STAAT EN MAATSCHAPPIJ
GEVAREN, DIE DREIGEN.
De Volkenbond, die den kleinen Stalen bij het uitbreken van een oorlog hulp en bijstand van de groote mogendheden in uitzicht stelde, heeft, zooals wij de vorige week zagen, op het punt van de collectieve veiligheid volledig fiasco gemaakt.
Dit feit heeft om die reden er toe geleid, dal het vertrouwen in het instituut van Geneve tot bet verleenen van daadwerkelijke hulp bij oorlogsgevaar is verloren gegaan. Het dwingt thans alle volken, ook het Nederlandsche volk, om zich zoo sterk mogelijk te wapenen, teneinde eigen belangen te kunnen verdedigen en voor eigen bestaan te kunnen opkomen.
Daarbij gaat bet voor ons volk om het behoud van het grondgebied in Nederland en dat van de Overzeesche gewesten.
Vooral in de laatste gebieden dreigt op dit oogenblik ernstig gevaar.
Indië is het object van verovering door Japan.
Het dicht bevolkte Japan kan niet emigreeren. Het vindt de landen, die voor emigratie in aanmerking komen, gesloten. Het surplus aan bevolking kan er niet uit.
Dit noopt het groote Oost-Aziatische Rijk om ten behoeve van het levensonderhoud van zijn volk, zijn industrie uit te zetten. Doch ook dit geeft Japan geen baat, want, alhoewel de producten, tengevolge van de zeer lage loonen, goedkoop op de wereldmarkt kunnen worden gebracht, vindt het op die wereldmarkt geen voldoende afzet van zijn goederen, omdat de invoer van buitenlandsche waren in de meeste landen is gecontingenteerd dan wel, dat door die landen wegens de zware invoerrechten de invoer wordt onmogelijk gemaakt.
Daarom voert Japan een expansiepolitiek, d.i. een politiek, die gericht is op uitbreiding van het grondgebied. De Japansch-Chineesche oorlog, die op dit oogenblik in vollen gang is, is van die expansiepolitie het gevolg.
Doch daarbij wil men het niet laten.
De machtige vlootpartij, die in Japan van een overheerschende beteekenis is en in dat land grooten invloed op den gang van zaken uitoefent, acht een uitbreiding van Japan met chineescn grondgebied, uitt hoofde van de geringe koopkracht der Chineezen om de overproductie van de goederen van Japan tot zich te nemen, niet voldoende. De vlootpartij slaat haar oog naar het zuiden, naar de landen in dae Stille Zuidzee, en wel in het bijzonder naar die van den Indiscnen Archipel.
Azië voor de Aziaten, is de leus.
Het is van algemeene bekendheid, dat in 't geheele gebied van den zuideiijken Oceaan — om het even onder wiens vlag deze gebieden staan — tot in alle hoeken toe visschersvloten rondzwalken. Onder het visscnersvolk bevinden zien tal van officieren, zelfs stafofficieren van Japan, die de zeeén in kaart brengen en van de toegangen tot die zeeën en van de gesteldheid dier wateren misschien beter op de hoogte zijn dan onze eigen officieren.
Vooral is 't het eiland Borneo met zijn rijke oliehavens, dat in hel midden der belangstelling van Japan staat.
Zoo is Indië — gelijk wij hierboven schreven — het object, dat Japan zich voor expansie stelt.
In het bijzonder zal Indië met het oog op dat gevaar over een weermacht moeten beschikken, die voor haar taak ten volle berekend is.
De militaire positie van Indië is toch niet meer zoo, dat aan haar dient te worden opgedragen de defensie in die richting te leiden, dat Nederland in een conflict van anderen niet kan worden betrokken.
Die doelstelling had de weermacht vroeger.
Zij is niet meer voldoende, nu het in den tegenwoordigen tijd niet uitsluitend meer gaat om de handhaving der neutraliteit. De weermacht zal moeten worden ingericht op de verdediging der Overzeesche gewesten tegen een buitenlandschen vijand. Het is toch niet ondenkbaar, dat een strategische overval de rust in Indië plotseling komt verstoren.
Nu is het zeer de vraag, of b.v. onze vloot, wanneer zij naar het plan, dat de Regeering zich voorneemt uit te voeren, is opgebouwd, voor haar tegenwoordige doelstelling een genoegzame sterkte zal bezitten.
Het voornemen der Regeering is om niet verder te gaan dan het vlootplan van 1930 uit te voeren.
Is dit vlootplan voldoende met het oog op de verdediging van het groote eilandenrijk en de vele verbindingen van dat Rijk naar het Noorden ?
De Regeering is van oordeel, dat de Staatsmarine in Indië een sterkte zal moeten hebben van 3 kruisers, 2 flottielgeleiders, 12 torpedobootjagers en 18 onderzeebooten, benevens 72 groote zee vliegtuigen, terwijl in Marinekringen voor de verdediging van Indië minstens 4 machtskernen worden noodig geacht, te weten : 2 machtskernen voor strategische handelingen, 1 machtskern voor beveiliging der verbindingen en 1 machtskern voor reserve.
In dezen gedachtengang zouden dan noodig zijn : 4 kruisers, 16 torpedobootjagers, 16 onderzeebooten, benevens 96 groote afstandsverkenningsvliegtuigen, 96 bombardeervliegtuigen en 48 boordvliegtuigen.
Men ziet, dat, wat in Marinekringen voor de defensie van Indië wordt noodig geoordeeld, belangrijk hooger is, dan wat de Regeering bij de Staten-Generaal heeft aangevraagd.
Laten wij hopen, dat wat de Regeering thans doen wil, om de Indische Marine in staat te stellen om haar taak naar behooren te kunnen vervullen, een eerste stap is.
Er is een gevleugeld woord, dat luidt : „Indië verloren, rampspoed geboren".
Moge dit, door eigen schuld, in werkelijkheid nooit zoover komen.
Indië leeft op een vulkaan.
God is machtig om het gevaar, dat daar dreigt, te keeren. Maar naast het bidden om uit de gevaren verlost te worden, hebben wij ook in Indië te werken.
Laat het geheele Nederlandsche volk zich daarvan bewust zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's