MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Ook ditmaal ging het zoó toe. Nauwelijks had hij zijn pijp aangestoken, om in een gemakkelijke stoel, naast den aangelegden haard, te genieten van een juist verschenen Engelsch werk, terwijl zijn vrouw bezig was een knippatroon tE bestudeeren, toen heel voorzichtig de bel overging. Wat dat wezen mocht ? 't Gebeurde om dezen tijd niet veel, dat er bezoek kwam, en voor de post was het nog te vroeg.
Even later kwam het dienstmeisje zeggen, dat „manke Murk" daar was en vroeg of hij den dominé ook even spreken kon.
Manke Murk ? Wat mocht die hebben ? Natuurlijk kende hij hem. Murk woonde niet ver af en miste nooit in de kerk. Reeds had men hem gezegd, dat Murk eigenlijk een bekeerling van 't heilsleger was, waardoor zijn ijver voor den godsdienst werd verklaard en dat hij bezig was van een armen, verschoven knaap, zich op te werken tot een welgesteld man, die reeds vrij wat middelen bezat. Ook had de directeursvrouw reeds verteld, dat haar vader indertijd hiertoe den éérsten stoot had gegeven en dat op een volgend jaar Pleuntje en Murk wel een paar zouden worden. Nimmer hadden zij elkander evenwel nog gesproken, hoewel hij zich al meermalen voornam hem te bezoeken. Telkens kwam daar echter weer iets tusschenbeide en zoo bleef het er bij. Vandaar, dat dit bezoek hem betrekkelijk welkom was, om zoodoende nader kennis te maken.
„Laat hem maar binnen komen", klonk dus 't antwoord.
Een oogenblik daarna trad Murk met een beleefden groet 't helder verlichte vertrek binnen. Niet zonder eenige verlegenheid nam hij plaats in den hem aangewezen fauteuil. Zoó was hij 't niet gewoon ! Wat zag het er hier alles even fijn en deftig uit. Heel anders dan bij vrouw Kalma, waar de zindelijkheid iemand ook reeds bij de voordeur tegenkwam, maar waar toch niets van die weelderige pracht gezien werd, die hier, voor hem aLthans, uit elk meubelstuk sprak.
’t Werd oorzaak, dat hij zich in den beginne allesbehalve op zijn gemak gevoelde en ternauwernood zijn gedachten kon regelen. Gelukkig maar, dat men dit niet scheen te bemerken. Mevrouw verdiepte zich, na de eerste begroeting, schijnbaar opnieuw in de teekeningen en lijnen op het papier uitgestippeld, en de dominé sprak druk over het gure weer, echt geschikt, om een griep-epidemie over het menschdom te brengen, 't Zou voor Murk ook wel niet alles zijn, om dag in dag uit langs de slijkwegen te gaan, zooals men die hier in Friesland nog zooveel vond. Men moest werkelijk een krachtig lichaam hebben om hier in het hooge Noorden tegen die sterke wisseling van het klimaat bestand te zijn. Kon Murk daar nogal tegen ?
Maar deze wist niet beter of 't hoorde zoo. Van kindsbeen af opgevoed te midden van land en water, waar zoowel de zon vrij spel had, om alles met haar warmte te koesteren, als de wind, om uit te bulderen en aan te grijpen en op zijn weg omver te werpen alles wat hem in den weg kwam, hinderde hem noch. de zomerwarmte noch de winterkou en scheen hij gehard te zijn tegen de grillige veranderingen in de natuur.
Buiten de heupzIekte heb ik nog nooit een dokter gehad", zei hij.
„En hebt u daar miisschien uw lichaamsgebrek van over gehouden ? " vroeg de dominé.
„Jawel, zóó werd ik „manke Murk" en zal hinkende het leven door moeten gelijk vader Jakob", was het antwoord.
Deze opmerking deed mevrouw even van haar arbeid op zien en glimlachen. Leuke man toch, die precies zich uitsprak, zooals hij was, zonder de dingen op te sieren. Maar dat had je hier nogal onder de Friezen.
„Dacht u dan, dat vader Jakob ook heupziekte gehad heeft ? " vroeg dominé, min of meer spottend.
„’k Zou haast zeggen : was 't maar zoo geweest ; de kwaal zat veel dieper, dominé".
„Wat bedoelt u dan ? "
„God had een twist met zijn wederspannig en onoprecht kind en heeft het daarom in dien vreeselijken nacht bij Pniël op zijn plaats gebracht, waar het zeker zonder die Zieleworsteling niet zou zijn gekomen. En ter herinnering daaraan behield hij de ontwrichte heup en het hinkende been".
„Gelooft u dan werkelijk, zooals de Bijbel het zegt, dat dien nacht een geheimzinnig wezen tot den morgenstond met Jakob geworsteld heeft en dat dit God zelf is geweest, zooals velen denken? "
„Ik geloof onvoorwaardelijk de H. Schrift, dominé, en bij ervaring weet ik, al was het op andere wijze, dat de Heere nog menigmaal een twist met Zijn volk heeft en dat Hij het door een Pniël voert, om het te brengen tot de rust in Hem"
„Hebt u dan misschien zélf ook zoo iets doorgemaakt ? " vroeg de jonge prediker, en zijn stem klonk thans ernstig.
„Niet in die mate wellicht, doch ook ik ben niet zonder strijd gekomen tot de zekerheid des geloofs en de overgave aan den Heer".
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's