KOHLBRUGGE
en de leer des heils
XIV.
Zoo wordt de mensch door God beoordeeld als onder een der beide hoofden staande. Bij het grondeloos bederf van den mensch bleef geen ander middel over, dan dat God iets nieuws schiep, een nieuwen Mensch op aarde deed verschijnen, die aan de gerechtigheid voldeed. Zijn God vertrouwde en niets anders wilde zijn dan een Zoon des menschen, die het geen roof behoefde te achten, volgens Zijn afkomst Gode evengelijk te zijn. De naam van dezen anderen mensch is Jezus Christus. Hij bleef in onzen ellendigen toestand en deed daarin, wat Adam in zijn heerlijken toestand niet gedaan heeft". (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 259).
Wat is dus de oude mensch ; wat is de nieuwe mensch ?
„De apostel verstaat (Rom. 6, Ef. 4, Kol. 5) onder den ouden mensch Adam, zooals hij van God afgeweken is, derhalve wat wij met Adam geworden zijn, denken, doen en handelen. En onder den nieuwen mensch verstaat hij Christus, en wat wij in en met Christus geworden zijn, en de vrucht des Geestes, die wij in het geloof van Christus deelachtig worden. De apostel vergelijkt deze beide menschen met kleederen, dat men de kleederen van den een uitgetrokken en die van den ander aangetrokken heeft. (Ef. 4 vs. 22, naar 't Grieksch). Dat de apostel onder den ouden mensch ondeugd verstaat, zien wij uit Ef. 4 VS. 25 ; en dat hij onder den nieuwen mensch Christus en de vrucht des Geestes verstaat, zien wij uit Rom. 13 vs. 14 en Kol. 3 vs. 12'". (Erlauternde und befestigende Fragen und Antworten zum Heidelberger Kateohismus, bladz. 154).
„Hoe verhoudt zich nu degene, die in Christus gelooft, tot deze waarheid ? Hij houdt het daarvoor, dat hij den ouden mensch afgelegd en den nieuwen mensch aangetrokken heeft. (Lehre des Heils, blz. 66).
Het moet opvallen, dat Kolhbrügge hier steeds de voltooid tegenwoordige tijd en niet de onvoltooid tegenwoordige tijd gebruikt, dus hebt aangedaan, hebt afgelegd, terwijl in de Luthersche vertaling de onvoltooid tegenwoordige tijd staat. Dat hij dat doet, heeft een bijzondere oorzaak. Bij Ef. 1 vs. 17 zegt hij : „Dat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, het ons moge gegeven hebben. Ik zeg: gegeven hebben ; want als de apostel geschreven had : Hij geve het u, zoo zou hij daarmede gezegd hebben : gij hebt 't nog niet. Wanneer hij echter schrijft: Hij moge het gegeven hebben, dan wil hij daarmede ten eerste zeggen, dat hij van den God aller genade verwacht, dat het bij de gemeente aanwezig is ; ten tweede, dat het noodzakelijk is, dat zij het heeft, omdat men zonder hetzelve niet goed staat en voor een terugvallen niet gevrijwaard is ; en ten derde schrijft hij het, opdat de gemeente zichzelf beproeve, of zij deze dingen heeft". (Licht und Recht, deel 3, blz. 62).
Met opzet gaat Kohlbrugge tot de oorspronkelijke tekst terug, en daar staat de aoristus. Er is verschil tusschen den imperatief van den aoristus en van de tegenwoordige tijd, tusschen : hebt afgelegd en legt af. De aoristus (zie Böhl, dogmatiek blz. 491 en 508) duidt een geconcentreerde, oogenblikkelijke werkzaamheid van God aan, die juist zoo oogenblikkelijk is, als het de rechtvaardiging en de roeping en daarom is ook de imperatief van den aoritus gebruikt. Hebt dus afgelegd, aangedaan of : Gij moet afgelegd hebben, gij moet aangedaan hebben, houdt het daarvoor, dat dit geschied is, en laat den ouden mensch in den dood ; evenzoo : Hebt aangedaan, laat den nieuwen mensch, dien gij reeds in de wedergeboorte aangedaan hebt, vrij baan. Ja nog meer: „Wanneer heeft dit eigenlijk plaats gevonden ? In de kruisiging en opstanding van Christus, waarin Hij alles aan God heeft wedergebracht, alles weer genezen heeft, wat, nadat wij van God afgevallen zijn, door onze schuld bedorven was". (Lehre des Heils, bladz. 66).
De vrucht van dit werk wordt de mensch deelachtig in de volkomen herschepping, die ook de wedergeboorte is. Op deze wijze verkrijgt men ook het juiste begrip voor vele andere plaatsen der Schrift, waar van een gekruisigd-, gedood-en begraven-zijn sprake is.
Wanneer dit nu het geval is, dat God ons door Christus in de volheid van Zijn genade heeft gezet, dan is de leer van het geleidelijke dooden van den ouden en het geleidelijke opstaan van den nieuwen mensch een dwaling. Want dan wordt het toch weer in onze hand gelegd, wat Christus reeds gedaan en volbracht heeft, en wij zouden maar bederven, wat Hij heeft volbracht.
„Men spreekt van het geleidelijke dooden van den ouden en het geleidelijke opstaan van den nieuwen mensch, omdat de mensch daarbij zijn eigen lust kan botvieren en toch beweren, dat hij de zonde haat, en men wil niet inzien, dat de apostel geleerd heeft, dat men den ouden mensch heeft afgelegd, dat is, dat men uit het vorige wezen en handelen der eigengerechtigheid en van alle zonde die daaruit voortkomt, is uitgenomen, en dat men in het gebied der genade is overgegaan". (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 210).
Bij deze dwaalleer gaat het niet meer om een besliste keuze, gaat het ook niet meer om de heerschappij en almacht der genade alleen, gaat het niet om waarachtige bekeering. Dan kan men zeer goed Gods geboden heimelijk en in 't openbaar overtreden, dan heeft men het leven in eigen hand, dan troost men zich met een geleidelijke verbetering, en het wordt daarbij hoe langer hoe erger. Dat is niet volgens de Schrift. De Schrift getuigt, dat de geloovige met Christus gekruisigd en opgestaan is, dat in Jezus volkomen volheid is, hij zelf dus in alle dingen genade heeft te erkennen en zich aan deze genade volkomen heeft over te geven. Uit het gekruisigd-zijn volgt door Zijn kracht het kruisigen, uit het opgestaan zijn het opstaan.
„Wel zal het menigeen welkom zijn, te lezen : Die van Christus zijn, kruisigen het vleesch met de lusten en begeerlijkheden ; inplaats van: zij hebben het vleesch gekruisigd, ook : Legt den ouden mensch af en doet den nieuwen aan, inplaats van: Gij hebt den ouden mensch afgelegd, gij hebt den nieuwen aangedaan. Wat is de vrucht van de leer van het geleidelijk kruisigen en dooden van den ouden mensch ? Gaat in de kloosters, daar kunt gij het eenigszins zien. Gaat onder de menschen, die er zoo heilig over kunnen spreken ; dan zou men zich dood weenen over zooveel geveinsdheid en huichelarij. Keert in tot u zelf, gij, die deze leer verdedigt, en 'merkt op, of gij in uw veertigste of vijftigste jaar den ouden mensch meer hebt gedood dan in uw twintigste. Inplaats van vurigheid van geest : verkouding ; inplaats van liefde en eendracht : twist en tweedracht ; inplaats van kuischheid hartstocht, hoererij en echtbreuk ; inplaats van tevredenheid met het zijne : gierigheid en woeker ; inplaats van eerlijkheid : een beurs vol geld, bloed en tranen van de weduwen en weezen. En al waart gij aan niets van dit alles schuldig. God laat zich niets wijs maken. Er kan geen rust, geen waar rusten in God zijn, waar men iets verdedigt en voorstaat, wat tegen de Schrift ingaat, en waar men in eigen hand wil houden, wat met Christus al lang uit den weg is geruimd". (20 .predicaties, gehouden in 1«46, blz. 269).
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's