De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

Van den Schepper en de afgoden.

8 minuten leestijd

Reeds herhaaldelijk werd er op gewezen, dat Calvijn telkens weer opwekt om te bedenken, dat God zich in de Heilige Schrift openbaart, zooals Hij gekend wil zijn, opdat wij in onze verwarde voorstellingen en denkbeelden scheiding zouden maken tusschen den eenigen waren God en de afgoden.
Hij wil als Schepper gekend en geëerd worden.
Het eerste, waarop Calvijn thans de aandacht vestigt, is n.l. dit, dat de Heilige Schrift ons God zoodanig voorstelt, als Hij tevoren, d. i. in den staat der rechtheid, door den mensch uit de werken der schepping werd gekend, t.w. als de Werkmeester van hemel en aarde, die ook de wereld onderhoudt en bestuurt.
De Schrift beschrijft het aangezicht Gods als in een beeld.
Inzonderheid wijst Calvijn op de openbaring van den naam Gods : Jehovah, waardoor zijn eeuwigheid en zijn onafhankelijk in zichzelf bestaan wordt uitgedrukt. Daarop wordt in Exodus 34 vs. 6 zoo met klem gewezen, zooals uit de herhaling van den Naam blijkt.
Dan volgen geen wijsgeerige bespiegelingen over het wezen Gods, maar de Schrift vertelt, hoedanig de eeuwige God jegens den mensch is, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.
Zoò wil God gekend zijn, en dat niet in begrippen, die pogen uit te drukken, wat wij daaronder willen verstaan, maar in een levendig besef, dat Hij zoo is.
Hier worden de deugden beschreven, die in het gebouw der schepping ons tegenschitteren : Zijn weldadigheid, recht en gerechtigheid.
En deze kennis noodigt tot de vreeze Gods en tot vertrouwen op Hem, opdat wij Hem zouden leeren dienen.
Het mag nog wel eens worden herhaald, dat Calvijn nog niet spreekt over de leer der verlossing.
Hij wil alleen een kort begrip geven van een algemeene leer, waartoe alle menschen geroepen en gehouden zijn.
Aangezien alle menschen God behooren te erkennen en te gehoorzamen, verwerpt de Heilige Schrift alle goden der Heidenen, Want de religie is schier door alle tijden overal tot afgoderij vervallen. Niettegenstaande, — en daar is weer zoo'n grondstelling van Calvijn, waarop hij voortdurend terugkomt —, niettegenstaande de naam van den eenigen God overal bekend en veel genoemd is geweest.
Dat maakt hij op uit de wijze, waarop ook de heidenen den naam Gods gebruikt hebben, wanneer zij zich door het natuurlijk gevoelen lieten leiden.
Toch heeft dit hen niet weerhouden van hun afgoderijen, zoodat de kennis van God hun tot een oordeel wordt, wijl zij niet te verontschuldigen zijn.
Het is niet noodig, dat wij de beschrijving van de verschillende afgoden der heidenen volgen. De zon, de maan en de sterren zijn veelvuldig aangebeden, de gestalten der afgodenbeelden werden ontleend aan dieren en menschen. Doch Calvijn wijst er op, dat het een met het ander veroordeeld is. God vergelijkt de beelden niet, alsof het minder welvoegelijk ware Hem b.v. als mensch, dan als dier af te beelden.
Het is ten eenenmale onbetamelijk God, onder welke gestalte dan ook, uit te beelden, wijl Hij; alleen van Zichzelf kan getuigen. Daarom verbiedt Hij eenige gelijkenis te maken en wordt in de Heilige Schrift voortdurend gewaarschuwd tegen zulk een doen. Jes. 40 vs. 18 ; 41 vs. 7, 29; 45 vs. 9 en 46 vs. 5; Hand. 17 vs. 29.
Bestrijding van dergelijken heidenschen beeldendienst moge in de dagen van Calvijn nog nut gehad hebben, doch zoo iets is in den modernen tijd overwonnen, zal misschien iemand opmerken.
Hoe oordeelt men dan over de verwatenheid van degenen, die het wagen God op het tooneel te brengen, hetgeen nog onbeschaamder is dan de heidensche afgoderij, en terecht verdient door de Overheden verhinderd te worden.
Daarin is niet slechts een heidensche dwaling, maar een ergerlijke goddeloosheid. Zelfs de verstandigste heidenen hebben nog begrepen, dat men den eenigen en onzienlijken God niet kan uitbeelden.
Zeer uitvoerig gaat Calvijn op de materie der afgoderij in, hetgeen ook begrijpelijk is, als wij bedenken, dat de beelden onder allerlei vorm en voorwendsel door het Pausdom worden gebruikt.
Daarom spant hij zich in om de verdedigers en voorstanders van de beelden allen grond onder de voeten weg te nemen en duidelijk te maken, dat allerlei godsdienst, die niet door instelling en getuigenis Gods geboden, maar door de menschen bedacht en uitgevonden is, verwerpelijk en als verfoeielijke afogderij moet worden afgewezen.
Daarin ligt een maatstaf ter onderscheiding, die ons ook heden ten dage dienen kan, nu wij onder de Protestanten wel niet meer de Roomsche beeldenvereering hebben te bestrijden, maar in allerlei vormen afwijking van de zuivere religie kunnen opmerken.
De genegenheid tot afgoderij is een kwaad, dat ons zeer nabij ligt, en de mensch laat zich gemakkelijk in 'haar net vangen.
Het is dan ook geen ijdelheid, als Calvijn alle soorten van afbeeldingen veroordeelt en uit het Woord aantoont, hoezeer de Heilige Geest de afgoderij vervloekt. (Psalm 115 VS. 8). Doch wij moeten bij de beelden en schilderingen niet blijven staan, alsof alleen-daarin deze zonde tot openbaring kwam.
Gemeten aan den maatstaf, welken zooeven werd genoemd, n. 1. Gods instelling en getuigenis omtrent de wijze, waarop Hij gediend wil zijn, zal niet alleen in den kerkdienst en de kerkelijke saamleving, maar ook in eigen huis en hart blijken, hoezeer wij genegen zijn tot eigenwilligen godsdienst.
En dan wordt nog niet gerept van de heidensche gebruiken en bijgeloovigheden, die in de moderne saamleving weelderig tieren als het onkruid in een verlaten hof.
Het diep verval van het geestelijk en zedelijk leven, dat gevolg werd van het verlaten van den beproefden weg des geloofs, gaat gepaard aan een herleving van het oude heidendom en neemt onder de volkeren schrikbarende afmetingen aan.
Een mengeling van heidensche gedachten met den roof van kerkelijk goed versmolten in den mystieken gloed van den modernen geest laat niet na velen in deze van haar voetstuk geslagen wereld in haar betoovering te vangen.
De mensch is een religieus wezen. Zijn verdorven hart kan den God der religie verachten en zich verre houden van Zijn Woord en Dienst, maar hij kan zijn natuur niet veranderen.
Het beeld van Athene treedt wederom te voorschijn. In allerlei vormen geeft men uiting aan zijn godsdienstigheid, terwijl de eenige en eeuwige God, evenals in de dagen van Paulus, een Onbekende is.
Wij zullen niet trachten de verschijnselen te teekenen, waaraan alle ongerechtigheid herkend kan worden, waarin het verval van het moderne cultuurleven zich afteekent.
Wie in het Woord geen vreemdeling is, weet hoe klaar ons het beeld van zulk verval wordt geteekend, hetwelk gezien wordt, als de tucht wordt vergeten en de werken des vleesches de overhand nemen. Haat, nijd, wangunst, leugen, ontucht en goddeloosheid bederven de samenleving. Geldzucht, speelzucht en genotzucht worden tot daemonische machten die de menschheid verteren.
Des Heeren Woord, door vorige generaties veracht, wordt niet meer gekend,
laat staan geëerbiedigd en hoe zou het dan zijn ten aanzien van Zijn Wet ?
Door de Wet is de kennis der zonde en wie zich een beeld wil vormen van den afval en de verdorvenheid van onzen tijd, legge den maatstaf van des Heeren geboden aan om het leven van zichzelf en de tegenwoordige wereld te toetsen.
Diep is het algemeen Christelijk bewustzijn weggezonken.
Maar, opdat wij niet stil blijven staan bij de wereld, om ons als de farizeërs aan haar te spiegelen, laat ons tot ons zelf inkeeren, zoo wij des Heeren Woord met eerbied hooren en verstaan.
Van Jeruzalem begint het oordeel en er moet ook onder hen, die van de Kerk zijn, veel afwijking en zonde zijn, als de z.g.n. Christenvolken zoozeer konden vervreemden van den eerbied voor het Woord.
Ten tijde van Ezechiël bedreven de priesters hun afgoderijen in de binnenkameren van den tempel, en het oordeel was nabij. Zoo hebben wij ook onze binnenkameren te doorzoeken om de afgoderijen na te speuren, die wij wellicht daar koesteren.
Ons huiselijk en kerkelijk leven en ook het leven in eigen kring van geloofsgenooten moge worden getoetst aan den maatstaf van Gods instelling en getuigenis voor Zijn dienst.
Wellicht hebben wij dan elkander niets te verwijten, omdat wij genoegzaam met onze eigene afgoden van doen hebben. Want zoolang wij ons zelf voor rechtvaardiger en beter houden dan onze naasten, zal er geen eind komen aan twisten en tweedracht, waardoor wij verteerd worden en de Naam des Heeren gesmaad.
Het is altoos nog gemakkelijker de uitgebeelde afgoden bij anderen te ontdekken, dan de verborgen superstitie in eigen hart.
En zoo wij de kracht van Gods Wet in eigen leven niet hebben ervaren, zullen wij ook den eisch der gehoorzaamheid niet vinden, die ons onder het oordeel der hemelsche gerechtigheid stelt.
Hoe zullen wij dan de hemelsche barmhartigheid deelachtig kunnen zijn, die roemt tegen het oordeel ?
Calvijn moest de beelden bestrijden, welke door een valsche godsdienst waren opgericht, en hij verzuimde niet op de ware religie te wijzen en ook de ingebeelde en verborgen afgoden des harten aan de kaak te stellen.
Wij hebben in ons kerkelijk leven niet zoozeer de beelden te bevechten, doch de geestelijke armoede, welke daar heerscht, begint reeds naar symbolen en liturgische nieuwigheden uit te drijven, welke de ledigheid moeten aanvullen. Ook daarin kan een godsdienstigheid openbaar worden, die met Gods gebod en instelling in strijd is en moet wordt afgewezen.
Wanneer wij zulke nieuwigheden tegenstaan uit verknochtheid aan een traditie, die vanwege haar oudheid staande moet worden gehouden, zijn wij er echter niet.
Calvijn behield uit het oude niets, omdat het oud was, maar omdat het naar het Woord was.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's