De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

EEN PRINSES GEBOREN!
Met diepe ontroering en met innige dankbaarheid en groote blijdschap hebben we Maandagmorgen, enkele minuten nadat het was geschied, het bericht vernomen, dat er in het Koninklijk Paleis te Soestdijk een Prinses geboren is, een telg uit het zoo zeer bij ons Nederlandsche volk geliefde Oranjehuis, een Kind van onze teer beminde Prinses en Haar Gemaal Prins Bernhard.
En hoewel het tegenwoordig geslacht bedenkelijk vervreemd is van de eeuwige dingen, is door duizenden bij duizenden nu weer geluisterd naar: „Dankt, dankt nu allen God". En er is in de huiskamer en in de kerk door ontelbaar velen gevoeld, getuigd en gezongen: De Heere heeft groote dingen onder ons gedaan — dies vertelt men in ons land al de wond'ren van Zijn hand !
Velen zien de dingen niet meer bij eeuwigheidslicht, maar verheugen zich in de glanzen van het tijdelijke, waaraan men blijkbaar genoeg heeft, met velerlei genot, waartoe de moderne tijd overvloedig lokt en trekt.
Maar nu is er toch weer iets door ons volk gegaan, dat ontroerde en dat drong en dwong om Gode eere te brengen en God te danken.
Dat is het wondere van Oranje, ook bij de ontwrichting van het volksleven overal. Het is toch altijd weer een vinger, die omhoog wijst.
En er is nog een volk, dat de dingen ziet bij het licht van Boven. De geest van de Vaderen leeft nog voort in alle kringen, omdat het een geest uit God is, dien God bewaart in de geslachten naar Zijn trouw verbond !
Dan wordt ook het Oranjehuis gezien bij hooger licht. En we hebben het weer gevoeld, met Oranjeliefde in het hart en Oranjebloed in de aderen, dat Gods hand hier, nu eeuwen lang, iets wonderlijks, iets groots, iets heerlijks heeft gewrocht. Oranje en Nederland, ze hooren bij elkander. God legde Zelf dien band !"
En neen, we schamen er ons niet voor, dat we dezer dagen weer diep bewogen werden om onze Oranjeliefde tot openbaring te brengen. En we hebben ook anderen opgewekt in deze dingen Gods Naam te erkennen en onze verknochtheid aan het Huis van Oranje zichtbaar te toonen. En dat niet, omdat het — zooals velen nu zeggen — „nog al meevalt met deze Oranjes en het nog zoo kwaad niet is met deze Regeering" — neen, uit diepere motieven komt bij ons op, dat we Oranje liefhebben. Wij zien het Oranjehuis overstraald met licht van Boven en lezen boven het hoofd van onze zoo zeer beminde Koningin de woorden „bij de gratie Gods". We zien in ons zoo echt nationale Vorstenhuis een bijzonderen zegen van den hemel, een teeken van Gods voortgezette bemoeienissen met Neêrlands volk.
En ziet, juist dat hebben we weer bij vernieuwing nu gevoeld, nu aan den Oranjeboom een nieuwe loot is uitgeschoten.
Wat is de Heere goed, barmhartig en genadig !
En met een hart vol dankbaarheid gaat onze bede op tot Hem, Die Oranje ons gaf en sinds bewaarde, dat Zijn gunst en genade mag zijn over onze pas geboren en met zooveel vreugde ontvangen Prinses van Oranje, die we ook voortaan willen opnemen in onze liefde — óók in ons gebed.
Dat de Oranjeboom bloeseme, nu en voortaan, overschaduwd, bedauwd, gezegend door Gods trouw en rijke ontfermingen, Nederland en Oranje tot zegen — Gods Naam ten prijs.
Zij 't waarheid en blijve het zoo tot in lengte van dagen, wat een van onze populaire dichters zong :
„Ik ken geen land, waar zooveel onderdanen zich buigen voor hun God, om, nederig van zin te smeeken dat Zijn gunst een effen pad mag banen waarlangs Hij veilig voert hun lieve Landsvorstin.
Een Prinses geboren ! Dankt, dankt nu allen God. Prijst Zijnen Naam. Verheerlijkt Hem !

UIT DE OUDE DOOS
Wij hebben een „oude doos" waar heel wat in zit. Zoo nu en dan komt ze te voorschijn, en dan blijkt het weer dat het waar is, wat de menschen zeggen, „die wat bewaart, die heeft wat".
Door de besprekingen van het laatste Reorganisatie-Voorstel gingen onze gedachten telkens terug naar vroegere pogingen, die ook door onzen Geref. Bond beproefd zijn, om de tegenwoordige Synodale Besturenorganisatie te vervangen door een andere. En dan denken we nu aan het Voorstel van „de Groote Synode (van 45 leden, gekozen door de Classicale Vergaderingen). Laat er ons iets van vertellen hier.
In 1922 was door de Synode een Commissie benoemd, die eenparig kwam tot het voorstel van een Groote Synode, die zou bestaan uit 45 leden, 30 predikanten en 15 ouderlingen, volgens rooster benoemd door de 44 Classicale Vergaderingen en de Waalsche Commissie (art. 56). Die Synode zou eens in de twee jaar vergaderen (art. 58). Er zou een Commissie van Wetgeving zijn (art. 70) en een Commissie van Rechtspraak (art. 15*) er zouden twee Classicale Vergaderingen per jaar worden gehouden in Maart en in October (art. 37) enz. enz.
De Synode nam dit Voorstel aan ; de Classicale Vergaderingen ontvingen dit voorstel buitengewoon gunstig (den Haag met op 2 na algemeene stemmen vóór ; Rotterdam 84 vóór en geen tegen ; Kampen 31 voor, 2 tegen ; Amsterdam 59 voor, 2 tegen ; Bommel 30 voor, 11 tegen ; Maastricht (!!) 19 voor, 7 tegen, enz. enz.
De Synode nam het voor de 2de maal aan met 11 tegen 8 stemmen. Maar de leden van de Prov. Kerkbesturen, die hoofdelijk stemmen, zonder opgaaf van reden, hebben het Voorstel ten slotte toch doen vallen (Z.- Holland 9 voor, N.-Holland 3 voor, 4 tegen ; Zeeland 6 voor ; Utrecht 3 voor, 1 tegen ; Gelderland 7 voor, 2 tegen ; Friesland 5 voor, 2 tegen ; Overijsel 3 voor, 1 tegen ; Groningen 2 voor, 4 tegen ; N.-Brabant met Limburg 4 voor, 3 tegen ; Drenthe 1 voor, 3 tegen ; de Waalsche Commissie 4 tegen !! En alzoo werd het 43 vóór en 20 tegen — waarbij dus duidelijk is, dat de Hervormde Kerk vóór was, maar de nekslag is gegeven door de Walen, die niet minder dan 4 stemmen uitbrengen en alle 4 stemmen waren natuurlijk tegen ! En dat waar de Walen inderdaad niets, maar dan ook niets, met de Hervormde Kerk hebben uit te staan !
In 1927 is toen het Voorstel van de Groote Synode wéér ingediend en door den Geref. Bond is dat Voorstel overgenomen op de ledenvergadering en een circulaire, geteekend Juni 1927, is aan de Classicale Vergaderingen gezonden, onderteekend door het Hoofdbestuur van den Geref. Bond.
Tegelijk is toen door de Classis Harderwijk een dubbele circulaire opgesteld voor , de Groote Synode èn voor wijziging der proponentsformule. Deze circulaires waren onderteekend door de predikanten : Timmer te Ermelo, Klomp te Oldebroek, van Amstel te Putten, Rappard te Barneveld, Pop te Vaassen en van Mastrigt te Harderwijk (Juni 1927).
Sinds dien tijd was de Synode wat „kopschuw" geworden. Zelfs toen zij in 1927 zelve weer een nieuwe Commissie ging benoemen, die in 1929 met een uitgewerkt voorstel kwam.
Op een buitengewone Synode, gehouden Januari 1930, werd dat Voorstel behandeld, maar naar het archief verwezen.
Dat heeft groote ontstemming gewerkt. Ook later is weer een Voorstel afgewezen. En nu is er wéér een Voorstel, dat een geheel nieuw ontwerp van Wet is — dat nu door de Synode aan de Kerk ter bespreking voorgelegd is, waarna de adviezen der Kerk bij het hoogste Kerkbestuur worden ingewacht.
Jammer dat we, hoeveel goede dingen er ook in zitten — knappe mannen hebben ernstig gepoogd goed werk te leveren ! — dit Voorstel ten slotte niet van harte kunnen steunen, omdat uit alles wel duidelijk blijkt, dat onze belijdenisschriften niet veilig zijn en wij op dezen weg niet kunnen en mogen volgen. Wat ook uit de besprekingen in de Synode wel gebleken is.
Wij verwachten, dat men van verschillende kanten nog wel met aanvullingen en veranderingen zal komen. Maar men moet van de belijdenis der Kerk afblijven, anders wordt het een fiasco.

HET BLIJVENDE IN DE BELIJDENIS (1)
Zeer zeker mag de belijdenis der Kerk in haar belijdenisgeschriften neergelegd (een andere wijze om het belijden der Kerk tot uiting te brengen dan in een belijdenis, in haar belijdenisgeschriften, is er niet !) niet boven Gods Woord worden gesteld. De Gereformeerde belijdenis herinnert zelve daaraan. (Zie b.v. Art. 7 Ned. Gel. belijdenis).
In de Roomsche Kerk hadden onze Vaderen geleerd, langs diepe wegen, dat geen enkel menschelijk geschrift boven de Heilige Schrift mocht komen staan. Dat is een beleediging voor Gods Woord en het is de ondergang voor de Kerk, die alleen maar leven kan uit het Woord, door Gods Geest. Daarom zegt Art. 7 Ned. Gel. belijdenis ook, dat geen geschriften of besluiten (decreten) van de Kerk, hoe oud die besluiten en geschriften ook zijn en al zijn ze door een „meerderheid" vastgesteld, boven Gods Woord geacht mogen worden. En de oorzaak daarvoor omschrijft de Ned. Geloofsbelijdenis als volgt : omdat alle menschen leugenachtig zijn en alleen Gods Woord waarachtig is.
De schaduw van het leugenachtige des menschen — ook van de Kerkelijke Vergaderingen, Concilies en Synoden) waar menschen vergaderd zijn — hangt dus, volgens de Gereformeerde uitspraak, boven alle belijdenisschriften !
Letterlijk lezen we in Art. 7 : „Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods, (want de waarheid is boven alles), noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten ; want alle menschen zijn, uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve".
Maar — dat wil volstrekt niet zeggen, dat daarom de belijdenisgeschriften der Kerk — en nu nemen we eenvoudigheidshalve maar de belijdenisgeschriften onzer Geref. Kerk in Nederland, dus de Drie Formulieren van Eenigheid — op „losse schroeven" staan ; en dat men er zich van af kan maken, met te zeggen : het zijn menschelijke geschriften en dus gebrekkig ; en dus leugenachtig ; en dus storen we er ons niet aan ; en dus gaan we maar eens andere en betere opstellen.
Zoo'n redeneering te volgen zou de dwaasheid gekroond zijn. Want het ligt in de natuur van de Kerk van Christus, dat zij leeft uit haar geloof en dat zij haar geloof uitspreekt in haar belijdenis, dat zij in leer-en verdedigingsgeschriften spreekt ; dat moet zij doen, wil zij Kerk des Heeren zijn op deze zondige aarde ; want dan moet zij zich verdedigen tegen leugen en dwaalleer; dan moet zij de huisgenooten des geloofs ordelijk uiteenzetten die waarheden, die God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, oan die te geloovigen met het hart en te belijden met de-n mond ; dan moet zij in menschelijke taal spreken over God, over de Schepping, over den mensch, over de zonde, over de verlossing, over den Verlosser, over den weg des heils, over de Kerk, over de Sacramenten, over de leer der laatste dingen. Dat moet de Kerk des Heeren doen ten aanhoore van vriend en vijand, en haar spraak moet haar openbaar maken. Zij mag geen „stommetje spelen". Zij moet zelve antwoord geven op de vraag van den Heere Jezus, haar Hoofd en Heiland : „Wat dunkt u van den Christus ? " Daartoe lokt Hij Zijn Kerk telkens uit, tot eere Gods, tot heil der menschen, tot zegen voor zich zelve.
En daartoe wil de Heere, die altijd Zelf geven wil, wat Hij vraagt, Zijn Kerk bekwamen en haar geven Zijn Heiligen Geest, om haar te leiden in de Waarheid, naar Zijn Woord. „Ik zal u onderwijzen", zegt de hoogste Profeet en Leeraar nog altijd. En als de Kerk des Heeren dan spreken mag, op Gods bevel en door Zijn genade, naar des Heeren Woord — gelijk de Gereformeerde Kerk van Nederland ook, Gode zij dank, gedaan heeft — dan zal een ieder tegenover die belijdenisgeschriften der Kerk de hoogste eerbied moeten koesteren en we zullen ze moeten liefhebben en eeren en gebruiken zooals God Zelf ons die in en door Zijn Kerk ons gaf. Juist omdat ze mogen zijn, — door Gods genade, die over Zijn Kerk gaat — naar den Woorde Gods. En de leugenachtige imensch, die ijdeler is dan de ijdelheid zelve, zal voorzichtig moeten zijn, dat hij met zijn ij delen en leugenachtigen geest niet verderft het goede, dat de Heilige Geest ons door Christus' Kerk geschonken heeft, als een gave van Zijn gunst en liefde, om ons en onze kinderen in verre geslachten bij de Waarheid te behouden en in de Waarheid nader te onderwijzen.
De Remonstranten in de dagen van de Dordtsche Synode wilden de kerkelijke belijdenisgeschriften (toen twee in getal : de Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37 Artikelen en de Heidelb. Catechismus in 52 Zondagsafdeelingen) zoo maar even, zonder meer, op „losse schroeven" zetten en net doen alsof er op de synodale tafel „blank papier" lag, waarop zij, de Remonstranten, nu eens zouden gaan schrijven, wat, volgens hen, de Kerk voortaan zou moeten gelooven en belijden. Maar — daar kwamen onze Gereformeerde Vaderen niet in ! Dien weg wilden zij absoluut niet op. Wat recht hadden de Remonstranten (waren dat geen leugenachtige menschen), ijdeler dan de ijdelheid zelve ? ) om de kerkelijke belijdenisgeschriften zoo maar, zonder meer, buiten werking te stellen ? Daartoe mist ieder particulier, en iedere groep of fractie (in dit geval de Remonstranten of geestverwante groep van Arminius) ten eenen male het recht. De belijdenisschriften zijn er en de belijdenisschriften blijven er net zoo lang, totdat men (maar beginnend met de belijdenisgeschriften en niet zonder dezelve) in den kerkelijken weg, op de kerkelijke vergaderingen en naar de kerkelijke instanties heeft aangetoond, bewezen en duidelijk gemaakt, dat de rechtsgeldige belijdenisgeschriften in strijd zijn met Gods Woord, waarbij Gods Woord, de Heilige Schrift, de Bijbel, rechter zal zijn en niets of niemand anders, juist omdat „alle menschen leugenaars zijn uit zich zelven en ijdeler dan de ijdelheid zelve". De „bezwaarden" eventueel mogen niet zóó ijdel zijn dat zij 't „leugenachtige" alléén maar zoeken — laten we zeggen bij de Gereformeerden, want ook zij zelf moeten onder dat oordeel door. Gods Woord alleen is waarachtig ; „daarom", zoo zegt hetzelfde Artikel 7 Ned. Geloofsbelijdenis (waarop „men" zich soms zoo ernstig beroept !) „daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt". Dat moeten Modernen, Ethischen, Confessioneelen en ook „wij. Gereformeerden", goed, heel goed weten en leeren betrachten: alleen Gods Woord mag onze rechter zijn, moet bron en regel zijn voor leer en leven, moet voor ons allen bekleed zijn met volstrekte autoriteit, om zich in dien weg te voegen en onder dat juk ons gewillig te bukken, waardoor de weg alleen maar veilig is voor óns en voor anderen !
En zoo hebben we onze belijdenisgeschriften.
Het belijden der Gereformeerde Kerk is en wordt openbaar in haar belijdenisgeschriften. En door filosofische redeneeringen met handige dansen op het slappe koord, waarbij de woorden „belijden" en „belijdenis", „belijdende Kerk" en „belijdenis Kerk" fantastisch vlug door elkaar gegooid worden, zoodat 't een gewoon mensch „groen en geel" voor z'n oogen wordt — laten wij, eenvoudige Gereformeerde menschen, ons toch niet bij de neus nemen en van de wijs brengen, want voor ons is het heel, héél gewoon, dat een belijdende Kerk in haar belijdenisgeschriften haar levende belijdenis neerlegt en tot allen binnen en buiten. de Kerk, met de hand op Gods Woord, zegt: van die belijdenisgeschriften der belijdende Kerk zult ge afblijven, wie ge ook zijt, want het is het heerlijk en heilig bezit van Christus' Kerk, die ze ons schonk naar den rijkdom Zijner belofte, bewijzende dat Hij getrouw is en met ons is, tot aan de voleinding der wereld !
In onze belijdenisgeschriften blijkt, dat de Heere bij ons is. Blijkt, dat de Kerk leeft, gelooft, spreekt. Blijkt, dat de Heilige Geest leidt in alle waarheid. Het is niet een dood ding, een stilstaand water, een moeras, een — om 't deftig te zeggen voor Barthiaan en niet-Barthiaan — statisch ding, dat dood, stil, versteend is. Neen, voor de belijdende Kerk des Heeren zijn haar belijdenisgeschriften dynamisch, levend, sprekend, getuigend, afwerend en weerleggend, onderwijzend en leerend ; ze zijn het lied des geloofs der Kerk, waarin zij haar geloofstaal laat hooren tot in wijde verten, getuigenis gevend van God, den Drieëenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest ; van God en Zijn werken, in de natuur en in de genade, in de schepping en de herscheping ; van een zondige wereld, waarvoor verlossing is ; van den geheel éénigen Verlosser, de Weg, de Waarheid en het Leven, buiten Wien geen heil is en in Wien een volkomen verlossing is ; van een zondige wereld, van een verloste wereld, van een vernieuwde wereld straks, wanneer Christus zal komen op de wolken ; van een verloren Paradijs en van een komend Paradijs.
Dat is geen dood moeras, met bedorven, dood, stinkend water, waaruit allerlei ongezonde dampen, vol benauwenis, opstijgen.
Dat is het levend geloof en het levend belijden, in een lied des geloofs
uitgezongen, waarvan het motief is : „Wij gelooven alles met het hart en belijden met den - mond, dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij God noemen" (Art. 1 Ned. Gel. belijdenis). Of wilt ge een ander motief voor 't lied des geloofs, gezongen door de Kerk in haar belijdenis : „mijn eenige troost, beide in ieven en sterven is, dat ik met lichaam en ziel, niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben. Die met Zijn dierbaar bloed voor alle mijne zonden volkomen betaald heeft en mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert. en Hem voortaan te leven van harte gewillig en bereid maakt" (Heid. Catech. Zondag 1). Is dat „statisch" of is dat „dynamisch" ? Is dat een moeras, of is dat een klare bron ? Is dat niet belijden in de belijdenis ? Is dat niet blijvend en is het niet genoeg voor leven en sterven beide ?
Zoo'n belijdenis gaf de belijdende Kerk niet in haar belijdenisgeschriften voor een tijdruimte van een paar jaar, voor een eeuw — — het is de eeuwige, rijke, levende waarheid naar Gods Woord.
(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's