RONDOM DE LEESTAFEL
KONINGEN VAN ISRAELS GOD GEGEVEN. Saul, David en Salomo, door I. Snoek. Uitgave J. H. Kok, Kampen.
Wij hebben telkens het genoegen den heer Snoek even te ontmoeten bij de examens van den Schoolraad, waar hij altijd bijbelsche aardrijkskunde en oudheidkunde examineert en wij voor geloofsleer zijn aangewezen. Wij hebben hooge bewondering voor dezen onderwijs-man. Want als we de lijst van zijn boeken overzien en dan telkens lezen, dat er weer een boek van zijn hand verschijnt, voelen we, dat we hier te doen hebben met een man, die stil z'n weg gaat, maar intusschen ijverig studeert en hard werkt, een wondere passie heeft om allen die in onze scholen, maar ook verder allen die in het vereenigingsleven, of ook in het gezinsleven, met de Schrift omgaan, meerdere kennis bij te brengen in betrekking tot het beschreven Woord van God en de heilige geschiedenis. Want ja, het Woord Gods is helder en duidelijk, het is een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad, maar dat wil volstrekt niet zeggen, dat we ons dan niet met inspanning van alle krachten op de hoogte moeten stellen van allerlei bijzonderheden rakende den tijd waarin de Schrift ons verplaatst of van allerlei gebeurtenissen, die zich in de oudheid hebben afgespeeld enz. En ziet, wat dat betreft leven we in een tijd, dat we den Heere niet genoeg dankbaar kunnen zijn voor de „inlichtingsdienst" die Hij in deze besteld heeft voor onze dagen, waarin wij leven. Wat wordt er veel nagezocht, blootgelegd, ontdekt, toegelicht, verklaard en verduidelijkt — waarvoor vroeger het materiaal ontbrak en de middelen en de wegen niet bestonden. Een van de mannen van de populaire wetenschap in deze is de heer I. Snoek. En als we dan hier van „populair"' spreken in verband met „wetenschap" bedoelen we allerminst, dat de heer Snoek er maar wat van maakt; want het tegendeel is waar. Hier is een wel gefundeerde studie, waarbij ontzaglijk veel is verwerkt, maar het wordt dan zóó gedaan, dat de menschen, voor wie het bestemd is, het ook uitnemend gebruiken kunnen, om het zich voor hun arbeid in en buiten de school te benutten.
Wij denken aan de Leerboeken der Heilige Geschiedenis (een meer uitgebreid en een meer beknopt, voor het Mulo-onderwijs, voor cursus en ook voor onze vereenigingen zoo uitnemend geschikt, ook voor studenten in de theologie en voor dominees!) Dan is er het boekje: lijnen en feiten uit de Heilige Geschiedenis (b.v. voor het examen van den Schoolraad). Verder de Handboeken:1. Van Adam tot Mozes ; 2. Koningen, van Israels God gegeven ; 3. In Bethlehem en in Nazareth ( Geboorte-en Jeugdgeschiedenis van den Heere Jezus) ; 4. De Lijdensgeschiedenissen ; 5. De Handelingen der Apostelen. Dan zijn er nog tal van kleinere boekjes, Atlasjes, leerboekjes enz.
Wij wijzen hier nu extra op het pas verschenen boek (2de deel van de Handboeken) : Koningen, van Israels God gegeven. Het handelt over de Koningen Saul, David en Salomo. Saul is gegeven als de anti-theocratische koning ; op aandrang van het volk; in Gods toom; Israël ten straf. David is gegeven als de theocratische koning ; in Gods gunst; als de strijder van de oorlogen des Heeren ; als de verwinnaar van de vijanden van Gods volk; als de brenger van éénheid, vrijheid en godsvrucht. Salomo is gegeven als de vorst, in wien het aardsche Koningschap van Israël zijn glanspunt bereikt — maar ook als de vorst, wiens tekortkomingen roepen om de komst Tan den Grooten Davids zoon.
Naar dit schema is dit boek van 582 bladzijden opgesteld en ingedeeld.
Wij bevelen dit boek, dat zoo rijk aan inhoud is en door Kok te Kampen keurig uitgegeven gaarne heel hartelijk aan. Dat is weer een boek, waaraan we wat hebben, als het ijverig gebruikt wordt.
HET REORGANISATIE-ONTWERP 1937.
Een Kerk op Artikel 8 ; door prof. dr. J. Severijn. Uitg.: Kemink & Zn., Utrecht.
Deze brochure is niet goedkoop ; 24 blz. groot, is de prijs ƒ O.60 ; dat is duur. Temeer, waar het een boekje is, dat maar heel, heel gewoon uitgegeven is. Maar men kan niet ontkennen, dat het boekje actueel is. Het gaat over „het onderwerp van den dag" : Het Reorganisatie-Ontwerp 1937, dat nu door de buitengewone Synode bij eerste lezing is aangenomen en aan de Classicale Vergaderingen zal worden voorgelegd ter bespreking, om dan een advies toe te zenden aan de Synode, die in Juli—^Augustus zal vergaderen en dan zal hebben te beslissen, of het Voorstel zal worden aangenomen óf verworpen. Die Synode van Juli—Aug. zal er iets anders uitzien dan de (buitengewone) Synode van Januari j.l. En het is volstrekt niet te zeggen, of dezelfde leden (10 in aantal), die in Januari hebben vóór gestemd, bij tweede lezing óók zullen vóór stemmen. Bij de eerste behandeling in Januari was het al bijna '9 voor en 10 tegen, of beter gezegd misschien:8 voor en 11 tegen ; maar ook onder die 8 waren er, die het alléén deden om het Ontwerp althans aan de Kerk ter bespreking voor te leggen, wat ook ons standpunt is geweest: iet aanstonds, zonder meer, naar de prullenmand, maar althans de Kerk gelegenheid geven om over deze belangrijke zaak te kunnen samenspreken, vóór én.op de Classicale Vergaderingen. Iets waar we dan nu aan toe zijn.
Daarom is deze brochure van prof. Severijn aan de orde nu. Het oordeel van den schrijver is afwijzend; vooral om de onduidelijkheid en de dubbelslachtigheid van het accoord tusschen Kerkopbouw en Kerkherstel, voor hem een onmogelijke mogelijkheid, die uitgebakerd is. Vooral Artikel 8 wordt hier dan genoemd (gelijk ook op het titelblad staat). Het zwaartepunt van het reorganisatie-ontwerp schuilt in Art. 8, waarbij men met name punt 6 niet uit het oog mag verliezen" (blz. 3). Jammer, dat de schrijver hier een en andermaal spreekt van het Hervormd Genootschap (blz. 1) en het Hervormde Genootschap (blz. 5) enz. Dat lezen we niet graag. Maar zijn bezwaar is (blz. 8 en 9) : het Ontwerp 1937 brengt geen herstel van de Gereformeerde Kerk en bedoelt dit ook niet te brengen. En dat zit dan vooral in de woorden van Artikel 8, al. 5 „de zorg voor hare belijdenis door hervorming en handhaving". Eerst was het (1986) „de zorg voor en de handhaving van hare belijdenis". Nu is er by gekomen : de zorg voor hare belijdenis door hervorming en handhaving. Men acht dat een verbetering, maar — aldus de schrijver — wij vinden dit een verslechtering. Wel is nog een poging gewaagd om „handhaving" vóór „hervorming"' te plaatsen, maar het is niet doorgegaan. Eerst: hervorming, en dan: handhaving ! „De Kerk, die hare loopbaan als „belijdende Kerk" opnieuw gaat beginnen, moet van dat nieuwe begin af hervorming aan handhaving der belijdenis paren" schrijft men. Hiertegenover stelt prof. Severijn zijn bezwaren (en spreekt hier weer van „het Hervormd Genootschap", blz. 10).
„Het is natuurlijk tegenover belijdende menschen", zegt prof. Severijn, „volmaakt overbodig er op te wijzen, dat de belijdenisschriften niet op èèn lijn staan met Gods heilig en onveranderlijk Woord. Ze kennen art. 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis. Tegen „herziening" zullen zij dan ook, mits de omstandigheden zulks wettigen en opgevat in den zin als de Gereformeerde Synoden dat hebben gedaan, geen bezwaar maken" (blz. 11). Maar wat hier bedoeld wordt is iets anders en is bedenkelijk te achten. Men wil hier blijkbaar een bestendige hervorming, een altijd voortgaande hervorming, waarbij prof. Severijn dan spreekt van een „vlottende" belijdenis van een Reformeerende Kerk (niet: Gereformeerde Kerk, maar Reformeerende Kerk, d.i. een Kerk die eigenlijk niets anders doet dan aldoor reformeeren of hervormen). Een altoos noodzakelijke hervorming, vormvernieuwing der belijdenis, waarbij het zéér de vraag is, of het tot „de vorme zal beperkt blijven wat men „hervorming" noemt. „Het is moeilijk denkbaar, dat de voorgestelde hervorming niet het merg van de Gereformeerde Geloofsbelijdenis zal aantasten" (blz. 11). En dat men uitdrukkingen gebruikt als „ergerlijk-absolute-kanten" moet zelfs onrustbarend werken op hen, die herstel van „de Gereformeerde Kerk nastreven" (blz. 11.) Een vlottende belijdenis in de sfeer der betrekkelijkheid zal ruimte voor verscheidenheid geven (blz. 12). Wel zegt men „dat beteekent niet, dat er dus „leervrijheid" moet kunnen blijven, tot de oude belijdenisschriften en liturgische formulieren zóó zullen zijn „hervormd", dat alle ergerlijk-absolute kanten er afgeslagen zijn" - maar het schijnt toch, alsof men de richting uit wil met „een blijvende noodzakelijkheid van hervorming der belijdenis", naar een belijdende Kerk, die eerst recht belijdend is, wanneer zij voortdurend haar belijdenis reformeert" (blz. 12). Men krijgt zoo „een perpetuum mobile der belijdenis, waaraan niets te handhaven valt dan het mobile". „Handhaving der belijdenis is handhaving van de hervorming der belijdenis". En wie moet dat proces leiden ? „Het is heusch niet vreemd, dat men aan leervrijheid hier denkt". Uit de openbaring komt voor ons niet voort de eisch eener vlottende betrekkelijkheid der belijdenis, die met de gereformeerde belijdenis weinig of niets heeft te maken ! Wordt er hier bedoeld „dat er ergerlijk-absolute kanten aan de Drie Formulieren van Eenigheid zijn, en dat die alle allengs moeten worden weggewerkt" ? Dan behoeft men werkelijk niet te vragen, wat er van de nationale belijdenis zal overblijven ! Wil men de oude vorm als een historisch monument laten liggen, om. dan met een nieuw belijden verder te gaan ? (blz. 13). Dan is het raadsel der „hervorming" in zooverre opgelost. „Bedenkt men voorts, dat het conglomeraat van richtingen en meeningen, hetwelk Nederlandsch-Hervormde Kerk heet, den nieuwen vorm moet uitvinden en bepalen, dan ligt het voor de hand, dat de kanten er af en de leervrijheid tamelijk ruim zullen zijn" (blz. 13). „Het belooft dan een geheel nieuw type van Kerk te worden, niet gereformeerd, zelfs niet néo-gereformeerd, maar door en door hervormd" naar nieuw model. „Dat is heel iets anders, dan vele Kerkherstellers zullen hebben bedoeld, die uitgingen naar een Kerk, welke zich openbaart overeenkomstig het beeld, dat de belijdenis voorstelt. Herstel beteekent la gewoon Hollandsch: in zijn vorigen toestand terugbrengen". Maar men gaat inderdaad hier iets anders doen. „De Kerk wordt met fundament en al op een vlot gezet, om, als een ark op het water aan de stormen van den tijd te worden prijsgegeven" (blz. 13). „Wie op herstel der Geref. Kerk hoopt, zij dus op zijn hoede voor de reorganisatie, welke in het Ontwerp 1937 wordt voorgesteld" (blz. 14).
Maar wij mogen niet voortgaan, om deze brochure verder zoo breed te citeeren. Het is een boekje dat nu „aan de orde van den dag" is. En men aal goed doen — ook al zou men het hier en daar met den schrijver niet zoo heelemaal eens zijn — van dit boekje kennis te nemen. „Hervorming der belijdenis en der liturgische formulieren, men gevoelt het wel, is ten slotte een arbeid, die uit de belijdende Kerk moet opkomen en door haar levend geloof moet worden geleid en bepaald". En daarop laat de schrijver dan volgen (blz. 18) : „Omtrent de vraag, tot welk resultaat een vrije en zelfstandige beslissing der Kerk omtrent de hoofdvraag n.l. de belijdenis voeren zou, verkeert niemand in het onzekere. Het zou blijken, dat zulk een uitspraak drieërlei geest zou openbaren : Daar zou een groep zijn, die de nationale belijdenis, zooals die daar ligt in de formulieren, als accoord van geloof en kerkelijke gemeenschap zouden wenschen gehandhaafd te zien. Een andere groep zou onomwonden uitspreken, dat zij zich daarin niet kunnen en willen vinden. Een derde groep zou het radicale standpunt van de twee genoemden afwijzen en een gemengd oordeel geven „Op deze middenstof moet het Ontwerp drijven, gelijk het ook uit haar is opgekomen. Doch juist zij is^ het meest een conglomeraat van meeningen, waarin zoovele factoren werkzaam zijn, die de gewaande eensgezindheid zullen verstoren, dat het een waagstuk wordt ze te ontbinden" (blz. 18). „Men wil een belijdende Kerk maken om te komen tot hervorming van de belijdenis enz." „Voorstellen van de zijde van Kerkopbouw ademen doorgaans den geest van Schleiermache r". (blz. 19). Eti verder : „Barth en Schleiermacher reiken elkander de hand" (blz. , 20). Sedert 1811 is de belijdenis ongerept bewaard gebleven. Dat is niet meer het geval, indien het Ontwerp wordt aangenomen, dan moet van meetaf begonnen worden aan de hervorming (blz. 20). „Voor de gereformeerde belijders in den classieken geest geldt het een levensbelang. Het gaat om hun bestaansmogelijkheid in de Hervormde Kerk". „Voor de gereformeerde gezindheid is in het instituut van dit type geen plaats meer. Het is al te zeer „hervormd" (blz. 24).
Maar — nu zijn we weer aan 't citeeren gegaan.
Men leze deze brochure zelf. Daarvoor is zij ook trouwens geschreven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's