De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

ALEXANDER COMRIE

7 minuten leestijd

Een Calvinist in een niet- Calvinistische eeuw.
IV (Slot).

Heel zijn leven heeft Comrie gestaan onder den invloed van de Engelsche en Schotsche godgeleerden, die reeds vroeg een stempel op hem gezet hadden. Hun streng gereformeerde leer was bij hem vleesch en bloed geworden, zoodat hij alle ketterijen, die van Pelagius via Arminius waren teruggekeerd, onverbiddelijk afwees en heftig bestreed. Hoewel hij gaarne sprak over de beginselvastheid van zijn vaderlandsche theologen, — toch was hij eerlijk en objectief genoeg, om te erkennen, dat niet alles bij hen den toets der zuiverheid kon doorstaan. Zoo oordeelde hij, dat men de Engelsche boeken van vóór 1634 tamelijk veilig lezen kon, terwijl hij onomwonden uitsprak, dat men bij latere voorzichtigheid in acht nemen moest.
Met betrekking tot de binnenlandsche geschillen (Voetius-Coccejus) toonde Comrie zich zeer gematigd. Wanneer er in de hoofdzaken van de leer maar overeenstemming bestond, dan was hij tot de grootste inschikkelijkheid bereid.
Comrie was zeer belezen. Verschillende staaltjes zouden daarvan te geven zijn. Hij citeert o.a. uit de werken van : Augustinus, Luther, Calvijn, Boston, Voetius, Maccovius, Amesius, Rivetus, Trigland, Witsius, Van Lodestein, a Mark en Vitringa. Ook was hij op de hoogte van de Patres en de publicaties van vele tegenstanders der gereformeerde beginselen.
Nauwgezet heeft Comrie de geheele dogmatiek bestudeerd. Over enkele leerstellige kwesties een korte opmerking.
Gelijk in onze dagen nóg het geval is, heerschte er ook in Comrie's tijd verschil van meening over de volgorde van wedergeboorte, roeping, bekeering en geloof. Comrie leerde, dat de eerste daad, die God aan een mensch verricht, de wedergeboorte is. Zij is een nieuwe schepping van God uit den hemel, gewerkt door den Heiligen Geest. Van de onderstelling, dat de Heilige Geest reeds iets in den mensch zou kunnen aantreffen, hetwelk op eenige voorbereiding zou gelijken, wil Comrie niets weten. De wedergeboorte is onmiddellijk gewrocht Gods. Uit ons, die in zonde ontvangen en geboren zijn, kan niets goeds voortkomen. Daarom is, volgens hem, de wedergeboorte ook geen verbetering van de oude natuur des menschen ; maar nieuwe krachten storten een zondig mensch nieuwe hoedanigheden in.
Om sommige lezers niet met een te ingewikkeld citaat tusschen den tekst te vermoeien, geven wij als noot een passage, die Comrie's gedachten in dit opzicht goed vertolkt. ^)
Tegelijk met de wedergeboorte, zegt Comrie, schenkt de Heilige Geest het geloof, dat geen daad, maar een hebbelijkheid is. Deze opvatting meent hij te kunnen staven met de Nederlandsche geloofsbelijdenis ; den Catechismus ; de Artikelen tegen de Remonstranten en de Geloofsbelijdenis van Westminster. Door de werking van den Hpiligen Geest komt het geloof tot actieve kracht : niet plotseling, maar procesmatig. In de hebbelijkheid des geloofs, zoo betoogt Comrie, zitten de kennis en het vertrouwen, doch uit de kiem groeit mettertijd een geloof van daden en activiteit. Vanuit Comrie's gezichtspunt gezien, hebben dus ook de uitverkoren kinderen, die vroeg sterven, bedoelde hebbelijkheid des geloofs ontvangen.
Ook is door Comrie de „rechtvaardigmaking van eeuwigheid" streng vol-en vastgehouden tegenover hen, die daarover liever niet spreken willen (b.v. d Brakel), want, zei Comrie : „Godt in de Praedestinatie beschouwt de Uitverkoorne zonder eenige zeedelyke hoedaanigheit, het zy goet ofte kwaat". De rechtvaardigmaking geschiedt niet uit eenigerlei verdienste van 's menschen kant, maar uitsluitend, omdat God haar in Christus in Zijn Raad heeft voorgenomen.
Overigens heeft Comrie enkele leeringen voorgedragen, die afwijken van het algemeen gevoelen. Hij leerde, dat in het besluit der praedestinatie niet alleen begrepen zijn de uitverkoren engelen en menschen, maar ook de „Man Christus", met Wien de Zoon Zich in den tijd vereenigen zou. Men kan hierover lezen in de zevende samenspraak van het Examen.
Deze opvatting heeft men van de hand gewezen, omdat zij in haar consekwentie leiden zou tot de stelling, dat Christus óók vleesch zou geworden zijn, als Adam niet gevallen was. Maken wij echter onderscheid tusschen vleesch-en
menschwording, dan is er o.i. al veel van het geopperd bezwaar vervallen. In ieder geval is Comrie's gevoelen een nadere bestudeering meer dan waard.
Dit is ook niet overbodig inzake zijn meening over de praedestinatie, waarin hij eveneens van tijdgenooten en tegenwoordige theologen verschilt. Hij redeneerde als volgt. De Heere besluit een menschheid te scheppen. Uit de niet-gevallen menschheid verkiest Hij een deel tot hooger heerlijkheid. Waarvoor Christus' bemiddeling van noode is. Door Christus als „Middelaar der vereeniginge" zou deze uitverkiezing in den staat der rechtheid tot stand gekomen zijn. Nu echter de val tusschenbeide getreden is, verdient het de voorkeur, te spreken van den „Middelaar der Verzoeninge". De verkiezing van niet-gevallen menschen is een „verkiezing uit genade tot heerlijkheid" ; die van den wèl-gevallen mensch eene „uit barmhartigheid tot zalig­heid". Van een praedestinatie tot de eeuwige verdoemenis wil Comrie niet weten. Natuurlijk wel van het feit eener eeuwige verwerping.
Het ligt niet op onzen weg, Comrie's opvattingen in dezen te verdedigen. Zonder meer hem bestrijden, willen wij evenwel ook niet. Veeleer verdienen zijn beschouwingen onze aandacht en vragen deskundige theologische beschouwing. Want het is o.i. nog een vraag, of bij Comrie hier de philosophie de theologie ter deure uitgebannen heeft, gelijk niet geheel bevredigend is opgemerkt.
Ten slotte nog iets over Comrie's strijd en bestrijding.
Dat een Calvinist als hij door verdedigers van ongereformeerde stellingen zou worden bestookt, laat zich gemakkelijk begrijpen. De wijsbegeerte van Cartesius liet niet na, ook het kerkelijk leven en de zuivere leer aan te tasten. En daartegen nam Comrie stelling.
Met name het Examen, dat hij met zijn vriend Holtius schreef, bedoelde een aanklacht te zijn tegen de Kerk en de leer van dien tijd. Verdraagzaamheid en nivelleering overschreden de perken van hetgeen geoorloofd en toelaatbaar was. In het vorig artikel gaven wij reeds in het kort den inhoud van dit werk aan. Hoewel het de bedoeling was, dat er nog belangrijke onderwerpen aan de orde zouden komen, is de uitgave gestaakt, nadat tien samenspraken het licht hadden gezien. De oorzaak hiervan ligt in het feit, dat de breede voorrede op de laatst verschenen samenspraak uitvoerig verschillende afwijkingen en beschuldigingen van den juist overleden prof. Van den Honert aan de kaak stelde en weerlegde. Op verzoek van diens weduwe, Johanna van Loosen, richtten de curatoren der Leidsche Universiteit zich tot de Staten van Holland, met de bede, de publicatie te doen staken. Weldra verboden de Staten Comrie en Holtius het verder schrijven.
In welk een beklagenswaardigen toestand de Kerk in haar afhankelijkheid van de Overheid zich toen reeds bevond, wordt door deze gebeurtenis heel duidelijk geïllustreerd.
Het is echter als een zegen des Heeren te beschouwen, dat Hij Comrie gegeven heeft in een tijd, waarin de theologie als wetenschap en ware kennis Gods slechts spaarzaam werd gevonden. Al valt er in sommige opzichten bij Comrie een en ander te betreuren, hij is een Calvinist geweest in den besten zin van het woord.
D.
d. Z.


1) Wy stellen, dat in die eige ziels vermogens, die wy van Godt in de Scheppinge ontfangen hebben, by de wedergeboorte, door Gods almachtige kracht, in ons onwederstandelyk indringende, om ons te wederbaaren, Hy in de ziels vermogens instort nieuwe hoedanigheden, krachten en vermogens, die wy te voren niet hadden, makende, dat het verstant, dat duisternisse zelfs was, verlicht werdt ; dat de wille, die doodt was, levendig wordt ; die boos was, goet wordt ; die niet wilde, nu dadelyk wil ; en die wederspannig was, nu gehoorzaam wordt. (Catechismus, p. 158).

Literatuur.
Dr: A. G. Honig, Alexander 1892. Comrie, Utrecht
A. Ypeij en I. J. Dermout, Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, Deel III, Breda 1824, blz. 485—497 ; aanteekeningen blz. 226—233.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's