De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

6 minuten leestijd

Het Woord des Heeren is vol teekening. De werkelijkheid van al het wereldgebeuren kan nooit in treffender bewoording ons worden voorgelegd, dan hier geschiedt.
Lezen wij hier niet : „elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad" ? De eene rampspoed is er nauwelijks geweest of de volgende meldt zich. Het eene onheil is pas wereldkundig gemaakt, of iets wat nog erger is staat ons te wachten. Wanneer dit alles in één greep mag saamgevat, zou het zijn in dit woord : heel de wereld is vol ergernis.
En nu denkt ge onwillekeurig aan wat de Heiland hieromtrent reeds opmerkt : „het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen, doch wee den mensch, door wien zij komen". Het kwade komt, doch kan nooit worden geboekt op den naam van den Schepper, alleen op dien van het schepsel. De zonde, die in hem woont, roept dit alles te voorschijn. Waar de mensch Gode de heerschappij betwistte en Satan toeviel, werd deze wantoestand ingeluid: „hatelijk en elkander hatende". Ergernis wordt op ergernis gestapeld. Van den mensch als zoodanig is niet veel anders te wachten. Vandaar is het zoo volkomen naar waarheid, wanneer iemand het kwaad op deze wereld alzoo omschreef: ging er geen breidelend ver­ mogen uit van den Genadevolle in den hemel, de wereldbrand verteerde de laatste rest. 't Is dan ook Zijn sparende goedheid, dat wij er zijn, en om geen andere oorzaak, dat wij nog op zooveel goeds mogen wijzen.
Doch, waar de mensch, de zondige mensch, het kwaad als gevolg van zijn eigen verkeerdheid heeft aan te merken, zou de gedachte voor de hand liggen, dat hij wat God doet en deed in dezen als de hoogste wijsheid moest aanprijzen aan heel de wereld.
Is dat nu ook zoo ?
Veeleer het tegenovergestelde. Neemt hij ergernis omtrent wat hij opmerkt bij het schepsel — Gods bemoeienissen, Zijn genadeblijken, wekken zijn ergernis in de allerhoogste mate.
Wij behoeven slechts één voorbeeld aan te wijzen. Heeft iemand ooit zooveel ergernis gewekt als de Persoon en de arbeid van Christus ? Werd ooit de wereld zóó tot een kluwen saamgewoeld, als toen de Allerhoogste Zich aan haar voorstelde als de eenige Redder en Behouder in den Persoon van Christus ?
Noemt Hem niet de Apostel Paulus „een steen des aanstoots en een rots der ergernis"?
Ja, het moet met weemoed worden beleden, dat zelfs de eigen discipelen des Heeren, toen Hij sprak van de noodzakelijkheid van het kruislijden, zich van Hem afkeerden in ergernis. En spraken niet Zijn goddelijke lippen, vóór Hij het Kedrondal doorging : „in dezen nacht zult gij allen aan Mij geërgerd worden".
Alle ergernis van heel de wereld verbleekt tegen de ergernis, welke zich ophoogt tegen den Gezegenden des Heeren. Legt de mensch het tegen den mensch af in zijn oordeel. God de Heere nog oneindig veel meer.
En toch, hoe wonderlijk het ook schijne, schuilt in dit laatste een aanbiddelijk geheim. Wat hier de diepste ergernis wekte, vormt in den hemel de hoogste aanbidding. Of lezen wij niet in het laatste Bijbelboek, dat der verlosten lippen niet moede worden, altijd maar weer in te zetten dat hemelsche loflied : Gij hebt ons Gode gekocht door Uw bloed.
Het kruis der ergernis is de kroon der heerlijkheid.
De Apostel Paulus, wiens oogen door de genade Gods hiervoor geopend waren, giet het dan ook in dezen vorm : „want nademaal in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zoo heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken, die gelooven. Overmits de Joden een teeken begeeren en de Grieken wijsheid zoeken. Doch wij prediken Christus den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis en den Grieken een dwaasheid. Maar hun, die geroepen zijn, beide Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.
Deze prediking wenschen wij uit te dragen, én hier èn aan de einden der wereld. Onthoude de God van velerlei genade daaraan Zijn zegen geen moment. Zegene Hij onzen arbeid ook in dezen.
Leggen wij u thans over, wat wij heden ontvangen mochten. Het weinige wordt dan veel en het kleinste groot.
1. De eerste post kwam van een. collega, die mij de contributie zond voor dit jaar, n.l. ds. v. d. D. te M. De contributie bedroeg ƒ 1.50
Mijn vriendelijken dank in dezen.
2. De heer Th. A. Faber, te Ooster-Nijkerk, zond mij den inhoud van zijn busje, zijnde „11-40
Deze vriend heeft al lange jaren deze zorg voor zijn rekening genomen. Uit de boeken blijkt, met hoeveel accuratesse zulks door hem is gedaan. Voor deze ondubbelzinnige blijken van medeleven betuigen wij onzen oprechten dank.
3. De Penningmeester van de afd. te De Bilt zond mij de collecte, gehouden aldaar bij een spreekbeurt, waarbij ds. Bout, van Delfshaven, voorging.
De collecte bedroeg precies „20.— Mogen wij de Biltsche vrienden hartelijk dank zeggen, evenals den spreker.
4. Uit eigen Gemeente ontvangen wij gedurig giften voor allerlei doeleinden, doch die in den grond een en hetzelfde beoogen, n. 1. het Evangelie van Gods rijke genade te verbreiden en in onze naaste omgeving èn aan de einden der aarde.
Door lichamelijke zwakheid is deze vriend niet meer in staat op te gaan onder de prediking des Woords. Vandaar dat de weg thans is afgesloten om zijn gaven in de collectezak te doen. Zoodoende werden zij mij persoonlijk ter hand gesteld. Onder letters N. N. mocht ik thans verantwoorden :
17.50 voor de beide fondsen Gereformeerden Bond „ 17.50 17.50 voor den Medischen Dienst ; 17.50 voor den Geref. Zend. Bond ; 17.50 voor de Armen der Diaconie.
Gelijk wij persoonlijk onze oprechte dank reeds hebben betuigd, doen wij het nogmaals ook thans.
5. De Penningmeester van de afd. te Rhenen zond mij de inhoud van zijn busje. Deze bedroeg / 9.38. Waarvoor ik hem, evenals de vrienden aldaar, hartelijk dank weet „ 9.38
6. Van onzen vriend ds. Koolhaas te Charlois kreeg ik op mijn giro f 3.25, wat hij ontvangen mocht van bevriende zijde, n; l. van N.N. kreeg hij 150 halve centen en van de R. een rijksdaalder. Alzoo tezamen „ 3.25
Een enkel lettertje had onze vriend er zelf aan toegevoegd. Hij schreef : „dit zal wel het laatste bedrag zijn, dat ik uit Charlois zend". Wij voelen hierin het afscheid van een kring, waaraan hij zich met teedere banden verbonden voelde.
Zij de Heere hem en de Charloische vrienden bizonderlijk nabij, niet alleen in deze dagen, doch evenzoo in de toekomst.
7. Door mej. B. te L. werd ten mijnen huize afgegeven voor den Medischen Dienst een rijksdaalder. Ik betuig op deze plaats mijn vriendelijken dank.
8. De kerkeraad te Ridderkerk zorgde ditmaal voor de sluitpost, welke mij zeer welkom was. Onder den dienst, geleid door ds. Kleijne, van Oud-Beijerland, werd gecollecteerd de som van „ 56.74 waarvoor ik hoogst erkentelijk ben. Uit de aanteekening op het girobiljet begreep ik dat het bedoeld was als terugslaande op de intrede aldaar door ds. V. d. Boogert.
Wij verheugen ons in het feit, dat waar de Ridderkerksche gemeente langen tijd heeft uitgezien naar de komst van een eigen Herder en Leeraar, hierin thans dubbel werd voorzien. Geve de Heere hierover een dubbelen zegen. Wij verblijden ons eveneens in het meeleven met onzen arbeid.
Opgeteld is de som van wat inkwam voor onze fondsen
f 119.77
utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's