De Catechismus van Calvijn.
Derde Hoofdstuk : Het Gebed.
ZONDAG 34.
Vr. Nadat we genoegzaam gesproken hebben over den dienst van God, zijnde het tweede stuk van de Hem toekomende eere, willen we nu handelen over het derde stuk, dat Hem toekomt en vragen nu waarin dat derde stuk van de eere des Heeren bestaat ?
Antw. Wij hebben gezegd, dat het daarin bestaat, dat wij God in al onze nooden aanroepen.
Vr. Mogen wij Hem alléén maar aanroepen? Antw. Ja, de Heere eischt die eer voor Zich op, daar het Hem, Die God is, alléén maar toekomt.
Vr. Indien dit zoo is, hoe mogen wij dan de hulp van menschen inroepen ?
Antw. Dit zijn twee zeer verschillende zaken, die we goed moeten onderscheiden, want wij roepen God aan om te betuigen, dat wij niets goeds verwachten dan van Hem alleen en nergens elders eenige toevlucht hebben, terwijl wij dan de hulp van menschen zoeken alleen in zooverre als God hen gesteld heeft in Zijn dienst om uitdeelers te zijn van Zijne goederen en ons te helpen. Al het goede dat ons van hen toekomt moeten we dan ook beschouwen als afdalende van den Heere, Die de menschen slechts gebruiken wil om er ons deelgenoot van te maken. In waarheid is het God, Die het alles door hun hand ons toezendt.
Vr. Moeten wij dan de menschen niet dankbaar zijn voor het goede, dat zij ons doen ?
Antw. Zonder twijfel, en dan geschiedt dit omdat God hun de eer gunt, ons door hun handen des Heeren weldaden te doen toekomen, want op deze wijze verbindt Hij ons aan hen en Hij wil, dat wij daarmee rekening zullen houden en hun onze dankbaarheid zullen bewijzen.
Vr. Volgt hieruit dan niet, dat het ons niet geoorloofd is de engelen aan te roepen, noch de gestorven heiligen ?
Antw. Zeer zeker, want God heeft den heiligen geen opdracht gegeven ons bij te staan en te helpen ; en wat de engelen betreft, hoewel God hen gebruikt en ze tot dienst uitzendt voor degenen, die de zaligheid zullen beërven (Hebr. 1 : 14), zoo is het volstrekt verboden, dat wij tot hen onze toevlucht zouden nemen om op hen te vertrouwen.
Vr. Staat het dus zóó, dat alles, wat niet overeenkomt met de door God gegeven ordening, in strijd is met Zijn wil ?
Antw. Ja, want indien wij ons niet tevreden stellen met hetgeen de Heere geeft, is dat een zeker bewijs van ongeloof. Bovendien is het afgodendienst, als wij, inplaats van wat Hij ons bevolen heeft, onze toevlucht tot God alléén te nemen, bij de engelen of de heiligen onze toevlucht zoeken, want dan dragen we op hen óver, wat God Zichzelf voor te houden heeft.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's