De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

EN VOOR U

5 minuten leestijd

Uw Meester, betaalt hij de didrachmen niet ? Hij zeide : ja. Matth. 17 : 24, 25.

’t Gaat in onzen tekst over het betalen van de belasting, die naar de wet van Mozes geheven werd voor het heiligdom des Heeren.
We lezen er van in Exodus 20 : Al wie overgaat tot de getelden van twintig jaar oud en daarboven, zal het hefoffer des Heeren geven.
De helft dus eens sikkels zal dit hefoffer zijn. De later in Palestina gangbare munt is de didrachme, die in waarde gelijk staat met een halve sikkel. Waarschijnlijk was men juist bezig deze belasting te innen, toen de Heere Jezus met Zijn discipelen Kapernaüm binnentrad.
Geld der verzoening wordt het, in, de wet genoemd.
Door de didrachmen te betalen, wist men deel te hebben aan het werk der verzoening, dat in het heiligdom geschiedde.
Uw Meester, betaalt hij de didrachmen niet ? Men heeft het Petrus gevraagd.
Tot den Heiland Zelf durfde men zich blijkbaar niet te wenden, en daarom zal men het Petrus maar vragen.
Hij kent de gewoonten van zijn Meester wel.
Was het de bedoeling om den Heiland een strik te leggen, of was het werkelijk de onwetendheid, die tot deze vraag dreef ?
Het is ons niet bekend.
Wel weten we, dat Petrus niet geaarzeld heeft met zijn antwoord. Kort en bondig antwoordt hij : ja. En zijn antwoord is juist. Maar hij moet ook weten, waarom de Heere Jezus betaalt. Hij moet weten, dat zijn Meester niet behoefde te betalen, doch dat Hij betalen wilde als de Borg van Zijn volk.
In dat borgtochtelijk werk gaat Jezus hem en ons onderwijzen.
Hoewel Jezus zelf niet tegenwoordig was bij het onderhoud, dat Petrus met de tempelbeambten had, weet Hij er toch alles van. Zoodra de discipel dan ook in het huis komt, waar Jezus is, vraagt deze hem: Wat dunkt u, Simon: De koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden ?
Dit is voor Petrus geen moeilijke vraag. Onmiddellijk antwoordt hij : van dé vreemden.
Welnu, zegt Jezus : zoo zijn dan de zonen vrij.
De tempel is het huis Zijns Vaders, en Hij is de Zoon des Vaders.
Zoo staat Hij gansch alleen en ver boven al de kinderen Israels.
Het geld der verzoening moet worden betaald door allen, die gezondigd hebben. De didrachmen, die betaald moesten worden, spraken van de schuld des volks tegenover God.
Maar Christus had geen zonden. Hij was vrij van schuld. Hij is den broederen wel in alles gelijk geworden, maar uitgenomen de zonde.
Geld der verzoening behoefde Hij niet te betalen.
En toch heeft Hij willen betalen.
Hij, die als de eeuwige Zoon vrij was van de wet, is geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Vrijwillig heeft Hij de gestaltenis Gods afgelegd en de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen.
Vaders eeuwige Zoon is Gods knecht geworden.
Hij heeft voor al de Zijnen alle gerechtigheid vervuld eri de straf gedragen, die hun den vrede aanbrengt.
De Zoon, die niet behoefde te betalen, heeft willen betalen.
En Hij kón ook betalen. Hij kon, omdat hij ook als de Borg de Zoon bleef. Goddelijk vermogen was noodig om te volbrengen, waartoe de liefde dreef.
De Heere Jezus zegt tot Petrus, dat Hij betalen zal, om geen aanstoot te geven.
Misschien had de discipel, nadat Christus zich als de Zoon des Vaders geopenbaard had, wel willen adviseeren om nu maar niet te betalen.
Wat heeft hij| vaak getracht om Jezus van den kruisweg af te trekken en Hem te verhinderen het geld der verzoening te betalen. Hoe weinig verstond hij het, dat alleen zoó alle gerechtigheid kon vervuld worden, en dat hij alleen door het betalen des Heeren van slaaf der zonde tot kind van God kon worden.
Zalig, die den Meester kennen mag als den Zoon van God.
Zalig bovenal, die den Zoon van God kennen mag als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
Hoe wonderlijk is ten slotte de wijze, waarop Christus het geld der verzoening betaalt.
Ga heen naar de zee — zoo spreekt Hij tot Petrus — werp den angel uit, en neem den eersten visch, die opkomt; en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden : neem dien en geef hem aan hen, voor Mij en u.
Door een wonder heeft Jezus betaald. Alleen door een wonder kan Hij ons verlossen. Is het heele werk der verlossing, met het kruis van Golgotha in het midden, niet een groot wonder!
Dat wij alleen door een wonder kunnen behouden worden, leeren we, als we door Gods Geest aan onszelven worden ontdekt. Als wij een blik krijgen in de diepte onzer verlorenheid en de onwrikbare eischen van het recht Gods, is er hier beneden geen enkele mogelijkheid om behouden te worden.
Hier kan alleen het wonder helpen.
Maar het wonder is gekomen.
Hij, Die geen zonden gekend heeft, is tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn gerechtigheid Gods in Hem.
De stater is voldoende om te betalen voor Jezus en voor Petrus en voor allen, die zich als verloren zondaars voor God leeren kennen.
Voor Mij en u
Dat is het evangelie van het evangelie. O, arme ziel, die met uw schuld geen raad weet, het geld der verzoening, dat door een wonder betaald werd, is genoeg, ook
voor u.
In het volbrachte werk van Christus is rust ook voor u.
Aan de voeten van den Heere Jezus is plaats ook voor u.
Petrus moest naar de zee gaan om de visch te vangen.
Dat was geloofswerk.
Hij moest niet redeneeren ; hij moest niet vragen : waarom.
Hij moest enkel maar de angel werpen in de zee.
Tot allen, die uit den angst hunner ziel hebben leeren roepen: Wat moet ik doen om zalig te worden? klinkt het antwoord: Gelooft alleenlijk.
En wij leggen ons geslingerde hart neder aan Zijn voeten, met de bede : Ik geloof, Heere, kom Gij mijne ongeloovigheid te hulpe.
Hilversum

v. Lokhorst

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's