De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KOHLBRUGGE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KOHLBRUGGE

en de leer des heils

6 minuten leestijd

XVII.
XI. Van de goede werken.

Hel was een zeer belangrijk werk van onze reformatoren, volgens de Schrift te bepalen, wat goede werken zijn. Reeds in tegenstelling met de Roomsche leer, dan ook in tegenstelling met dat, wat de eigenwijze mensch voor goede werken houdt naar zijn meening. Ook Kohlbrügge spreekt in zijn predikaties zeer dikwijls er over, wat voor God waarlijk goede werken zijn. Het zal ons waarschijnlijk al wel duidelijk geworden zijn, dat Kohlbrügge geen antinomiaan (; = bestrijder der Wet) is, ook waarlijk goede werken niet ontkent of verwerpt. Zoo vraagt hij : „Hechten de apostelen ook waarde aan goede werken ? Ja, overal ; onder andere Titus 2 vs. 14 ; 2 Tim. 3 VS. 16 en 17 ; Titus 3 vs. 14, en de Heere heeft ons geleerd, dat eerst de boom goed moet zijn ; dan is de vrucht vanzelf goed". (Erlauternde und befestigende Fragen und Antworten zum Heidelberger Katechismus, blz. 155). Eens voor al blijft de toetssteen van het waarachtige leven, van de ware genade, dat, wie in Christus is, ook wandelt, zooals Hij gewandeld heeft (bij 1 Joh. 2 vs. 6).
Of dat iemand nu verontrust, hem bekommerd en verlegen maakt, ja bijna tot wanhoop brengt, doet niets ter zake. Gods Woord is hooger dan alle vleesch en blijft eeuwig. Zoo staal er geschreven en daaraan hebben wij ons te onderwerpen. Dat de apostel zoo schrijft, dal hij zoo moet wandelen, slaat op de bewering of op de leugen, dat men zegt, dat men in Christus blijft, terwijl het evenwel uil den inwendigen als uit den uitwendigen wandel geheel anders blijkt te zijn". (Licht und Recht, deel 4, blz. 81).
Het is echter een dwaling, als men gelooft, dal na het geloof de werken komen. „Deze dwaling houdt hel hart van een mensch in voortdurende onrust. Het blijft een eeuwige waarheid, dat hel geloof, als het geen werken heeft, in zichzelf dood is ; want ik zou heusch niet weten, wat voor een geloof dat zou zijn, hetwelk, waar de goederen dezer wereld aanwezig zijn, tot den armen broeder of zuster zou kunnen zeggen : God verzorge u, wordt warm, enz. Het blijft een eeuwige waarheid, die de apostel Jacobus heeft uitgesproken, dat de mensch uit de werken rechtvaardig wordt en zeker niet uit het geloof alleen. Men kan het uit de woorden van den apostel Jacobus duidelijk gevoelen, dat het gepraat over het geloof, dat onder de christenen steeds meer toeneemt, in de verste verte niet het geloof is, zooals de apostelen dat hebben gepredikt ; maar daarom maakt het geloof de werken niet, maar hel geloof is werk, d.w.z. het geloof is het eenige werk, dat Gode welgevallig is en sluit ieder ander werk uit, sluit alles uit, wal de mensch in zijn hand hebben wil". (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 162).
Zijn dus Rom. 3 vs. 28 en Jacobus 2 vs. 24 met elkander in strijd ? Neen. „De geloovige is Gods schepsel, geschapen in Jezus Christus tot goede werken. Dat is alles Gods werk, dat prijst Hij als bij de eerste schepping. Wie nu, terwijl deze nieuwe schepping bestaat, gelooft zonder God den Heiligen Geest, blijkt geen schepsel Gods te zijn. Hij doet de werken niet ; hij moet toch weten, hoe het met Gods werk gesteld is. Wie echter gelooft uit God, (omdat het hier om het geloof gaat) moet als zondaar en goddelooze hart en oogen op zijn God, Heiland en trouwen Schepper gericht hebben, hij geloove in God en late het aan God over, wat, hoe, waar en wanneer hij moet werken." (Erlauternde und befestigende Fragen und Antworten zum Heidelberger Katechismus, blz. 129 en vervolgens).
Het is geen tegenstrijdigheid, dat Jacobus leert, dat Abraham door de werken gerechtvaardigd is. „Abraham deed voor de wet der werken zonde, een gruwelijke zonde. Hoe kan nu de apostel zulk een daad als een goed werk prijzen, hoe kan hij schrijven : Is Abraham niet uit de werken gerechtvaardigd ? Daarop is te antwoorden : Deze werken en deze daad waren zooals de man was. De man was volgens de wet des geestes des levens in Christus Jezus ; naar deze wet was ook zijn daad, naar deze wet waren ook zijn werken. Abraham was zulk een man, die zijn verstand en zijn denkbeelden onderwierp aan de gehoorzaamheid van Christus, een man, die zijn eigen wil, zijn eigen wijsheid en gerechtigheid, zijn eer voor de menschen, zijn gerechtigheid en heiliging, de wet en haar werken, zijn geloof en godsdienst, zijn hoop en zaligheid, goed en kwaad, ja zijn Christus aan God in handen gaf. En zoo is het bij Abraham een geloof, dat werken heeft, een levend geloof. Het was geloof, het was werk, waartegen ten slotte geen wet der werken iets kon inbrengen", (De beloofde Christus, 7 predikaties, blz. 14). Vergelijk hierbij, wat Kohlbrügge zegt over de zondares, Lucas 7 : 36—50, blz. 27, dat zij beide in een had, geloof en werken.
Hoe komt de geloovige tot goede werken ? Eerstens is hiervan te zeggen, dat de geloovige Gods werk is en dat is als alle werken Gods goed. Hij is geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden gewandeld hebben.
De goede werken zijn een kleed, die door het geloof aangetrokken zijn, zij zijn het element, waarin hij zich beweegt, en zijn wandel heeft. (Efeze 2 vs. 10).
„Onze Heiland is ons niet door God gegeven, opdat Hij zou zijn als een voorbeeld, waaraan hij, die God gelooft, kon gelijk worden, zoodat wij slechts Zijn voorbeeld behoefden na te volgen, om deze redding te ervaren.
Deze heeft geen goede werken voor zichzelf gedaan, opdat wij nu met Zijn hulp maar goede werken zouden moeten doen, om ook zoo goed te worden als Hij. Maar daar Jezus Christus voor ons door God tot een tweeden Adam gemaakt werd, daar werd Hij voor ons tot zulk een Adam gemaakt, die het niet van ons afhankelijk liet zijn, hoe veel of hoe weinig goede werken wij zouden doen, opdat onze zaligheid daarvan zou afhangen, maar tot zulk een Adam, die in onze plaats dat alles deed, wat de Schrift goede werken noemt.
Alle goede werken, alles wat goed is in de oogen Gods, heeft Hij, Christus Jezus, voor ons gedaan. In dezen Man en tweeden Adam zijn wij geschapen. Zoo zijn wij dan in alle goede werken, omdat wij in dezen Man zijn, . en omdat God ons in dezen Man geschapen heeft, zoo wil Hij ons ook in geen ander aanzien als in dezen Man. Het kan ons, indien wij gelooven, aan geen goed werk ontbreken. Ik moet het Evangelie gelooven, ik moet mij aan God, aan Zijn erbarmen en aan Zijn genade vasthouden, in welke toestand ik ook moge zijn". (Licht und Recht, deel 12, blz. 48 en vervolgens, vergelijk 3 Predikaties uit 1850, bladz. 4).
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KOHLBRUGGE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's