KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE PAASCHCOLLECTE
We staan weer aan 't begin van de lijdensprediking. Zeven weken voor Paschen beginnen de lijdensstoffen. Zoo is het altijd geweest in onze Hervormde Kerk en zoo moet het blijven. Het Evangelie dat verkondigd moét worden is het Evangelie des Kruises en het lijden en sterven van den Middelaar staat nu weer bijzonder in het middelpunt voor prediker en gemeente ; daarin ligt de grond der zaligheid en de eenige troost, beide voor leven en sterven. (Catech. Zondag 1).
Dat zegt ons tegelijk, dat Paschen in aantocht is.
En als het Paaschfeest daar is, het feest van de opstanding van onzen Heere en Heiland Jezus Christus, vraagt ook onder ons — sinds jaren nu — de Paaschcollecte onze aandacht. Op Pinksterfeest de Zendingscollecte ; met Paschen de collecte voor het fonds van den Gereformeerden Bond tot opleiding van predikanten, die straks in de Hervormde Kerk van kansel tot kansel, door kwaad en goed gerucht heen, het Evangelie der Schriften mogen verkondigen en zoo tegelijk mogen medewerken tot welzijn van de Kerk onzer Vaderen, door velen binnen en buiten hare grenzen veracht en versmaad, maar door den Heere in Zijn trouw verbond tot op heden bewaard en gezegend, in 't midden van ons volk.
Laten we deze dingen niet uit het oog verliezen, vooral in deze tijden niet, die wij nu beleven en die nationaal en internationaal zooveel ons te zeggen hebben.
Wat is het een zegen, dat de aloude Hervormde Kerk er nog staat in het midden des volks. En wat moet het ons toespreken, dat de Heere haar nog bewaard heeft en nog zoo rijkelijk weldadigheid wil bewijzen.
Ons trof weer bij het lezen van de geschriften der profeten, voornamelijk van Amos en Hosea, hoe — lees vooral de profetie van Hosea eens — de Heere een God is, die door heel de geschiedenis heen, van 't begin van Israels volksbestaan, ten einde toe, geworsteld heeft om dat volk vast te houden en te bewaren en te zegenen, in weerwil van de zonden. We lezen dan, dat de Heere Israël als een klein kind uit Egypte heeft uitgeleid, als een klein kind gedragen heeft op Zijn armen in de woestijn, als een groeiend volk Israël in Kanaan heeft behoed en gezegend — en als Hij Israël, om der zonde wil, als rook uit den schoorsteen kon verdrijven van voor Zijn aangezicht, dan overlegt Hij bij Zichzelf, dat Hij rechtvaardig Israël kon verdoen gelijk Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, maar neen — neen, de Heere kan er niet toe komen om Zijn volk los te laten en wèg te doen van voor Zijn aangezicht. Hij roept en lokt Zijn volk, ook in de verdrukking, om Zijn bondsvolk te bezweren, dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars, maar hierin, dat de goddelooze zich bekeere en leve ; om dan hunne afkeeringen te genezen en Zijn volk te zijn als de dauw, opdat het bloeie als de lelie en als de Libanon in vastheid en sterkte zal bevestigd worden.
Zoo zien wij de armen des Heeren ook uitgebreid naar Zijn Kerk in dezen lande. Zoo hooren we Zijm roepstem. En onze bede is, dat zij zich bekeere tot den Heere en leve, tot zegen voor velen.
Daartoe worde ook de bediening des Woords en der Sacramenten in ons midden bevestigd en versterkt. Daartoe ga onze zorg en liefde over de opleiding van de predikanten. Daartoe strekke zich uit ons pogen, om hier de helpende hand te bieden. En daartoe helpe ook mee onze gave der liefde. Daartoe diene ook straks de Paaschcollecte.
Mag ook dit jaar de Paaschcollecte zijn voor 't Studiefonds van den Gereformeerden Bond ?
Ja ?
Bij voorbaat onze vriendelijke dank !
HET BLIJVENDE IN DE BELIJDENIS (2)
Er zijn dorpen en steden (of gedeelten van steden) met een zg.n. „vlottende" bevolking. Dat ligt dus aan allerlei omstandigheid, waardoor alles soms zoo totaal veranderd kan worden. Een dorp kan dan verdwijnen of groeien — in elk geval een heel ander aanzien verkrijgen ; soms kan de naam heelemaal uitgewischt worden en voor goed in 't vergeetboek raken.
Zoo is het — 't zij natuurlijk slechts bij vergelijking zoo gezegd — niet met de belijdenis van Christus' Kerk, die geput is uit het eeuwig blijvend Woord van God, met worsteling en strijd, onder de leiding des Heiligen Geestes verkregen.
De Apostolische Geloofsbelijdenis — de 12 Artikelen van ons ongetwijfeld. Christelijk geloof - is heel, héél oud en is een blijvend bezit van de algemeene Christelijke Kerk. Het zijn de geloofsstukken van de Gemeente des Heeren, in betrekking tot den Drieëenigen God, wat aangaat schepping, zondeval en verlossing ; wat betreft het heden en de toekomst ; naar Gods Woord geloofd en beleden.
En zoo is het ook met onze nationale Gereformeerde Kerk in Nederland. We hebben de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Vijf Leerregels van Dordt, als een kostelijk en blijvend bezit, met nationalen en internationalen inslag. Wel als Nederlandsche belijdenis (de Heere houdt met Zijn Kerk in de onderscheidene landen weer gansch bijzondere bemoeienissen en leidt Zijn Gemeente hier en elders langs bijzondere wegen), maar toch zóó, dat zij gemeen goed is — in wezen en inhoud van het Gereformeerd Protestantisme, wijd en zijd gevonden.
Zoo hebben de buitenlandsche Godgeleerden van naam medegewerkt aan de opstelling van de Vijf Leerregels van Dordt tegen de leer der Remonstranten. Zoo staat onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis in innig verband met de Fransche-en met de Zwitsersche Geloofsbelijdenis ; en zoo is de Heidelbergsche Catechismus niet vreemd aan de geschriften in het buitenland, waar de Gereformeerde leer ingang vond.
En als de legende dan is ontstaan, dat hier in Nederland elke drie jaar de belijdenisschriften der Gereformeerde Kerk moeten worden herzien, dan is dat natuurlijk een misvatting, die dadelijk in 't oog valt, als men maar even de moeite doet om de dingen te onderzoeken zooals ze werkelijk zijn.
Als we b.v. lezen wat de buitenlandsche Godgeleerden op de Dordtsche Synode hebben gesproken, moet ons dat toch wel tot andere gedachten brengen. Het tegendeel van een vlottende belijdenis, die elke drie jaar per se herzien en veranderd en gewijzigd moet worden, krijgen we dan. Want hebben de buitenlandsche Godgeleerden in zake de belijdenis van Dordt niet getuigd en eenparig verklaard, dat in deze leer niets was, dat met de waarheid der Heilige Schrift in strijd was, maar integendeel in alles met de Heilige Schrift en de belijdenisgeschriften van de andere Gereformeerde Kerk overeenstemde ? (30 April 1619).
En hebben ze bij die verklaring niet de wensch en de ernstige bede gevoegd, dat men hier in Nederland bij deze rechtzinnige, godzalige en eenvoudige belijdenis des geloofs zou volharden, dezelve onvervalscht aan het nageslacht zou overleveren en tot de komste van onzen Heere Jezus Christus, onvervalscht te bewaren !
Dit is de bede van de Gereformeerde wereldkerk op de Synode van 1619 tot onze Nederlandsche Gereformeerde Kerken gericht !
En in de Acta van de Dordtsche Synode volgt : dat de inlandschen eendrachtelijk verklaard hebben tegenover de buitenlandschen, dat hun voornemen was, in de belijdenis van deze rechtzinnige leer, standvastig te volharden, en dezelve in deze Nederlandsche Provinciën zuiver te leeren, naarstig voor te staan en voorts onvervalscht door de genade Gods te bewaren.
De bede was : Bewaar deze leer onvervalscht tot de wederkomst van Christus op de wolken.
En op die bede is de daartoe strekkende belofte door onze Nederlandsche Gereformeerde Kerk afgelegd.
Of er dan niet besloten is om de drie jaar de belijdenis te herzien, te vervormen, te wijzigen, te veranderen ?
Natuurlijk niet !
Wel is besloten, dat men zich telkens wanneer de Synode zou samenkomen, ééns in de drie jaar, zich samen voor de belijdenis zou stellen als kerkelijk getuigenis naar den Woorde Gods — om aan allen die ter Synode afgevaardigd waren te vragen of zij instemden met de kerkelijke belijdenis en daarvan blijk moesten geven door opstaan. Terwijl gevraagd zou worden, of er ook iemand was, die, op grond van Gods Woord, bezwaren of gravamina tegen de belijdenis der Kerk had — dan konden eventueel die bezwaren, welke omschreven en juist geformuleerd waren met bewijsplaatsen uit de Heilige Schrift, in den kerkdijken weg, naar de kerkelijke orde, worden onderzocht en behandeld. Want Gods Woord gaat boven alles en is de bron voor ons geloof en ons leven. Wat b.v. onze Ned. Geloofsbelijdenis in Artikel 7 zelve zegt, niet anders willende zijn, dan de meest zuivere verklanking van het Woord onzes Gods.
Men voelt, dat deze dingen niets, maar dan ook niets te maken hebben met een wet of voorschrift of gewoonte van „om de drie jaar de belijdenis herzien".
Neen, de Kerk begeert, dat de belijdenis leve in 't midden van de broederen en dat telkens met die belijdenis hartelijke instemming zal worden betuigd, zijnde het lied des geloofs der Kerk".
Of er dan nooit van hervorming, wijziging, verandering van de belijdenis sprake mag zijn ? Daarover in een volgend artikel.
(Slot volgt.)
DE NIEUWE RELIGIE IN DUITSCHLAND
Het proces ds. Martin Niemöller bewijst weer, dat het in Duitschland om niets meer of minder gaat dan een nieuwe godsdienst in te voeren. Waarom — zoo heeft men gevraagd — brengen de predikanten ook „politiek" op de preekstoel ? dat moesten ze niet doen, en ze zijn zelf de oorzaak van al die moeiten, die boeten, die straffen. Ook ds. Niemöller — zegt men — is veel te veel een „vechtersbaas", vandaar al die ellende tusschen de Regeering en de Kerk.
Sedert 1 Juli '37 zit ds. Niemöller in hechtenis wegens „achterbakse aanvallen op Staat en partij, van het misbruiken van den kansel voor politieke doeleinden, enz." Dat zijn buitengewoon ernstige dingen, waar in Duitschland onder bepaalde omstandigheden de doodstraf op staat.
In het Algem. Weekblad voor Christendom en Cultuur lezen we :
Waarom brengt Niemöller dan ook politiek op de kansel ? Politiek hoort toch in de Kerk niet thuis. En de Duitsche Staat heeft toch eigenlijk nog zoo geen ongelijk, dat ze de politiek van de kansel weert"
„Wie zóó redeneert" — aldus het Algem. Weekbl. — „heeft van het conflict niets begrepen. Het is absoluut noodzakelijk zich rekenschap te geven van het feit, dat minister Kerrl in de laatste maanden zich beijvert om door talrijke redevoeringen te Hagen, Fülda, Berlijn) het er bij het volk in te hameren, dat het Nationaal Socialisme zelf religie is, een volledige religie, wortelend in de goddelijkheid van ras, bloed en bodem, en slechts één doel najagend: de Nationale eer van het Duitsche volk, „eine politische Religion". En het Christendom is staatsgevaarlijk, omdat het niet de Staat tot maat aller dingen maakt".
Hier ligt het hart van de zaak.
En nu is ds. Niemöller staatsgevaarlijk, omdat hij in woord en manifest de vergoddelijking van den Staat afwijst en de stelselmatige ontkerstening van het Duitsche volk als verderfelijk bestrijdt.
De beschuldiging van minister Kerrl, van Rosenberg e. a. is : dat ds. Niemöller — die vroeger kapitein op een duikboot is geweest en daarna predikant is geworden ; zijn levensbeschrijving vindt men in z'n boek: „Vom U-Boot zur Kanzel" — zich bewust stelt tegenover alles wat het Duitsche volk verdedigen moet als grondslag van zijn bestaan ; en dat het Christendom botst tegen alle grondslagen van den Nat. Socialistischen Staat.
De religie van het Nationaal Socialisme en de Christelijke godsdienst staan als water en vuur tegenover elkaar. En nu het Nationaal Socialisme zijn godsdienst met geweld wil brengen in het midden van héél hét land en héél het volk, staat de belijdenisbeweging pal om óp te komen voor de grondslagen van het Christendom. De belijdenis-Kerk ziet, dat het Nationaal Socialisme een heidensche godsdienst, een godsdienst van de goddelijke Staat, onder het volk wil brengen, en dan komt de Evangelische christen met de prediking der Waarheid naar Gods Woord. En als de bedienaar des Woords ziet en weet, dat men een zedelijkheid, die geheel vreemd aan het wezen van het Christendom is, onder het volk wil brengen, waartoe de heele jeugdbeweging in handen van den Staat genomen is dan kan en mag en wil en zal de Kerk van Christus niet zwijgen.
En worden de beginselen van het Christendom staatsgevaarlijk geacht op 't oogenblik in Duitschland.
In dat teeken staat het proces-Niemöller, dat even afgebroken is, maar nu weer is begonnen.
’t Gaat niet om de kwestie van een dominé, die de politiek op de preekstoel brengt, maar om de kwestie : óf het Christendom óf de heidensche religie van het Nationaal Socialisme, de religie van de goddelijkheid van den Staat, van de goddelijkheid van ras, bloed en bodem.
Arm Duitschland ! En dat is het land, waar Luther eens getuigen en werken mocht, het Duitsche volk tot zegen, in gehoorzaamheid aan Gods Woord.
En daar zegt de Führer nu : de Kerk moet niet zoo „leuren" met bijbel-teksten
Het verval der Geref. Kerk na de Synode van Dordt (2)
De beschouwing van de Kerk werd anders dan bij onze Gereformeerde Vaderen gevonden wordt. De Kerk was niet meer een Goddelijke stichting, van eigen aard en wezen, met eigen recht en leven, onder de opperhoogheid van Jezus Christus en met Gods Woord als regel voor leer en leven, maar de Kerk werd een Sociëteit, een Vereeniging, een Kerkgenootschap, dat dus even wisselvallig was, als de menigte der leden, waarin het zijn grond en oorsprong vond. Een menschelijke Vereeniging, waar men met den geest des tij ds rekening' moest houden en waar men de wetenschap, het gezond verstand des menschen en zijn goede wil tot Leiddraad moest nemen. En men wilde geen „leerstellingen" ; men wilde niet het „dogmatische" ; men wilde „practisch" zijn en zich op het „practicale" toeleggen ; christelijke-en maatschappelijke deugden - met uitroeiing van den boom Christus, uit Wien alle vrucht van waarheid en gerechtigheid, van leven en zaligheid is voor een iegelijk, die in Hem gelooft.
Men moest niet meer vragen, of iemand Jood, Mohammedaan of Christen was, doch alleen of| men vol „menschenmin" en vol „verdraagzaamheid" was. Er was wel een God, er was ook misschien wel een leven na dit leven, maar waarop het aankwam in het leven was : of men deugdzaam en verdraagzaam wilde leven, de een met den ander in goede harmonie omgaande. Zooals Lessing in zijn Nathan der Weise zoo „mooi" geleerd had !
„De kern der Godsdienst, zeide men, was : God lief te hebben als den barmhartigen Vader van alle menschen, en naar het voorbeeld van den goeden en wijzen Zaligmaker, den ideaal-mensch, in eiken stand de deugd betrachten." Het was een oppervlakkige tijdgeest, die in niets uitblonk, dan alléén in - afkeer van het waarachtig christelijke !
Merkwaardig uit die dagen is en blijft een „Brief aan alle leeraren en opzieners der Protestantsche Gemeenten in Nederland" (If^ Sept. 1796). Daarin wordt een „minnelijke voorslag" gedaan dat alle Kerkgenootschappen zich zullen vereenigen in broederlijken geest en alle kerkelijke scheidsmuren en dogmatische verschillen zullen worden afgebroken en opgeruimd ; „overeenkomstig de mildere denkbeelden van velen, in de onderscheidene Protestantsche, Christelijke genootschappen, en gewijzigd naar eene, sedert eenige jaren, meer en meer toegenomen verdraagzaamheid". (Ypeg en Dermout, IV, blz. 211). De „christelijke vrijheid" mocht alleen de grondslag des geloofs zijn, in de Protestantsche Kerk.
Hiernaast kunnen we wijzen op de Stichting van het Genootschap Christo Sacrum te Delft, door leden der Waalsche Gemeente (1797). Het stelde zich ten doel, alle Christelijke gemeenten, met verwerping der geloofsbelijdenissen, in ééne gemeenschap te doen oplossen. (Ypeg en Dermout, IV, blz. 248). Evenwel had Christo Sacrum óók eene geloofsbelijdenis, want, indien iemand, die nog niet in eene der Protestantsche Kerkgenootschappen eene geloofsbelijdenis had afgelegd, wilde toetreden tot de nieuwe Stichting, zoo kon dat niet geschieden alvorens hij verklaarde, zich te kunnen vereenigen met „al de hoofdpunten der Christelijke leer, waarin de verschillende Kerkgenootschappen eenstemmig dachten of denken konden" !
Bij dezen stand van zaken komt nu voor de Kerk in dezen lande nog iets bij. Sedert 1795 is voor haar een nieuw tijdperk ingetreden. En dat is een tijdperk van geweld en berooving ; het zich mengen van den Staat in de aangelegenheden der Kerk, wat uitloopt op een wederrechtelijk opleggen van een Synodale Besturenorganisatie, geheel in strijd met den aard en het wezen der Kerk. En zoo zien wij de Organisatie van 1816 als een Staatscreatuur, waaruit voor de Kerk des Heeren onnoemelijk veel kwaad is voortgekomen.
Niet in eens hebben we deze Besturenorganisatie gekregen. Vóórdat 1816 in 't land is, is hier zooveel gebeurd, waarbij we even hebben stil te staan.
28 Augustus 1796 komt er een Proclamatie, waarin niets meer of minder gezegd werd, dan dat besloten was „uit de erkentenis van den Mensoh en den Burger" en uit de „grondbeginselen van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" dat er geene heerschende of bevoorrechte Kerk meer zou bestaan — en dat alle Plakkaten en Resolutiën, uit het oude stelsel der vereeniging van Staat en Kerk, geboren, vernietigd zouden worden".
De scheiding van Kerk en Staat werd hierbij uitgesproken. En hoe men dat van Overheidswege opvatte blijkt o.a. uit de houding van de „Volks-Representanten van Holland", die van de predikanten, alsof zij Staatsambtenaren waren, de eed (of een plechtige verklaring) afnamen, waarin werd verklaard, dat zij zich onderwierpen aan den toenmaligen Regeeringsvorm. En toen 15 Amsterdamsche predikanten dat niet wilden doen, werden ze afgezet. Dat noemde men scheiding van Staat en Kerk !
Het beginsel van scheiding werd slechts éénzijdig toegepast : want in 1797 en '98 werd met verkrachting van alle rechten bepaald, dat de eigendomsrechten der Kerk niet meer geëerbiedigd zouden worden. Men haatte haar, omdat zij Kerk was. En er werd eenvoudig bepaald : ,,dat alle kerkgebouwen en pastoriehuizen, vóór 1581 bestaan hebbende, met derzelver fondsen en goederen, het eigendom zouden zijn van de gezamenlijke ingezetenen en bewoners van de stad of plaats, waar onder zij gelegen waren".
Ook werden de „Geestelijke goederen en fondsen", die na 1581 onder nationale, provinciale of kwartierlijke administratie gebracht waren, voor een nationaal eigendom verklaard ; waarbij een overgangstijdperk van drie jaar werd vastgesteld.
Na die berooving kwam een periode van geweld. De Staat ging zich verbeelden patroon of beschermheer van de Kerk te moeten zijn. En langzamerhand (begin 19de eeuw, 1801 en volgende jaren) kwam er een neiging tot een zekere her-eeniging van Kerk en Staat ; want men begon te voelen — na de schrikkelijke openbaring van de Revolutie — dat er voor de Staat toch wel beteekenis en voordeel in ligt, dat er een Kerk is ; en voor de bezoldiging van kerkelijke personen werden vanwege den Staat maatregelen beraamd. (Kerkelijke Wetten door C. Hooyer, 1846, blz. 14). Zelfs werd in 1803 een algemeene Dank-en Bededag van Staatswege uitgeschreven. Men kwam tot het inzicht, dat de Kerk voor den Staat toch wel van nut was, en men zou zich in 1805 bij de nieuwe Staatsregeling waarschijnlijk ook door deze beginselen hebben laten leiden, in 't voordeel van de Vaderlandsche Kerk (hoewel de voorrechten boven de andere Kerken des lands afgeschaft moesten blijven), ware het niet, dat er wéér een andere regeeringsvorm was gekomen, door de verheffing van Lodewijk Napoleon tot Koning van Holland (wat hij later zoo graag zou zijn gebleven, maar waarbij Oranje verre de voorkeur genoot). Onder de regeering van Koning Lodewijk
Napoleon werd een Concept-Reglement op de Organisatie van het Hervormd-Kerkgenootschap in het Koninkrijk Holland, ontworpen en eindelijk goedgekeurd — maar de uitvoering is niet gekomen, omdat deze gewesten eenvoudig werden „ingelijfd" in het Fransche Keizerrijk.
Toch is dit Concept-Reglement niet geheel zonder verdere beteekenis geweest, want enkele jaren daarna is in denzelfden geest een nieuwe Organisatie voor de Kerk in 't leven geroepen (Broes : Kerk en Staat, IV, 1ste stuk, blz. 151 ; C. Hooyer : Kerkelijke Wetten, 1846).
Wel zijn de twee Reglementen niet aan elkaar gelijk (wat Hooyer nader uiteenzet in : „Oude Kerkenordeningen der Ned. Herv. Gemeenten, 1865). Want wel heeft men „bij het ontwerpen van het Reglement van 1816 denzelfden weg ingeslagen, als in 1809, door een Consuleerende Commissie te benoemen, die alleen uit Predikanten bestond, en naar een te voren vastgesteld plan moesten werken ; welk plan van Kerk-regeling door drie leden van den Raad van State en den Commissaris-Generaal voor de Hervormde Eeredienst is gewijzigd en daarna alsi Staatsbesluit 7 Jan. 1816 (Staatsblad No. 1) door den Koning is uitgevaardigd. Maar men heeft vergeten, dat Koning Lodewijk Napoleon in 1806 het recht tot zulke organisatie bezat (naar de constitutioneele wetten van 1806, Tweede Afd. art. 1), maar dat Koning Willem I datzelfde recht bezwaarlijk uit de grondwet van 1814, en nog veel minder uit die van 1815 ontleenen kon". (Mr. S. J. Hingst over „Kerk en Staat" in de Gids van April 1863, blz. 37).
Doch ook al gewaagde de Constitutioneele wetten van 1806 van zoo'n recht — daar moeten we niet vergeten, dat dit was „geweld plegen aan de Kerk", 't welk in overeenstemming was met „het revolutie-beginsel van overheersching van den Staat in zake de Kerk".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's