VRAGEN BUS
Vraag : Wat beteekent Lucas 6 : 31 : „En gelijk gij wilt dat u de menschen doen, doet ook gij hun desgelijks" ?
Antwoord : Laten we eerst de vergelijkende tekst uit Matth. 7 : 12 hier even afschrijven. Het ééne vult het andere aan. Matth. 7 : 12 luidt: Alles wat' gij wilt, dat u de menschen doen, doet gij dat óók hun ; want dat is de Wet en de Profeten".
Het gaat hier over de kwestie hoe wij met anderen, met „de menschen", met onze naasten, met vriend en vijand, moeten omgaan. En dan is het antwoord van onzen Heiland : doe met anderen, vriend en vijand, armen en rijken, zooals gij zoo gaarne zoudt willen dat de menschen met u doen. „Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat óók aan anderen niet!" En de Heiland voegt er in Matth. 7 nog bij : „Want dat is de Wet en de Profeten". Lezen we dus heel eenvoudig en onbevooroordeeld, dan staat hier : zooals gij zoudt willen behandeld worden, behandel zóó ook de menschen, uwe naasten, ieder met wien gij omgaat. Dan doet gij óók wat in de Wet en de Profeten staat. Dat stemt met elkaar overeen. Natuurlijk wil de Heiland niet zeggen, dat dit het éénige is wat in de Wet en de Profeten, wat in Gods Woord en, Wet staat. Maar, zoo zegt Calvijn in zijn uitlegging van de Evangeliën ter plaatse : het gaat hier over wat in de Wet en de Profeten staat over de liefde ; met alle voorschriften en vermaningen omtrent het in acht nemen van de rechtvaardigheid, de billijkheid, de eerlijkheid, de liefde ten opzichte van onze naasten ; wie het ook is. En dan zegt Calvijn, dat met elkaar overeenstemt, wat we zelf wel voelen en weten én wat God in Zijn Wet, in het tweede en groote gebod van de Wet, ons heeft geboden n.l. hebt uw naaste lief als u zelf.
Calvijn zegt : ,, De beteekenis der woorden : „Want dat is de Wet en de Profeten", is derhalve deze : dat aan de tweede Tafel der Wet voldaan wordt, wanneer slechts een ieder zich zoodanig jegens anderen gedraagt, als hij verlangt dat anderen zich jegens hem gedragen". Dan wordt Gods Wet vervuld. Dan leven we naar „de Wet en de Profeten".
Wat éénvoudig, vindt ge niet ? En wat weten we dat eigenlijk allemaal, zonder uitzondering ! Waarom het zondigen tegen dezen eenvoudigen regel, die naar Gods Wet is, en die we allen weten, zoo vreeselijk is en zich zoo zwaar zal straffen in eigen leven.
Wat de eenvoudigheid van deze zaak, naar Gods Woord, betreft, zegt Calvijn : „Hier is geen lange en ingewikkelde redeneering noodig, wanneer men deze eenvoud slechts betracht, en door geen verkeerde eigenliefde de in ons hart gegraveerde rechtheid verkracht".
Schrikt ge daarvan, dat er staat „de in ons hart gegraveerde rechtheid" ? En dat bij Calvijn ! Maar zóó is het : ons eigen geweten is hier onze leermeester, waartegen we dan helaas! zoo dikwijls in onze zondige „eigenliefde" ingaan. Waartegen we in ons egoïsme, zoo dikwijls zondigen, omdat we ons zelf zoeken.
Calvijn gaat hier nog al diep op in n.l. op 't geen wijzelf in deze zoo goed weten; op die in ons eigen hart gegraveerde rechtheid en die bewustheid, die wij van deze dingen in eigen hart en geweten hebben.
De groote Hervormer zegt: „Christus geeft hier aan Zijn discipelen de verklaring van de eenige reden waarom er zooveel hatelijkheid in de wereld is en zoovelen elkander pijn en leed doen en nadeel berokkenen. Die eenige reden is: dat de menschen wetens en willens de billijkheid met voeten treden, hoewel echter ieder streng eischt, dat deze jegens hem zelven in acht genomen zal worden. Waar het ons eigen voordeel geldt — zegt Calvijn — „is er geen mensch, die niet precies, duidelijk en fijn weet te zeggen, wat billijk en recht is. Allen betoonen zich, als het hun eigen welzijn betreft, fijne meesters in het beoordeelen van hetgeen billijk is".
„Hoe komt het dan" — zoo vraagt Calvijn — „dat diezelfde kennis ons niet ten dienste staat, wanneer er van eens anders voordeel of schade sprake is ? " En het antwoord is : „Niets anders dan, omdat wij slechts voor onszelven wijs willen zijn, en omdat we met het belang van onzen naaste niet te rade gaan. Ja, veel meer, omdat we met boosaardig overleg en met opzet verduisteren, den maatstaf der billijkheid, die in ons binnenste gevonden wordt".
Ja — we hebben van binnen een maatstaf. „En Christus zegt derhalve, dat ieder zich zelf ten maatstaf wezen kan om. een billijk en rechtvaardig gedrag jegens den naaste, wanneer hij wederkeerig aan anderen geeft, wat hij van hen voor zich zelven eischt". ,, Zoo wijst hij dan alle ijdele voorwendsels af, die de menschen uitdenken ter bedekking of blanketting van hunne onrechtvaardigheid. Want er is geen twijfel aan, of er zou een volkomene billijkheid onder ons heerschen, wanneer wij even ijverige discipelen waren in het beoefenen van de liefde, als wij scherp zijn in 't aandringen op haar bij anderen".
Het is, zooals Calvijn zegt: we behoeven hier geen lange en ingewikkelde redeneeringen te houden en berekeningen te maken. „Wanneer men deze eenvoud slechts betracht, en we door geen verkeerd egoïsme de in ons hart gegraveerde rechtheid verkrachten”.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's