KERKELIJKE RONDSCHOUW
HET REORGANISATIE- ONTWERP TOEGEZONDEN
De Synode heeft met kleine meerderheid-(10—9) het Reorganisatie-Ontwerp aangenomen. Niet omdat de kleine meerderheid (10) er zonder reserve vóór was ; maar men heeft het gedaan om de Kerk zelve gelegenheid te geven nu over deze belangrijke aangelegenheid, rakende de Kerkorde, zich uit te spreken. Waarmee dan op 't nauwst verbonden is de kwestie van de ambten en van de belijdenis. Waarmee dan weer samenhangt de aangelegenheid van opzicht en tucht, met name de leertucht.
Kerkorde — ambten — belijdenis — opzicht — tucht — leertucht. Wie zal ontkennen, dat het hier allerbelangrijkste dingen zijn, die ten nauwste samenhangen met het wezen en hel wèl-wezen van de Kerk ?
En nu moet de stem der Kerk vooral komen uit de Class. Vergaderingen. Want de Synode heeft een stem, ook de Proviociale Besturen maar het gaat toch vooral om de Classicale Vergaderingen.
Het Ontwerp zelve is nu toegezonden aan de Kerkeraden. En deze hebben straks hun afgevaardigden te zenden naar de Classicale Vergadering. De predikanten en evenveel ouderlingen als er predikamten zijn, gaan dan op den laatsten Woensdag van Juni, dus 29 Juni, naar die vergadering. En daarom zullen nu in den kring van den Kerkeraad de voorloopige besprekingen over deze allerbelangrijkste zaak moeten plaats hebben, opdat men van elkander weet hoe men over deze allerbelangrijkste zaak denkt en hoe straks het advies moet luiden : vóór of tegen. Waarbij ook wel de kwestie zal komen : moet het Ontwerp geamendeerd worden (door voorgestelde amendementen veranderd of verbeterd) óf is het beter daarvan af te zien en met vóór of tegen te volstaan ?
Het laat zich aanzien, dat de Synode, die de 3de Woensdag in Juli begint met haar jaarlijksche vergadering, met de adviezen van de Class. Vergaderingen rekening zal houden — hoewel zij overigens als hoogste bestuurslichaam vrij is de adviezen ook naast zich neer te leggen.
Maar dat alles neemt dus niet weg, dat nu het begin is : de Kerkeraden moeten over de nu aan de orde zijnde zaak van de Reorganisatie beraadslagen, waarbij in de meeste gevallen de predikant (en) wel de leiding zullen hebben bij de uitlegging en toelichting.
Nu moet men over deze bespreking niet gering denken. Want het gaat over veel en velerlei, dat alles inderdaad zéér, zéér belangrijk is. En daarom mag men zich niet met een Jantje-van-Leiden zich er af maken. En om er over te kunnen praten en er verstandig over te kunnen beraadslagen, moet men studie maken van deze dingen. Men moet maar niet tegen zeggen, zonder dat men alle moeite gedaan heeft om zich in deze dingen in te werken. En zoo moet men óók maar niet ondoordacht vóór zeggen. Men moet weten wat men doet en waarom het gaat. Ook als men b.v. zou willen adviseeren : laat alles maar blijven, zooals het is. Ook dan moet men weten wat dat voor de Kerk — zegge voor de Kerk — beteekent.
Juist nu, omdat het zoo ernstig is en omdat het zoo moeilijk is — en omdat nu de gelegenheid van samenspreking daar is (wat wij een groot voordeel achten, omdat er anders in werkelijkheid zoo weinig door de Kerkeraden over deze dingen gesproken wordt, wat toch noodig is, zullen we nog eens ooit tot andere toestanden komen) wijzen wij hier op het feit : dat vorige week aan alle Kerkeraden het Ontwerp is toegezonden.
Vraag het maar aan den dominé.
En laat ieder nu aan 't werk gaan, hoe men ook over deze dingen overigens denkt. Laat in onze Hervormde Kerk nog eens blijken, dat er kerkelijke belangstelling is voor vragen, die nu aan de orde zijn.
Bidt en werkt. Werkt en bidt — broeders !
Eni Gods Geest zij met ons. Gods Woord zij ons tot een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad. En de Kerk onzer Vaderen, 's Heeren Kerk in dezen lande, hebbe de liefde van ons hart !
DE SYNODALE BESTUREN-ORGANISATIE VOORBEREID (1)
Wij hebben in een artikel dd. 10 Febr. j.l. geschreven over : „De Hoogeschool te Leiden en nog wat", om te laten uitkomen, dat de opleiding van predikanten voor de Gereformeerde Kerk in Nederland aan de Universiteit in de 16e, 17e en 18e eeuw niet veilig was. De Hoogeschool te Leiden is in 1575 gesticht door de Hooge Overheid, om haar als een geschenk aan de stad te geven uit dankbaarheid aan de burgers van de Sleutelstad voor wat zij gedaan hebben in de moeilijkste tijden van ons volksbestaan ; maar óók om volk en Vaderland te dienen tot meerdere kennis, op den grondslag van Gods Woord ; bijzonder ter voorziening in de behoefte aan Gereformeerde predikanten voor de Kerken in Nederland. Zoowel de Professoren in de Theologie als de andere Hoogleeraren in de andere faculteiten zouden al hun onderwijs zóó moeten inrichten, dat het was naar de Heilige Schrift. Om zoo „met de Heilige Schrift zuiverlijk uit te leggen, geleerde en waardige Herders te formeeren". (Art. 36 der Kerkelijke Wetten in 1576, door den Prins van Oranje, op last van de Staten van Holland en Zeeland, opgesteld). Maar het verloop van heel het onderwijs aan de Hoogescholen van Nederland is geweest, dat het hoe langer hoe meer afweek van de Schrift en van de belijdenis en de Kerk leed voortdurend schipbreuk, wanneer zij in deze bij de Overheid kwam met „wenschen, verzoeken en beden". Naar de opvatting van de 16e eeuw hadden de Kerken, met hare beschouwing inzake de roeping van de Christelijke Overheid, dankbaar aanvaard wat de Staten en Overheden deden inzake de Kerk, maar ze zijn bedrogen uitgekomen. En bij de ellende en het groot verval van de Gereformeerde Kerken in Nederland is zéér zeker een groot deel te wijten aan de opleiding van de dienaren der Kerk, die door de Overheid verzorgd werd. De invoer van allerlei dwaling in de Kerk is voor een groot deel bewerkt door de Overheid. Juist inzake een van de voornaamste dingen voor de Kerk : de opleiding van a.s. herders en leeraars, heeft de Overheid veel kwaad gedaan. En de Kerken werden hoe langer hoe meer de dupe er van, dat de vorming en toerusting van haar dienaren door de Overheid werd bedorven. De Staten en de Curatoren kozen partij tegen de Kerken en de „libertas academica", de vrijheid der Universiteit, werd door hen zóó verdedigd, dat alle wind van leer werd geduld en bevorderd, wat de jammerlijkste gevolgen had voor het kerkelijk leven.
Over „het verval der Gereformeerde Kerk na de Synode van Dordt" schreven we in twee artikelen (17 en 24 Febr.). Er kwam een „rationalistische wetenschap vol twijfel over de Kerk", met „verschijnselen van te groote vrijheid, van losheid van denken, van lichtzinnigheid". Men ging uit van „de twijfel en men stelde de rede boven de Openbaring". „De Cartesiaansche wetenschap draagt hier veel schuld". „Het goddelijk gezag der Heilige Schrift kon alleen door de Cartesiaansche wijsbegeerte zijn zekerheid verkrijgen en alle waarheden van het Evangelie, ook de verborgenheden inbegrepen, waren aan het gezond verstand en aan de menschelijke rede onderworpen". Wel was er nog „een gezegende invloed van het geloof der Kerk, waar de zaligmakende leer der Heilige Schrift met rechtzinnige nauwgezetheid voorgedragen werd, maar het werd alles veel te rationalistisch en het bezat de geloofskracht niet meer". „De kracht van het Evangelie werd allengs minder, zoodat de godsdienst voor velen een zaak van gewoonte, sleur en verveling, en weldra van huichelarij was". Het Deïsme kwam op ; en voor de leeringen van Voltaire en Rousseau 134 in Frankrijk en van de Deïsten in Engeland, werd de bodem toebereid. Algemeen helde men over tot twijfelarij". Het was alles overlevering, meer dan geloof. En men wilde vooral „Dordt verbeteren". En de verdediging der Waarheid was dikwijls flauw, in vorm en toon ; en het was alsof het om een wetenschappelijk vraagstuk ging en niet over den toetssteen der zaligheid. „Menigmaal was de handhaving zelve der waarheden van droevige inmengselen niet vrij. (Aldus mr. Groen van Prinsterer : Handboek voor de Vaderl. Geschiedenis e. a. Zie de artikelen, bovengenoemd).
Het nageslacht van den „aartsketter" Socinus was hier talrijk geworden en de nazaten van de hervormers Luther en Calvijn kwamen in groote verdrukking. De Philosophic nam de plaats in van de Theologie. (Dr. Meijer : Philosophia Sanctae Schripturae interpres. 1666 ; B. Bekker 1698 ; Roel 1718 enz.). De „Socynsche ketterije" nam hand over hand toe. Cartesius (1596—1659) had den twijfel tot uitgangspunt gesteld. Wolf, met zijn wiskundige bewijzen verlaagden de waarheden des geloofs tot resultaten der redeneering. J. van der Veen bepleitte in 1752 het Engelsch Deïsme als „de godsdienst zonder bijgeloof". De litteratuur der Fransche Encyclopedisten verwoestte de oud Nederlandsche ernst en vroomheid. Steinbarts: ,,Samenstel der zuivere wijsbegeerte" werd gretig gelezen. Van de Duitsche Universiteiten kwamen — vooral ook in de Luthersche Kerk — „Aufgeklarte" predikanten. De daines Wolf en Deken bestreden op haar manier de Gereformeerde Kerk, doordat zij (zooals Voltaire dat gedaan had op zijn manier met de Roomsche Kerk) de rechtzinnige leeraars in een bespottelijk daglicht stelde. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen stelde voor het bijbelsch geloof een „kleur-en kracht-en karakterloos Christendom boven geloofsverdeeldheid" in de plaats ; en de moraal van „Nathan der Weise" van Lessing werd het axioma in het zedelijk bewustzijn des volks.
Aan de Hoogescholen werd de invloed van Ernesti en Michaëlis heerschende. Men noemde zich „Supra-naturalisten", maar „de openbaringswaarheid, die ze beleden te gelooven, had nauwelijks iets te openbaren, wat het denkend geloof uit zichzelf niet reeds wist" (Kurz). En vele predikanten ondermijnden niet meer, maar beoorloogden of bespotten alle mysteriën der godzaligheid. (Groen). Door het „denkend geloof" !
Hinlopen, Gijsbert Bonnet, Hieronymus van Alphen, de Haas, Klinkenberg, B. Broes e.a. mochten hiertegen opkomen, hun taal was te weinig geaccentueerd om boven het gegons en gejoel der „Neologen" uit te klinken. We hadden een heel leger van (, verlichte" leeraars en professoren, die „de Schriften lazen, zooals nog nooit iemand ze gelezen had, met name Paulus' brieven". Regenbogen verbreidde zijn „oppervlakkige Christelijke Godgeleerdheid, naar de behoeften des tijds" —: en Brouwer liet zelfs „Socinus in ketterije achter zich". „Elk godgeleerde had hier dit, daar dat stuk der vestingwerken prijsgegeven, als niet langer houdbaar" (Hofstede de Groot). „Het puin moest opgeruimd, dan zou een nieuw gebouw, een modern paleis, verrijzen". Wel waren er nog eenige weinigen, „die daar in de schaduw der bouwvallen schuilden, doch deze „obscuranten" werden niet meegeteld". „Waren de Vaderen „vroom" geweest, de kinderen wilden „liberaal" zijn". „De groote idealen van 't beschaafde Nederland der 19e eeuw smolten alle samen in dien éénen klank : liberaliteit". Prof. Bonman verheerlijkte te Utrecht : „de onderlinge verdraagzaamheid en liefde der protestantsche Gezindheid". Prof. Theodorus Clarisse deed het in Groningen (3 Nov. 1825). En prof. De Geer deed het nog sterker, toen hij den 7den Juli 1826 te Franeker als hoogleeraar optrad, sprekende over : „de liberaliteit in het denken, de liefde tot vrede en eendracht en de practische richting, in Nederland heerschende, als de oorzaken van den bloei der godgeleerdheid". Capadose merkte geestig op, dat men de „Theologische Bijdragen" beter „Neologische" kon noemen, daar ze niet anders deden dan „de rationalistisch-supranaturalistische richting der Ernestiaansche school in Nederland over te brengen, en de kruimkens oppikten, die van de tafel van Bretschneider vielen". Terecht klaagde Fliedner, toen hij op z'n collectereis in Nederland kwam, dat „het drooge Rationalisme velen der Nederlandsche godgeleerden maar al te zeer had aangetast". Dit proeft men ook uit bijna al de „leerredenen" die in die dagen in legio verschenen. „Men liet zich bij voorkeur in met zedekundige onderwerpen, en betoogde het zalige en zich zelf beloonende der deugd". Voor het meerendeel zijn ze „geheel ingericht om de waarheden der Gereformeerde leer op eene behendige wijze te ondermijnen". „Christus, God geopenbaard in het vleesch, werd een goddelijk, een hooger dan de overige geschapene wezens genoemd, de Heilige Geest was niet meer dan een goddelijke kracht ; de erfzonde was zedelijke verdorvenheid, zwakheid, onvolkomenheid, onvolmaaktbaarheid geworden ; in het lijden en sterven van den Middelaar werd slechts een blijk van Gods algemeene menschenliefde erkend ; van wedergeboorte, bekeering en heiligmaking had men zedelijke verbetering, begin en voortgang van deugdbetrachting gemaakt ; de hemel werd voor elk, die geen grove uiterlijke zonden beging, met een onbekrompenheid, die gedurig ruimer werd, opengesteld". (Groen, bladz. 23).
Op het „gelooven" werd gesmaad, op het „doen" kwam het aan. Waarbij Da Costa geestig opmerkte : „alsof de coupon slechts waarde had, de obligatie niet". De moderne triniteits-leer: God, deugd en onsterfelijkheid, was al wat velen van die dogma's over wilden houden. Mannen als : P. Brouwer, Bentheim, Reddingius v. Assen („Onderzoek naar het karakter en gedrag van Jezus Christus"), Laurman, v. d. Linden, van Kamtens e.a. tastten „heel de leer der Kerk als menschelijk lapwerk aan" (Het tijdschrift van Van Kantens droeg tot titel : ,, Het oude kleed zonder nieuwe lappen").
Aan de Hoogescholen heerschte het oudsupranaturalisme, dat niet tegenover het rationalisme stond, maar „een stelsel van transactie, een halve maatregel, was, een dusgenaamd „juste-milieu", waarbij, ten behoeve van het rationalisme, de scherpste en aanstootelijkste punten van het oude dogma afgeslepen werden, maar de ware zin der Kerkleer, haar wezen en geest niet minder dan door het rationalisme miskend werden". (Scholten). „De oud-supranaturalistische school erkende den bijbel als authoriteit in dogmaticis ; handhaafde de historische betrouwbaarheid der bijbelsche verhalen en de onfeilbaarheid der N.-Testamentische leer ; de inspiratie werd evenmin als het wonder verworpen ; de „openbaring" stond vast — maar men verzuimde de natuur en het wezen dier openbaring te preciseeren. Wars van de theorie der Kantiaansche Philosophic (Kritiek der Reinem vernunft) huldigde het oudsupranaturalisme zijne practische zijde, het moralisme der „Kategorischer Imperatief" (iGroen : Crise Religieuse en Hollande, bladz. 24—30). Oorzaak van de onvruchtbaarheid van het Oud-Supranaturalisme was zijn gebrek aan het mystieke element des Christendoms" (Borger : de Mysticismo).
In zoo'n treurige toestand verkeerde Kerk en Volk op het eind van de 18e en in 't begin van de 19e eeuw, dus „rondom 1816".
En toen is onze Kerk opgelegd de Synodale Besturen-Organisatie, waaruit een Kerkbeschouwing spreekt, die met alles met het wezen van Christus' Kerk in strijd is en waartegen nu een méér dan 100—jarig protest is opgegaan.
Over die Synodale Besturen-Organisatie, die de éénheid der Kerk zocht en zoekt in een reglementaire éénheid, met absolute verwaarloozing en verkrachting van de belijdenis der Kerk en verachting van de geloofséénheid, handelen we D.v. in een paar volgende artikelen.
Als vervolg dus op en in samenhang met de artikelen over de Hoogescholen en over het verval der Gereformeerde Kerk na de Synode van Dordt.
De plaats voor een zoo on-wezenlijke, zondige en schadelijke Kerkorde, als we in 1816 gekregen hebben, was in alle opzichten helaas ! door de Nederlandsche Gereformeerde Kerk en hare dienaren, niet 't minst ook door de Hoogleeraren, voorbereid I
RONDOM HET REORGANISATIE-ONTWERP (1)
Als we over het Ontwerp een oordeel willen vormen, moeten we het lezen en bespreken. We moeten maar niet een oordeel vellen zonder dat we er eigenlijk iets van weten. En dan moeten we trachten om het geheel, met de onderdeelen, te overzien. Wat niet zoo makkelijk is. En daarom moeten we elkaar helpen.
Laat ons ditmaal iets meedeelen van het oordeel van ds. J. J. Knap, van Groningen, in „Oude Paden". Ds. Knap is niet de eerste de beste ; hij is een man die over héél de linie ons vertrouwen heeft en die der zake kundig is. Het is niet voor 't eerst, dat hij zijn meening zegt over de Hervormde Kerk en hel kerkelijk vraagstuk.
Het eerste wat ds. Knap opmerkt is : dat het Ontwerp door de Synode is aangenoomen om nu het oordeel der Kerk te hooren. „Die stem spreekt niet uit de Synode, noch uit de Provinciale-of Classicale Besturen, daar deze alleen Bestuurslichamen zijn, maar wèl uit de Class. Vergaderingen, daar deze een vertegenwoordiging der Kerk is — ofschoon haar bevoegdheden tot dusver beknot waren".
„Wij willen op eenige verdiensten van het Ontwerp wijzen, alsook op eenige
zwakke punten, want daarop dient de aandacht allereerst gevestigd te worden".
En dan moeten we beginnen met een „eere aan de Synode". Want het is gebleken „dal de Synode zelf in haar meerderheid overtuigd was, dat de bestaande gang van zaken niet onberispelijk was, en de Kerk er haar roeping niet volkomen bij vervullen kan. Wij hebben dat hoogelijk te waardeeren. De Synode was toch het opperste Kerkbestuur. Het wist, dat de weg van reformatie, die voorgesteld zou worden, de Synode in haar tegenwoordige gedaante zou opruimen. Niet, omdat zij geen goede krachten onder haar leden telde, noch omdat zij onvruchtbaren arbeid verrichtte. Integendeel moet grif toegestemd worden, dat zij op administratief-en Bestuursgebied héél veel goeds gedaan heeft. En nu getuigde het o.i. van een nobel karakter, dat zij een stap wilde doen op een pad, dat moest uitloopen op haar eigen ontbinding, om haar vervolgens te vervangen door een Organisatie, die bij het wezen der Kerk past. Wij mogen het niet verzwijgen, dat de bereidheid tot zelf-afbraak van zelfverloochening getuigt. Het is een mooie overwinning, als men geneigd is de zelf-handhaving prijs te geven in het belang der Kerk, die men meer dan een eeuw bestuurd heeft".
Hoe is nu het Ontwerp ontstaan ?
Uit tweeërlei bron. „Er zijn twee groepen geweest, die de Reorganisatie der Kerk op het program hadden geplaatst, omdat zij beiden begrepen, dat zij een onafwijsbare voorwaarde voor een gezond kerkelijk leven was. De ééne groep was Kerkherstel, dat een Confessioneel stempel droeg, de andere was Kerkopbouw, meer Ethisch gekleurd.
„Door onderlinge samensprekingen leerde men elkaar beter begrijpen en waardeeren. Alle verschillen werden niet weggenomen, maar van lieverlee vond men elkaar. Men gaf eigen inzicht niet prijs, maar concentreerde alle aandacht op wat aan beide groepen gemeen was : het brandend verlangen om de Kerk sterker dan tot dusver te doen uitkomen als een „belijdende" Kerk".
„Natuurlijk is de Kerk steeds in groote groepen belijdend geweest, ondanks de misstanden, die er in opgekomen zijn, met of zonder den uitgesproken wil der Besturen. Was er niet steeds een „belijdende", levende kern in gebleven, dan zou zij al lang in puin gestort zijn. En ondanks haar numerieken achteruitgang is zij in geestelijke kracht aanmerkelijk toegenomen. Men denke slechts aan de opmerkelijke activiteit op het gebied der Uitwendige Zending, waarvoor zij vroeger als geheel weinig interesse toonde ; op het gebied der Arm verzorging, die totaal ten goede gereformeerd is ; op het gebied der practische liefde en barmhartigheid, waarvan talrijke stichtingen een eervol getuigenis afleggen ; op het gebied der Weezen-verzorging en der huisvesting van behoeftige bejaarden, enz."
„Neen, hoezeer het leven der Kerk ook belemmerd geweest is door de huidige Synodale Organisatie, in weerwil daarvan heeft de Kerk vooral in de laatste decenniën een vitaliteit geopenbaard, waarvan ook de jonge generatie inzonderheid geprofiteerd heeft, zooals de Christelijke Jeugdorganisaties afdoend bewijzen".
Er is dus, Gode zij dank, veel goeds nog in onze Hervormde Kerk, dat genoemd mag en moet worden, opdat we niet een scheeve en verkeerde indruk krijgen en geven van de Hervormde Kerk.
„Deze opmerking” — zegt ds. Knap — „is echter niet bedoeld als een pleitrede om alles nu maar bij het oude te laten".
„Wij verlangen van harte naar een Presbyteriale Inrichting der Kerk ; en het is de groote verdienste van het Ontwerp, dat het deze weder wil invoeren". Want de Presbyteriale wijze van Kerkregeering en kerkelijk samenleven „is de Organisatie, die bij het wezen en den aard der Kerk past". „Voor ons lijdt het geen twijfel, of deze Organisatie is 't meest in overeenstemming met de gegevens der Heilige Schrift inzake de Kerkinrichting".
„Het Ontwerp wil het kerkelijk ambt in volle eer herstellen. Gelijk de ambtsdragers in een plaatselijke gemeente de geheele gemeente vertegenwoordigen in den Kerkeraad, zoo zullen de daartoe aangewezen afgevaardigden ter Classicale Vergadering het de gemeenten der Classis doen, de Provinciale Synode de gemeenten van een geheele provincie, en de Algemeene Synode de gemeenten van het gansche land. Zoo wordt de geheele Kerk door haar ambtelijke vertegenwoordigers geregeerd naar den wil Gods". Deze „meerdere" vergaderingen moeten dan gebonden zijn aan Gods Woord, daar dat in het kerkelijk leven de norm is, waarnaar allen zich te voegen hebben omdat het de door God gestelde norm is.
Ziedaar in ’t kort de Presbyteriale Kerk inrichting.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's