MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Hier keek mevrouw van haar werk op, om met belangstelling te luisteren naar 't geen die eenvoudige jonge man zoo heel gewoon daar zeide. De woorden, die hij sprak, klonken haar zoo vreemd in de ooren en toch kon zij ook niet nalaten daar aandacht aan te schenken.
„Hoe is dat dan gegaan. Murk ? " vroeg de dominé, meer uit nieuwsgierigheid en om het gesprek gaande te houden, dan om de mededeeling zélf. Daar was iets, dat hem in dit alles tegenstond.
Daarop vertelde Murk, wat wij reeds weten, hoe hij eens volop de wereld had gediend en daarin de rust en den vrede voor zijn hart zocht, doch hoe dat alles hem niet bevredigen kon en innerlijk zoo ongelukkig liet. Totdat hij midden in het kermisgewoel als door een pijl Gods in zijn ziel getroffen werd en aan zichzelf ontdekt in al de schuld en armoede van zijn verbeuzeld leven". Toen werd God mij te machtig, " aldus besloot hij zijn verhaal, „en leerde ik uitroepen met den tollenaar : „O God, wees mij arme zondaar genadig" Dat is mijn Pniël geweest, dominé, zooals ik geloof, dat elk mensch, die een gezicht op zijn zonden krijgt en door het licht van den H. Geest aan zichzelven ontdekt wordt, zoo iets in meerdere of mindere mate moet doormaken."
Zwijgend zag mevrouw haar man aan. Was het niet alsof dit woord een vonnis inhield, hetwelk anderen veroordeelde ?„Maar zoo'n misdadiger waart u toch zeker niet ?" vroeg de dominé.
„Voor de menschen niet. Elk hield van Murk en waar ik was, daar heerschte gewoonlijk ook vroolijkheid. Maar de maatstaf Gods is een andere, dan dien wij zelf gewoon zijn aan te leggen."
„Ge bedoelt ? ”
„Ik wil zeggen, dat God volkomen gehoorzaamheid en algeheele overgave van hart en leven vraagt aan Hem en Zijn heiligen dienst, en er is er niet één, volgens de Schrift, die aan dezen eisch voldoet. Dat is het vreeselijke van ons geslacht, dat het verdoemelijk voor God werd, zonder in staat te zijn dat vonnis zélf op te heffen, en zonder dat het kennis heeft van dezen toestand, tenzij deze bij hooger Ucht geschonken wordt, 't Gaat den natuurlijken menschen zooals den Christenen te Laodicea, die meenden rijk en verrijkt te zijn en geens dings gebrek te hebben en die niet wisten, dat zij ellendig en jammerlijk en arm, en naakt en blind waren"
„Maar nu geloof ik toch, dat u bezig bent vreeselijk te overdrijven, " klonk het eenigszins kregel. „U moet ten eerste niet vergeten, dat, wat die Christenen daar in Klein Azië betrof, die menschen op een zeer lagen trap van ontwikkeling stonden, en ten tweede is dat Openbaringsboek, waaruit u dien tekst haalt, in gebloemde taal geschreven, die natuurlijk niet letterlijk opgevat moet worden."
„Maar wat ik u daar eerst noemde over die algeheele verdorvenheid van ons geslacht, is niet alleen uit het laatste bijbelboek genomen, doch wordt door heel de H. Schrift geleerd, dominé, en, mij dunkt, óók door de ervaring van alle eeuwen bevestigd. Al de bijbelmannen spreken in denzelfden geest over het menschelijk hart, dat van der jonkheid af bedorven is en de zaden van elke zonde in zich heeft.”
„U gelooft dus aan de erfzonde ? "
„Ik geloof het niet alleen, maar ik wéét het ook en zie het dagelijks, dominé. Trouwens, zelfs degenen, die alleen willen weten van de wet van oorzaak en gevolg, moeten dit al toestemmen. „Wie zal een reine geven uit een onreine ? Niet één.. En de Heere Jezus, die wist wat in den mensch was, heeft gezegd : „Uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen”.
„Maar Jezus heeft toch ook wel iets anders gezegd”.
„Jawel, maar van het natuurlijk menschenhart niet iets anders. Bovendien, dominé, de ervaring van elken dag leert ons immers, dat het zóó is en niet anders. Heel de wereld is vol haat en nijd en twist en tweedracht en wrok en wrevel, en als Gods algemeene genade hier niet voor bewaarde, zou het .op aarde een hel zijn, waar de eene mensch den anderen het licht in de oogen niet gunde. Men mocht zich maar onder de menigte bewegen, om dit te ondervinden en het eigen hart is van zichzelf .ook niet anders".
„Ik vind dit een zeer eenzijdige opvatting. Zeker zijn er zulke menschen", — aldus viel de dominé in — „die in de openbaring van hun leven de neiging toonen tot allerlei leelijks. Ploerten, 'die voortkwamen uit een omgeving, waar leugen en bedrog schering en inslag zijn en waar nu letterlijk niets mee te beginnen valt. Gedegenereerden van der jonkheid af, erfelijk belast, en vaak een besmetting voor hun omgeving, als de tuberkel-bacil dood en verderf brengend. Doch daar zijn gelukkig óok nog anderen, zelfs uit de laagste kringen voortgekomen, die door opvoeding en ontwikkeling en onder goede leiding of tucht een voorbeeld van braafheid en deugd zijn geworden. Om nu maar niet te spreken van die edele menschenvrienden, die vanuit de plaats, welke zij innemen, een gunstigen invloed uitoefenen op hun omgeving en hun gaven en krachten ten dienste stellen van 't algemeen ; hoogstaande karakters, die het goede voor een ander zoeken".
„Daar wil ik niets afdoen, dominé, maar wie aal zeggen, hoeveel van dit alles reeds vrucht des Geestes is, die in hen werkt, nog eer zij dat zelf weten, en als dit opkomt uit het eigen hart, dan heeft het in elk geval een verkeerden bodem zelfs onze beste werken zijn met zonde besmet en onze deugden zijn voor God een wegwerpelijk kleed, al hebben zij voor deze wereld dan ook waarde”.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's