KERKELIJKE RONDSCHOUW
Het verval der Geref. Kerk na de Synode van Dordt (1)
De Synode van Dordt is gehouden in de jaren 1618 en '19. We kunnen de werkzaamheden van deze belangrijke, beroemde Synode verdeelen in twee stukken : 1. de beslissingen in zake de leer, in den strijd van de Remonstranten tegen de belijdenis ; 2. huishoudelijke zaken voor de Kerk in ons Vaderland. Het eerste deel is van nationale, maar óók van internationale beteekenis ; het tweede deel is meer beperkt tot de huishouding der Kerk in Nederland. Bij de eerste werkzaamheden zijn de buitenlandsche godgeleerden tegenwoordig geweest en hebben 'daarin een werkzaam aandeel gehad. Bij de werkzaamheden van de tweede soort waren de vreemdelingen reeds vertrokken, omdat ze met een en ander ook eigenlijk weinig of niets te maken hadden. De handelingen van de Synode, wat het eerste deel betreft, heeten: de Acta, die ook voor de buitenlanders waren. De werkzaamheden van het tweede deel der Synode-zittingen zijn opgeteekend in : de Post-Acta, welke niet zijn opgenomen in de Acta of Handelingen der Nationale Synode. C. Hooyer : Oude Kerkordeningen, 1865 ; blz. 435, 442 en 443). Vooral uit hetgeen in de Post-Acta of Na-Handelingen staat, blijkt hoezeer men zich beijverde, voortaan alle verwarringen inzake de belijdenis en de leer der Kerk, zooveel mogelijk te voorkomen en alle ketterijen te vermijden. Vandaar b.v. allerlei bepalingen voor de Academiën en het onderwijs dat daar gegeven werd door alle professoren van alle faculteiten. De Kerk meende, dat zij dat onderwijs daarmee kon beheerschen en in gewenschte richting leiden, wat al spoedig bleek onmogelijk te zijn, ook al, omdat de Overheid practisch tot de Kerk zei : „handen thuis houden".
Alle Professoren van iedere Faculteit en iedere wetenschap moesten een formulier on»derteekenen, waarin instemming betuigd werd met de rechtzinnige leer. Men moest onderteekenen de twee Formulieren van Eenigheid: de Ned. Geloofsbelijdenis in 37 art. en den Heidelb. Catechismus (het derde leergeschrtft bestond natuurlijk vóór 1618—'19 nog niet, maar moest daarna óók worden onderteekend, zoodat het toen werd : de drie Formulieren van Eenigheid, de Vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten inbegrepen).
Aan de Professoren in de Theologie werd bovendien verboden „nieuwe gevoelens voor te stellen, strijdende tegen die in de Kerk aangenomen", enz. Ook voor de Regenten en onderregenten der theologische collegiën werden (in de 175ste zitting ; zie ook de I64ste) formulieren opgesteld ter onderteekening. En men sprak het uit, dat men van geen „uitvluchten" gediend was.
Nu zien we inderdaad na de Synode van Dordt groote overeenstemming bij velen met de leer en de belijdenis der Kerk. Bij alle verschillen b.v. tusschen de Voetianen en Coccejanen, stemde men toch overeen inzake „de leer van Dordt". Maar — andere invloeden kwamen opdagen en het werd „een afloop der wateren". Het verval was spoedig groot.
De filosofische beschouwingen uit het Buitenland zijn hier geïmporteerd en het liep mis — óók al, omdat de Kerk niets te zeggen had over de Academies en dus over de opleiding van haar eigen Dienaren des Woords. De Kerk waande wel, dat zij kon voorschrijven en waken. Maar de Overheid lachte haar eenvoudig uit en liet haar praten, om zelf handelend op te treden.
Vooral de Cartesiaansche wijsbegeerte draagt hier veel schuld. „De Schriften van Descartes (1596—1650), wiens weten van twijfelen uitging, en die de rede boven de openbaring gesteld had, maakten ook hier te lande, waar hij zelf geruimen tijd verkeerd had, merkbaren opgang", zegt mr. Groen van Prinsterer in zijn „Handboek voor Vaderlandsche Geschiedenis". En dat deze rationalistische wetenschap vol twijfel ook in de Kerk van invloed was, bevestigen Ypeg en Dermout (Deel n, blz. 572). Zij vragen : Vanwaar hadden de verschijnselen van te groote vrijheid, van losheid in denken, van lichtzinnigheid, enz., waarvan men in de eerste dertig jaren na de beslissing van het verschil met de Remonstranten niets vernomen had, hun oorsprong ? En hun antwoord is : voorstanders van de Cartesiaansche wijsbegeerte hebben hier veel schuld. Ludovicus Meyer gaf n.l. in 1666 een werk uit, getiteld: „de Wijsbegeerte, de Uitlegster der Heilige Schrift". Hierin beweerde hij : „dat het goddelijk gezag der Heilige Schrift alleen door de Cartesiaansche wijsbegeerte zijne zekerheid kreeg, en dat alle waarheden van het Evangelie, ook de verborgenheden inbegrepen, aan het gezond verstand en aan de menschelijke rede — bij het licht, dat Descartes had ontstoken, niet alleen getoetst moesten worden, maar daarvan zelfs afhankelijk moesten worden gemaakt".
Wel waren er gelukkig voortreffelijke Godgeleerden, die de wacht hielden bij de verwoestende invloed, die vooral uit Frankrijk kwam opzetten, maar de kracht om daaraan weerstand te kunnen bieden, werd hoe langer hoe minder. Vandaar dat mr. Groen van Prinsterer in zijn „Handboek" zegt : „Zegenrijk voorzeker was nog de invloed eener Kerk, waarin de zaligmakende leer der Heilige Schrift met rechtzinnige nauwgezetheid voorgedragen werd, maar zij bezat de geloofskracht niet meer, welke, beter dan eenig overleg van menschelijke wijsheid, de volkeren, als ware 't door een hooger levensadem, verjongt".
„De zelfstandigheid van een volkskarakter, waarvan godsvrucht de hoofdtrek geweest was werd in de 18de eeuw op velerlei wijs ondermijnd. Overdaad en weelde, verkwisting en losbandigheid, werden algemeen. Navolging der Franschen gaf, in letteren en zeden, den toon aan". „Allengskens minder werd in Kerk en samenleving de kracht van het Evangelie bespeurd ; zoodat de godsdienst voor velen een zaak van gewoonte, sleur, verveling, en weldra van huichelarij was. Reeds begon de kiem van het Deïsme te botten in een zoo verwaarloosden akker".
Voor de leeringen van Voltaire en Rousseau in Frankrijk, zoo goed als van de Deïsten in Engeland, was de bodem hier toebereid. B. Glasius zegt in zijn „Geschiedenis der Chr. Kerk en Godsdienst in Nederland", Deel H, blz. 233, dat deze leeringen niet zoo zeer door Nederlanders, maar door buitenlanders hier zijn geïmporteerd en dat bij velen de wijsheid van Voltaire en Rousseau, en van anderen, hier „hoogst welkom" was.
Mr. Groen van Prinsterer spreekt van : „Algemeenheid der overhelling naar twijfelarij". De zegen der Hervorming, waardoor het ongeloof, zelfs in de Roomsche Kerk, eenigermate gestuit werd, was geweken voor de steeds voortwerkende kracht van 't menschelijk bederf. Rome was steeds dieper gevallen, want eiken Evangelischen zuurdeesem had 't ijverig van zich geworpen. In de Protestantsche Kerken was allengskens meer nauwgezetheid in leer dan in leven, meer berusting in verkregen uitkomsten dan ijver voor Gods Koninkrijk ; een geloof op overlevering, méér dan uit overtuiging, geweest. Zij waren, nadat ze door de kennis des Heeren en Zaligmakers Jezus Christus, de besmettingen der wereld ontvloden waren, in dezelve wederom gewikkeld: het was te voorzien, dat óok voor haar het laatste erger dan het eerste zou zijn. (2 Petrus 2 vers 20). (Handboek : Deel II, blz. 724).
Zoo kregen we de toestand, dat 't ongeloof, dat bij de rechtzinnigen maar al te veel werd gevonden, den strijd niet kon voeren tegen het ongeloof dat van buiten kwam en openlijk optrad met verwerping van alle tradities, van alle gezag, ja met verwerping van God Zelf. Hierdoor ontstond eenerzijds een drijven van allerlei ongoddelijke leeringen, en anderzijds een zich terug trekken van degenen, die de vreeze Gods mochten kennen, in kleinere samenkomsten, die mystiek gekleurd waren.
Officieel wilde men meer en meer een anderen kant uit dan onze Gereformeerde Vaderen op de Synode gegaan waren. En natuurlijk werd ook toen .gezegd, dat men wilde verbeteren wat Dordt geleerd had. Zoo beweerde b.v. ds. Anthony van der Os in een preek (Nov. 1752) : dat de H. Schrift de eenige geloofsregel was, en dat de Dordtsche Vaderen geenszins bedoeld hadden, dat hunne uitspraken onveranderlijk zouden blijven, maar dat zij, integendeel, het aan een tateren, meer verlichten tijd, hadden overgelaten, om — hierin die verbeteringen aan te brengen, die noodig mochten bevonden worden" (Glasius). Toen deze dominé — na verweer van de Classis Zwolle — was afgezet, ging hij naar de Doopsgezind-Remonstrantsche gemeente te Beverwijk en werd later Doopsgezind predikant te Oost-Zaandam.
Anderzijds kreeg men „geestelijke bewegingen" als b.v. te Nijkerk, waar ds. Gerardus Kuypers stond (Nov. 1745). Glasius schrijft daarvan: „Luide werd er onder de godsdienstoefening geschreid, gekermd en gejammerd. Sommigen verloren hun bewustzijn, en de kerk was inderdaad eene plaats van ergerlijke tooneelen. Eene geheele menigte was verontrust over hare zaligheid".
Verschillend is deze aangelegenheid beoordeeld (Ypey en Dermout spreken er b.v. veel bezadigder over dan. Glasius), maar in de Kerk ging het niet goed. En eindelijk kwam de lang voorbereide uitbarsting der Revolutie in Frankrijk en de haat tegen God en Zijn heilige instellingen uitte zich in waarzinnige woede. Lodewijk XVI werd onthoofd (21 Jan.) ; de christelijke godsdienst werd in Frankrijk afgeschaft (7 Nov.) ; de dienst der Rede werd ingesteld (10 Nov.) ; de christelijke jaartelling werd veranderd (24 Nov; ). De geesten uit den afgrond voerden heerschappij. En ook hier in Nederland nam de loochening van de Waarheid naar de Schriften toe in kracht. Hoe langer hoe meer werd de leer van Dordt bespottelijk gemaakt. (Groen : Handboek, II, blz. 840—'42). De invloed van mannen als Ernesti, Michaëlis, Semler e. a. nam toe. Het Teylers Genootschap proclameerde de Rede en den Bijbel in nieuwerwetschen zin, tot gidsen. In Romans als : Sara Burgerhart en Willem Levend, alsook in tal van tijdschriften werd, zelfs door leeraars der Kerk, de belijdenis der Kerk en de leer der Reformatie aangevallen en bespot en bestreden.
Wel waren er nog verdedigers als: Klinkenberg, De Haas, Van Alphen, Bonnet, Hinlopen e.a., maar ook zij waren niet vrij van allerlei verkeerde invloeden. Mr. Groen van Prinsterer zegt dan ook : „Veeltijds was de tegenspraak flauw ; in vorm en toon, alsof het om een wetenschappelijk vraagstuk en niet om den toetssteen der zaligheid te doen was". „Menigmaal was de handhaving zelve der waarheden van droevige inmengselen niet vrij".
Algemeene verdraagzaamheid en menschenliefde wilde men. De leer, door Lessing in zijn tooneelstuk : Nathan der Weise gepredikt, waarbij alle godsdiensten ongeveer van gelijke waarde werden geacht en waarbij het ging om een humanistisch zedelijk leven zonder dogmatische leerstukken, was bij velen geliefd.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's