STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE NIEUWE KWEEKSCHOOLREGELING.
’t Is in de laatste jaren met de onderwijzersopleiding op de Kweekscholen een voortdurend sukkelen geweest.
Was de opleidingstijd voor onderwijizers tot het jaar 1934 op vier jaren bepaald, Minister Marchant bracht daarin verandering door de invoering van de drie-jarige Kweekscholen, die tot vijf-jarige opleidingsinrichtingen moesten uitgroeien. De vijf-jarige Kweekschool zou dan tegelijkertijd de voorbereiding moeten geven voor de hoofdakte.
Intusschen waren in die dagen velen van oordeel, dat de drie-jarige Kweekschool op een mislukking moest uitloopen, omdat een opleiding van drie jaren tekort was. Wat te voren in vier jaren werd gedaan, zou nu in drie jaren moeten gebeuren. Ook de practische vorming kwam 4aarbij niet weinig in het gedrang.
Thans, na vier jaren, komt de tegenwoordige Minister van Onderwijs de tegenstanders van den drie-jarigen cursus gelijk geven, door het indienen van een Ontwerp van Wet bij de Staten-Generaal, waarbij de vierjarige Kweekschool — de oude vierjarige hier en daar gewijzigd — weer in eere wordt hersteld.
Ook naar de meening van minister Slotemaker — aldus de toelichting op het Wetsontwerp - bevredigt de drie-jarige Kweekschool, gelijk zij thans algemeen bestaat, niet. De drie jaren, die de speciale opleiding tot onderwijzer omvat, zijn naar 's Ministers oordeel om twee redenen te kort.
De eerste reden vloeit hieruit voort, dat de Kweekschool, tengevolge van de nog al sterk uiteenloopende opleiding van hen, die tot de Kweekschool worden toegelaten, in het eerste jaar eenige maanden noodig heeft om een voldoend homogene klasse te vormen om er regelmatig mee te kunnen voortwerken. Door dit tijdsverlies lijdt de Kweekschool bij haar korten leertijd van drie jaren schade.
En in de tweede plaats is er het groote bezwaar, dat de practische oefening der leerlingen, die in het tweede en derde jaar valt, in het gedrang komt, omdat het dikmaals niet mogelijk is voor die oefening voldoenden tijd te reserveeren naast de theoretische studie.
Met deze beschouwingen van den Minister zijn het vrijwel alle deskundigen eens. Zij achtten dan ook, dat het wetsontwerp van Minister Slotemaker een groote verbetering is van den bestaanden toestand.
Doch ook om nog andere redenen is met name voor de voorstanders van het bijzonder onderwijs, wat de Minister voorstelt, aan te hevelen.
Vooreerst breekt het wetsontwerp met de dure Kweekschoolopleiding van 1920 ; verder wordt de opleiding, die tot nog toe bij Koninklijk Besluit was geregeld, bij de Wet vastgesteld en eindelijk bepaalt de Wet de gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs.
De vraag doet zich echter in het algemeen voor of, nu tot wijziging van de opleiding der onderwijzers wordt besloten, er geen aanleiding aanwezig is om eenige maatregel te treffen om, ziende op het groot overcompleet van onderwijzers — men spreekt zelfs van een reserve van 16.000 leerkrachten — de opleiding op de Kweekscholen te beperken.
Het wetsontwerp doet in die richting wel iets. Het blijkt toch, dat tengevolge van de nieuwe regeling van het. Kweekschoolonderwijs, waarbij de drie-jarige door een vierjarige Kweekschool wordt vervangen, de onderwijzersakte een jaar later zal worden behaald, zoodat door den overgang van het eene stelsel naar het andere stelsel, het afleveren van nieuwe onderwijzers één jaar stilstaat. Doch of deze ééne beperking in den toevoer van onderwijzers, die op een 2000 leerkrachten is te stellen, ook maar van eenigen beteekenenden invloed zal zijn op het enorme surplus, valt te betwijfelen.
Eveneens is het bekend, dat een regeling om de reserve weg te werken, niet zoo gemakkelijk is te treffen, ook omdat er allerlei z. g. n. stoomcursussen bestaan, die aktehouders afleveren en welke cursussen buiten de Kweekscholen om hun werk verrichten. Toch zal het wenschelijk, ja, noodzakelijk zijn, dat de Regeering nog eens nagaat, of er niet iets te doen is om het kwaad der reserve, dat groote proporties heeft aangenomen, al kan 't niet geheel, dan gedeeltelijk weg te nemen.
Er zal toch iets moeten worden gedaan om de toeloop van onderwijzers met de behoefte in evenwicht te brengen.
Ten slotte dient bij de beoordeeling van de voorgestelde Kweekschoolregeling ook 't kostenvraagstuk in oogenschouw te worden genomen.
De Minister meent, dat de nieuwe Kweekschool slechts weinig meer zal kosten dan wat thans aan de opleiding wordt besteed. Deze meening is hierop gegrond, dat de uitgaven voor het onderwijzend personeel niet zullen stijgen en dat in nieuwe lokaliteit niet behoeft te worden voorzien. Er .moet enkel gerekend worden op eenige vermeerdering van de materieele exploitatiekosten. Deze vermeerdering wordt geraamd op jaarlijks ƒ 30.000.—.
Zooals wij de zaken echter zien, stelt de Minister de financieele consequenties, welke aan de nieuwe Kweekschoolopleiding zal verbonden zijn, te gunstig voor.
In de eerste plaats is er de omstandigheid, dat volgens de nieuwe regeling de onderwijzers eerst op 19-jarigen leeftijd in de school komen, met het gevolg, dat de jeugdaftrek van het salaris kleiner zal zijn en dus de uitgaven zullen stijgen.
In de tweede plaats zal er gerekend moeten worden met een regeling der vergoedingen, welke aan de leerkrachten der oefenscholen dienen te worden toegekend voor de assistentie, welke zij bij de practische vorming der candidaat-onderwijzers zullen verleenen. Ook deze regeling vraagt nieuwe uitgaven.
En eindelijk zal het aantal lesuren niet gelijk kunnen blijven. In Kweekschoolkringen acht men stijging van het aantal lesuren met 10 % onvermijdelijk. Deze stijging zal eveneens kosten met zich brengen.
Alles bij elkander genomen, kan met vrij groote zekerheid worden vastgesteld, dat de uitgaven voor het Kweekschoolonderwijs met enkele tonnen zullen omhoog gaan.
De algemeene indruk blijft intusschen, dat de nieuwe regeling aanbeveling verdient.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's