen rein is en Zijn vonnis gansch rechtvaardig. Ze is bedroefd over verlies van het aardsche goed, van goeden naam en eere, van dierbare betrekkingen.
En als de wereld nog eens erkent, dat de zonde de oorzaak is der jammeren, komt ze er toch niet toe om de zonde te verfoeien en te ontvlieden. Ook Achab heeft zijn tijd, waarop hij zich met een zak omgordt en nederzit in de asch, als Gods oordeelen hem worden aangekondigd. Hij siddert onder de dreigende oordeelen Gods, maar hij blijft hetzelfde onverbroken hart behouden. Het is geen droefheid, die het hart betert, maar ze welt uit dezelfde bron als de bittere schreeuw van Ezau, die zich aardsche zegeningen zag ontgaan.
De droefheid der wereld kan ook een godsdienstige tint hebben. Dan stelt ze haar zoeken naar schatten hooger dan het bloot aardsche. Dan houden we ons bezig met de vraag : „Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven ? " En als de Heere ons dan doet verstaan, dat de weg ten hemel er één van volkomen
zelfverloochening is, dan zien we den vromen rijken jongeling bedroefd weggaan. Zijn godsdienst was vrome zelfzucht, zijn droefheid in wezen niet beter dan de zelfzuchtige droefheid der wereld.
Waar nu oprechte droefheid naar God is, daar werkt ze ook iets uit, want de zonde is daar de dood geworden. In Corinthe bracht ze naarstigheid en ijver om de zonde uit het midden der gemeente weg te doen. Als de verloren zoon tot zich zelf gekomen is, kan hij het te midden van de zwijnen en bij den zwijnendraf niet meer uithouden Hij staat op, keert dat land den rug, toe en begeeft zich tot zijn vader.
Zoo zien wij, dat de ware droefheid naar God bekeering werkt, afkeer van de zonde en wederkeer tot God. Ja, juist daarin zal de oprechtheid der zondedroefheid openbaar worden, dat het niet blijft bij een klacht over de zonde, maar er ook is haat tegen de zonde, die niet anders kan dan de zónde vlieden en er weerstand tegen bieden. En nu moge er in de bestrijding der zonde en de dooding daarvan in onze leden nog velerlei zwakheid overblijven, de blijken van een oprechte wederkeer tot God mogen zwakke beginselen zijn, toch zullen deze kenmerken van bekeering worden waargenomen. Het zijn de vruchtgevolgen van de ware droefheid naar God. Zulk een bekeering is onberouwelijk, want ze is de ontkoming aan den dood, die de bezoldiging is der zonde en ze heeft vóór zich de belofte der eeuwige zaligheid. Zulk een bekeering is gewerkt door den Heiligen Geest, die het hart heeft wedergeboren tot de vernieuwing des levens en tot een levende hoop op de erfenis, die in de hemelen wordt bewaard. En zoo zal de droefheid naar God tot eeuwige blijdschap worden.
Maar die zijn leven slechts heeft gevonden in de schatten dezer vergankelijke wereld, en Christus, die de troost en het leven van een zondaar is, niet kent, die zal zijn geheele leven verliezen bij het sterven. Zijn levenslamp zal uitgaan in dikke duisternis zonder dat het licht van Christus over zijn ongetrooste ziel zal opgaan. Zijn einde is de dood, de eeuwige dood. Doch zalig, die nu droefheid heeft, uw droefheid zal eens tot blijdschap worden.
Oldebroek

J. Lekkerkerker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's