KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE SYNODALE BESTUREN- ORGANISATIE VAN 1816 (1)
Niets komt „vanzelf". Er is altijd een oorzaak aanwezig. En zoo is het óók met de Synodale-Besturen-Organisatie van 1816. Denkt ge, dat de groote Revolutie in Frankrijk in de laatste jaren van de 18de eeuw (1790 ongeveer), zóó maar „vanzelf" gekomen is ? Of weten we niet, dat er een lange voorbereiding eerst geweest is, door het stelselmatig propageeren van ongeloofsleeringen ? Immers ja ! De bodem is lang te voren toebereid en bewerkt door de ongodisten, die met kwistige hand hun goddelooze leeringen verspreid hebben onder het volk. En de rijpe vruchten zijn niet uitgebleven !
Zóó is het ook in Nederland met de Kerk, de Nederlandsche Gereformeerde Kerk, gegaan. Al de ellende is niet in één oogenblik gekomen. Het is alles voorbereid. En de Kerk heeft niet gewaakt. Zij heeft het „vasten en . bidden" niet betracht. En de ongeloofstheorieën hebben de overhand gekregen, helaas ! Waardoor een radicale en gewelddadige omkeering in het kerkelijk leven voorbereid was.
Op twee dingen hebben we gewezen. En we herhalen het hier. Het 1ste is : de Universitaire opleiding van de dienaren der Kerk is aan de Rijks-Hoogescholen geheel de verkeerde kant uitgegaan. De Kerk is door de Overheden alhier geestelijk gevoed, maar het voedsel was geheel verschillend van 't geen de Gereformeerde Kerk van ouds kamde. En het 2de is : dat de kansels en de leerkamers der Kerk werden misbruikt door mannen, die geheel en al - de een wat méér en de ander wat minder - afweken van de belijdenis der Kerk, zonder dat de Kerk officieel er iets - althans niet afdoende - tegen óp kwam.
Daarbij verhinderde de Overheid, dat, naar het beginsel der Dordtsche Kerkorde, om de drie jaar de Kerk in Nationale Synode bijeenkwam. Kerkelijk werd er over de belangrijke aangelegenheden niet gesproken. Na de Dordtsche Synode van 1618—'19 is er geen Synode meer in Nederland gehouden, wat de Nederlandsche Gereformeerde Kerk aangaat. De Regenten zeiden : „dat is ééns geweest, maar nooit weer !"
Toen nu de revolutionaire beginselen uit Frankrijk óok hier meer en meer ingang vonden, liep dat voor de Kerk uit op : berooving en verkrachting van haar rechten als Kerk. Financieel en kerkrechtelijk liep het mis. En door allerlei schommelingen heen kwam het onder Lodewijk Napoleon, koning van Holland, zóóver, dat door den Staat aan de Kerk een Bestuursregeling zou worden opgelegd, waarbij de rechten en vrijheden der Kerk verkracht werden en alles tegen den aard en het wezen der Kerk inging. De Koning meende krachtens de constitutioneele wetten van 1806 (Tweede afd., art. 1) het recht daartoe te hebben (een recht, dat de Revolutie in 't leven geroepen had !). En toen Koning Willem I aan de regeering was gekomen, ging deze Oranjevorst, die in Duitschland z'n licht opgestoken had, gesteund door zijn „verlichte" raadslieden, den zelfden weg op, hoewel de Grondwet van 1814 daartoe niet het recht gaf, en nog veel minder de Grondwet van 1815. (Mr. S. J. Hingst : Kerk en Staat, in de Gids, April 1863, blz. 37).
Waar van het Concept van Koning Lodewijk Napoleon kon gezegd worden, dat het „de inmenging van den Staat in kerkelijke zaken zooveel mogelijk geweerd heeft" (eere wien eere toekomt), daar moet helaas ! van het Reglement van 1816 worden getuigd, dat het de inmenging van den Staat in kerkelijke zaken zooveel mogelijk uitgebreid heeft. Hooyer zegt : „In één woord, het Concept van 1809 heeft de vrije ontwikkeling der Kerk krachtig gehandhaafd, terwijl het Reglement van 1816 de gansche Kerk onder zulke regeerings-voogdij heeft gebracht, dat hare onafhankelijkheid, voor welke onze Vaderen zoo ijverig gestreden hebben, bijna geheel is weggevaagd". (Hooyer verwijst hier naar het artikel van mr. Hingst in de Gids).
Van de regeling van Koning Napoleon (1809), die zoo „voorzichtig" mogelijk wilde optreden, kan nog dit gezegd worden, dat de Voorzitter van de Commissie, die de organisatie der Kerk zou klaar maken, prof. Jona Willem toe Water, hoogleeraar in de godgeleerdheid te Leiden, van dit beginsel uitging: „dat de Commissie zich voornamelijk ten doel heeft gesteld, van de vroegere Kerkordeningen alles te behouden, wat niet inliep tegen de tijdsomstandigheden". (Levensbericht, bladz. 118). Maar op die „tijdsomstandigheden" werd dan maar al te zeer, in ongunstigen zin, acht gegeven ! Want hoewel de Commissie „onbewimpeld den lof uitsprak van het bestuur, waaronder méér dan twee eeuwen het voornaamste belang der Kerk — voornamelijk de zuiverheid der geloofsleer ongeschonden was bewaard gebleven", zoo moest nu toch, naar den aard van de veranderde tijdsomstandigheden, heel veel in de Organisatie der Kerk veranderd worden. De monarchale Staatsregeling eischte b.v. dat er niet tien Provinciale Synoden zouden zijn, zooals vroeger. Er moest één Synode komen als het éénig middelpunt van het hooger kerkelijk bestuur. En deze centralisatie deed het recht der plaatselijke Kerken geweld aan, wat ook hieruit blijkt, dat voortaan de leden der dassen en der Synode geen verband meer hielden met de Kerken, en niet langer met „lastbrieven" de gemeenten vertegenwoordigden, maar vrij persoonlijk zouden optreden, om los van de Kerken, als „hoogere" bestuurders der Kerk, te stemmen en op te treden. Zij, die naar de vergadering van de Classis of van de Synode zouden gaan, zouden daar zitten als „zaakverzorgers der Hervormde Kerk of ressorten van dezelve".
Hoe kerkelijk deze Commissie (1809) ook overigens gezind was, zoo moest toch tenslotte alles gehoorzamen aan den Minister Van der Capellen, waarin dé overheersching van den Staat over de Kerk pijnlijk werd gedemonstreerd. Deze Minister toch was (1809) volstrekt niet tevreden met alles wat er geschiedde. De Commissie b.v. had bepaald, dat de leden der Synode door de dassen zouden worden benoemd ! Maar de Minister oordeelde, dat de Koning het recht van de benoeming heeft ! De eerste maal onmiddellijk, en dus geheel los van de Kerk. De volgende malen uit voordrachten van de Classen.
Vooral opmerkelijk is deze zinsnede uit de missive van den Minister aan den Koning (gedateerd den 18den van Wijnmaand 1809), waar hij zegt : „Ten andere meende ik somtijds bij de Commissie te veel gehechtheid aan het oude te bespeuren". En onomwonden schrijft hij, dat „hoogere belangen volstrekt verbetering vorderen" ! „De zaak van den godsdienst en van de verlichting zou schade lijden, indien we hieraan toegaven" !! (Hooyer : Oude Kerkordeningen, blz. 516).
Hier ligt dus groote overeenkomst tusschen wat men in 1809 van Overheidswege wilde en wat men in 1816 gedaan heeft. Het is dezelfde geest van geweld tegenover de Kerk !
Nu is dit Concept-Reglement van Lodewijk Napoleon (1809) wel nooit ingevoerd, doordat hij overhaast naar Frankrijk vertrekken moest en door de inlijving van onze gewesten in het Fransche Keizerrijk. Daarna heeft Keizer Napoleon nog geprobeerd hier een kerkelijke organisatie in te voeren naar het model van de Fransche Kerken, een organisatie, waarbij de „oppermachtige wil van den overheerscher, óok in de godsdienstige aangelegenheden krachtig zou gevoeld worden", maar ook daarvan is ten slotte niets terecht gekomen door den val van den Franschen Keizer !
En zoo waren de oude Kerke-ordeningen — voorzoover door de Scheiding van Kerk en Staat sommige hunner bepalingen niet opgeheven waren — nog ten volle van kracht, toen hier Oranje kwam ; en bestond de hoop, dat, nu de vrijheid van ons volk zou worden hersteld, óók de Kerk, langs historischen weg, dat is volgens hare aloude instellingen en beginselen, zich weder zou kunnen herstellen. Die instellingen waren immers blijven bestaan !
Wel waren zware stormen over deze Gewesten gegaan, en had de Kerk veel geweld ondervonden en geleden, maar zij was toch niet „ontbonden" ; en de beproevingen hadden tot zegen kunnen gedijen ; uit verlies had hier winst kunnen voortkomen.
(Wordt voortgezet.)
HET BLIJVENDE IN DE BELIJDENIS
De Kerk stelt haar belijdenis niet op voor drie jaar. Ook niet voor een bepaalden tijd van langeren duur. De Kerk spreekt haar geloof uit naar uitwijzen van de Schriften, hebbende de belofte des Heiligen Geestes, Die woning komt , maken in het midden der Kerk en leidt in alle waarheid. Die autoriteit ligt niet in den Paus, aan wien God een onbeschreven waarheid komt meedeelen, met de gave van onfeilbare uitlegging. Zoo'n geestelijke Vader van de Kerk kennen en erkennen wij niet. God heeft ons Zijn Woord gegeven. En nu komt de Heilige Geest de Waarheid uit en naar dat Woord niet voor drie jaar aan de Kerk geven of voor tien jaar. De Heilige Geest leidt in alle waarheid en wij hebben het Woord onzes Gods, dat zéér vast is, met autoriteit bekleed, geloofwaardig en betrouwbaar. En bij het schijnsel van dat licht kennen wij de waarheid. Terwijl de Heilige Geest oude en nieuwe schatten uit die Waarheid Gods, naar de Schriften, voortbrengt.
Vandaar dat wij niets willen weten van een „vlottende" belijdenis. Daarmee moet de Kerk van Christus niet aankomen. Dan kan zij beter zwijgen en zeggen : „ik weet het niet". Het moet geen onzeker geluid izijn, dat de Kerk doet hooren. Als dat in den krijg gebeurt, komt niemand natuurlijk. En zoo zal ook niemand komen tot de Kerk, als zij zegt: „zóó meen ik dat het is — maar het kan mogelijk óók wel anders zijn — en daarom zullen we over drie jaar nog wel eens nader samen praten". Dan kunnen we beter thuis blijven en maar niet beginnen. Wij hebben 144 het profetische Woord, dal zéér vast is. En de Heere heeft dan ook bewezen, dat de belijdenis van Zijn Kerk, die leven wil en mag bij het Woord en uit het Woord, zéér vast is. Vanaf de eerste eeuwen, eenvoudig begonnen, is het gegaan om de Waarheid Gods, naar de Schriften uit te spreken in haar geloofsbelijdenis ; en juist door de bestrijding van buiten en van binnen, is de vaste belijdenis aangaande de schepping — zondeval — verlossing ; aangaande ellende — verlossing -- dankbaarheid ; aangaande den Verlosser Jezus Christus, Zijn geboorte, lijden, sterven, opstanding, hemelvaart ; aangaande leven en sterven, heden en toekomst — hoe langer hoe meer verdiept en verstevigd en de Kerk van Christus stond tegenover Rome, tegenover Anabaptisten, tegenover secten en geestelijke stroomingen, nooit veiliger dan wanneer zij leefde bij en uit het Woord, belijdende Jezus Christus en dien gekruisigd, handhavende haar geloofsbelijdenis.
Daarom zouden we de klok ook 1500 jaar terug zetten, als we b.v. in onze Herv. (Geref.) Kerk teruggingen tot de Apostolische Geloofsbelijdenis en van geen andere (latere) Confessie wilden weten. Dat zou een miskenning zijn van de geschiedenis, van de leiding Gods, van de onderwijzing des Heiligen Geestes. En het zou een hopeloos verachten zijn van de taak en de roeping der Kerk in het uitspreken van de belijdenis der .Waarheid, waarbij de Kerk alleen maar leven kan.
Nu heeft de Synodale Organisatie van 1816 de rijke belijdenis der Herv. Gereformeerde Kerk opgesloten in een safe, weggemoffeld in een stopflesch, zoodat de belijdenis nu „een hart op sterk water is". De belijdenis der Kerk is bewaard, maar in het kerkelijk leven doet omen, alsof er geen belijdenis is. Er zijn Reglementen (met een hoofdletter !) en daaraan heeft men zich te houden, en dan is het goed ; maar doet men dat niet, dan loopt het verkeerd. Men vindt z'n doodvonnis bij de Reglementen. Maar op de belijdenis zal minder gelet worden. Practisch kan ieder vogeltje zingen zooals het gebekt is : de communist en bolsjewist ingesloten. Ds. Theesing ging er enkele jaren geleden wat trotsch op, dat hij „verboden Christendom" (izoo noemde hij het boekje) vrij en ongehinderd prediken en propageeren mocht.
Eenheid in reglementairen zin, naar geen eenheid in geloof en belijdenis is er in onze Hervormde Kerk ! En dat in een Kerk !
Nu moet er dus weer meer éénheid in de belijdenis komen. Geloofsgemeenschap en gemeenschap in het belijden, als grondslag van het kerkelijk leven. Daarop moet de Kerkgemeenschap rusten. Natuurlijk ! Dat is noodzakelijk en onmisbaar voor de Kerk. En als het zoo niet is, dan leeft de Kerk in de zonde en vermoordt zich zelve. Dan kan er wel een groep hier en een richting daar in de Kerk zich organiseeren, maar kerkelijk kan men niet leven naar Schrift en belijdenis. En dat is de zonde der Kerk en het is de ondergang van het kerkelijk leven.
Doch dan moet men geen „vlottende" belijdenis aandragen als grondslag. Dan moet men niet voorop zetten, dat eerst allerlei dingen uit de belijdenis weg moeten, omdat ze niet goed zijn.
Waarom zijn ze niet goed ? En wat is niet goed ? Omdat ze in strijd zijn met de meening van A of B ? Omdat deze en gene beweert, dat „de wetenschap" anders leert ?
Of stelt men zich eerlijk en royaal op den grondslag van de belijdenis, die de eeuwenoude belijdenis der Kerk is ; welke belijdenis zelve zegt, dat zij niet wil heerschen, maar dat Gods Woord met de hoogste autoriteit bekleed is (Art. 7 Ned. Gel. bel.) ? Stelt men zich eerlijk en royaal op dat standpunt ? Dan gaan we acooord !
En dan willen we ook erkennen, dat die belijdenis leven moet in de Kerk. Ook in dien zin leven, dat de Kerk zelve de belijdenis toetsen moet aan het Woord en onderzoeken, als de duidelijke leiding des Heeren in de Kerk, sommige dingen naar voren brengt, of de belijdenis deze dingen wel duidelijk genoeg zegt en vertolkt. Of, dat er misschien dingen zijn, die vroeger niet zoo aan de orde waren,
doch nu wel en nu ook besproken en beleden moeten worden b.v. in den Catechismus.
Dat is toch heel gewoon voor een Kerk die leeft en die meeleeft ? En zoo kan het ook gebeuren, dat men vroeger heel breed over een bepaald punt moest handelen in de Confessie of in den Catechismus, maar dat nu niet meer zóó aan de orde is. Dan zal de Kerk die leeft en meeleeft hierop moeten acht geven en om allerlei oorzaak (ook b.v. om de wille van de prediking en de catechisatie — denk aan de Catechismusprediking en aan het ,, Vragen leeren" op de catechisatie !) moeten meehelpen, dat deze dingen nu wat anders — misschien korter — gezegd worden.
Zoo zijn er inderdaad dingen, die bewijzen, dat de Kerk, die leeft, haar belijdenis moet „over-zien" en „bijhouden". Hier en daar wat wijzigen. Hier en daar wellicht aanvullen en „uitbouwen". En als .het op grond van Gods Woord bewezen werd in de Kerk, zou de Kerk ook, langs den kerkelijken weg, veranderingen moeten aanbrengen en dit of dat uit de belijdenis moeten wegnemen. Op grond van Gods Woord en langs den kerkelijken weg !
(Wordt voortgezet.)
RONDOM HET REORGANISATIE-ONTWERP (2)
Wij laten ds. J. J. Knap van Groningen nog even aan 't woord : Het gaat om de Presbyteriale Kerkinrichting en om de door God gestelde norm, het gebonden zijn aan Gods Woord.
„Langer dan een eeuw, sinds 't noodlottige jaar 1816, is er voor gepleit, gestreden en gebeden. En nu zij in dit Ontwerp met vele andere voorstellen aan de orde gesteld is, wil dit niet zeggen, dat wij óók de rest maar ongewijzigd moeten aanvaarden, om dan tenminste óók dit goede te ontvangen. Maar het stemt toch tot dank aan God, dat Kerkherstel en Kerkopbouw het op dit kardinale punt eens geworden zijn met elkander".
„Eveneens” — aldus ds. Knap — „is het een verdienste van het Ontwerp, dat het de Zending in nauw verband met de Kerk zet. Toen schrijver dezes pas predikant was, heeft hij meermalen hooren pleiten tegen het kerkelijk maken van de Zending, 't Heette beter — in strijd met het Zendingsbevel, dat Christus aan de Kerk in haar geheel gegeven heeft — dit werk aan Vereenigingen of Genootschappen over te laten. Zoo bleef de Kerk „als Kerk" er volkomen buiten staan, terwijl die arbeid haar door Christus opgelegd was. Geleidelijk is er toen een kentering in gekomen. Verschillende plaatselijke Kerken en Classen begonnen zich voor de Zending te interesseeren. Een groot deel der Kerk is er wakker door geworden. En nu is het een groote stap vooruit, dat in het Ontwerp de nieuwe richting als een onafwijsbare taak der Kerk opgenomen is".
Een verdienste van het Ontwerp is óók de erkenning der leertucht, die althans tot op zekere hoogte onafscheidelijk van de Kerk geacht wordt".
Ds. Knap vervolgt dan — want waar hij de lichtzijden noemt, verzwijgt hij de schaduwzijden niet, zooals ook behoorlijk is zoowel het eene, als óók 't andere te noemen — :
„Nog tal van andere maatregelen worden er voorgesteld, die van geen principieele beteekenis zijn. Maar wat de volle aandacht verdient, is het artikel, waarin gehandeld wordt over de Belijdenis of het belijdend karakter der Kerk. 't Is een verdienste, dat er over gehandeld wordt. Maar toch ligt hier haar onze meening het zwakke punt van het Ontwerp"
In een tweede artikel (11 Febr. '38) gaat ds. Knap hierover dan breeder handelen. Eerst begint hij nog even terug te grijpen naar het vorige en zegt :
„Blijkens ons vorige artikel heeft het Reorganisatie-Ontwerp de groote verdienste de Genootschappelijke bestuursinrichting der Hervormde Kerk te vervangen door het Presbyteriale stelsel, waarin de Algemeene Synode, evenals de Provinciale, een werkelijke vertegenwoordiging der Kerk te zien zal geven". „Daarbij is er in acht te nemen, dat de nieuwe voorgestelde Synode geen beslissingen naar
eigen inzicht, wil en zin treffe, maar in stipte gebondenheid aan Gods Woord, daar dit alleen de lijnen trekt, die van God gewild zijn, en waarop Hij amen kan zeggen".
„Naast deze verrassende lichtzijde" — aldus ds. Knap — „heeft het Ontwerp echter ook schaduwzijden, die men niet met een gebaar terzijde mag schuiven. Het gaat niet aan, den eisch te stellen — gelijk men gedaan heeft — om het Ontwerp, zooals het daar ligt, óf aan te nemen óf te verwerpen. De Buitengewone Synode heeft dit zeker niet gedaan, toen zij het Ontwerp voorloopig accepteerde. Want reeds ter vergadering werd op ernstige bezwaren gewezen. En indien het Ontwerp desniettemin aangenomen werd, is het geschied, opdat de Classicale Vergaderingen er zich over zouden uitspreken".
„Afgezien van de Kerkeraden, die slechts met plaatselijke gemeenten te doen hebben, zijn de Classicale Vergaderingen nog vertegenwoordigers telkens van een groep gemeenten. Zoodat slechts daar werkelijk het oordeel der Kerk gehoord kan worden. Daarom, ligt het op den weg dier Vergaderingen het vóór en tegen te overwegen, en, zoo noodig, amendementen voor te stellen. Dit geldt minder technische quaesties, voor wier oplossing een zekere legislatieve scholing noodig is, als wel de geloofs-quaesties, die men zonder die scholing zeer juist kan aanvoelen 't zou droevig zijn, indien het anders was".
Welke is nu de geloofs- of belijdeniskwestie ?
Ds. Knap zegt : „Juist over zulk een geloofs-of belijdenis-quaestie handelt het 8ste Artikel, de 5de alinea van het Ontwerp, want het is zóó geformuleerd, dat er bij velen wel ernstige bezwaren! moeten rijzen, niet alléén van de meer rechts-, maar o.i. eveneens van de meer links georiënteerden".
„In dat Artikel lezen wij, dat het tot de roeping van de onderscheidene organen der Kerk behoort, te zorgen „voor hare belijdenis door hervorming en handhaving, opdat het geloof der Kerk in hare verkondiging en in hare symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverder tot uitdrukking kome — en opdat de openbaring van God, Vader, Zoon en Heiligen Geest naar de Heilige Schrift, als regel van geloof en leven worde geëerbiedigd, en het karakter der Kerk als Kerk van Christus worde bewaard".
„Ieder beseft, er is hier sprake van het belijdend karakter van Christus' Kerk, waarmede zij staat en valt. Belijden is onafscheidelijk van een ware, levende Kerk. Christus heeft haar op de Petrinische belijdenis, dat Hij is de Christus, de Zoon des levenden Gods, gebouwd. Gaf de Kerk dit belijden ooit prijs, zij zou daarmede haar eigen doodvonnis vellen".
„De korte, kernachtige belijdenis van Petrus" — zoo vervolgt ds. Knap .— „die uit naam van alle Apostelen sprak, en daarmede uit naam van de geheele toekomstige Kerk, waarvan de Apostelen immers de grondleggers waren" (cursiveering is van ons. M. v. G.) „is later uitgebreid tot een breedere belijdenis. Dit was niet te vermijden, de Kerk werd er toe genoodzaakt. Reeds vroeg kwamen er in den boezem der Kerk allerlei dwalingen op, die soms meer, soms minder ingang vonden. Een Kerk, die zich zelve respecteerde, mocht deze vervalsching der oorspronkelijke belijdenis, niet rustig laten voortwoekeren. Zij was gedwongen er stelling tegen in te nemen, door met de Heilige Schrift in de hand, en daaruit haar verweer puttend, de oorspronkelijke belijdenis zoo zuiver mogelijk te houden".
„Het steeds breeder uitgroeien van de Kerkbelijdenis, eerst tot de Apostolische 12 Artikelen, en later, ten gevolge van de geestelijke worsteling der Kerkreformatie, was dus geen afgetrokken studeerkamer-werk, maar het is uit den mond der eeuwen, uit den strijd om de Waarheid als van zelf geboren".
„Uit de Kerkgeschiedenis met haar vaak ernstige dwalingen en het daartegen geboden verzet, zijn de drie Belijdenisschriften voortgekomen, die óók de Hervormde Kerk nog steeds in naam als de hare erkent".
„Onder de tegenwoordige Kerk-organisatie zijn zij nooit afgeschaft, maar zelfs al te vei lig gesteld, door ze op te bergen in een stalen kluis : zóó mogen wij Artikel 11 van het Algem. Reglement wel noemen, waarin te lezen staat, dat o.a. „de handhaving der leer" mede het hoofddoel moet zijn van allen, die de Kerk besturen of helpen besturen." Met die „leer" kan niets anders bedoeld zijn, dan de toen bestaande Belijdenisschriften, d. w. z. de Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37 Artikelen, de Heidelbergsche Catechismus en de Vijf Leerregels van Dordt, tezamen vormende De Drie Formulieren van Eenigheid. — Desondanks hebben de organieke Reglementen de deur open gezet voor een afwijkende leer, zoodat men wel eens van de Leer-vrijheid in de Hervormde Kerk spreekt".
Nu ds. Knap hier even op de „Leer-vrijheid" in de Hervormde Kerk doelt, gezien de practijk, kunnen we het bijna niet laten ook even op deze kwestie in te gaan. Doch laat ons, ter oriënteering, hier mogen verwijzen naar ons boekje : Over de Leervrijheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, 2de druk, 1928, Maassluissche Boekhandel.
Slechts twee uitspraken in deze van beteekenis, beide rakende de bekende (bijna zouden we zeggen „beruchte") woorden : „geest en hoofdzaak". Wat bedoelen die woorden „geest en hoofdzaak", door de Synode van 1841 voor 't eerst gebruikt ?
Prof. dr. J. H. Scholten (waarlijk geen „gereformeerd" man) zegt in zijn boek : „De Leer der Hervormde Kerk", Deel I, blz. 39 : „Het was de bedoeling van de Synode niet, om met de woorden aard en geest, wezen en hoofdzaak, de deur te openen voor subjectieve willekeur, zoodat het aan ieder zou vrijstaan, voor wezen en hoofdzaak te doen gelden, wat hem goeddacht — maar wel degelijk om hetgeen naar den geest en de beginselen der opstellers als het wezen en de hoofdzaak der Formulieren behoort aangemerkt te worden, enz." (bladz. 68)).
En ds. Dermout, de toenmalige Secretaris van de Synode, sprak in 1841 geruststellend: „Indien de Synode iets veroordeelt, dan is het de onverschilligheid omtrent geschiedkundige en godsdienstige waarheid op het gebied des Christendoms ; dan is het de vermenging van allerlei leerbegrip en de gelijkstelling van ieder stelsel, als waardoor de weg gebaand wordt tot ongeloof en geheele verzaking van het Evangelie", (blz. 69). En in het Regiem, voor Kerkelijk Opzicht en Tucht (Artikel 3) kwam, dat onder de tucht gesteld moesten worden allen die „in openbaren strijd handelen met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk" (blz. 73).
Wij willen dus maar zeggen, dat noch moreel, noch ook zelfs reglementair, de Leervrijheid in de Hervormde Kerk verboden is, altijd geweest, tot op vandaag toe. Maar, och arme, de practijk
Ds. Knap gaat nu verder handelen over Artikel 8, al. 5, waar dus sprake is van „te zorgen voor hare belijdenis, door hervorming en handhaving".
Hij schrijft dan : „Lezen nu de eenvoudige Kerkleden en .menigmaal ook wel de leden van een Kerkeraad in Art. 8, al. 5, van het Reorganisatie-Ontwerp, dat de 'organen der Kerk te zorgen hebben „voor hare belijdenis door hervorming en handhaving", dan denken zeer velen daarbij aan de hervorming en handhaving der nog altoos bestaande (schoon „opgeborgen") Belijdenisschriften. Eigenlijk ligt deze opvatting 't meest voor de hand. Immers, wanneer het te doen is om verderontwikkeling der Kerkelijke belijdenis, dan zal men den band met het verleden, met het historisch-gewordene, niet mogen breken. Men zal zijn uitgangspunt moeten kiezen in het reeds bestaande, dat in een strijd van bloed en tranen, door het martelaarschap heen, verworven is. Zóó verkrijgt men een onmisbare continuïteit. Zóó alleen kan men spreken van re-formatie en 7'e-organisatie. Wenscht men de lijn van het verleden nief door te trekken, dan schept men iets nieuws, men zou het eer Nieuw-bouw kunnen noemen”.
Over deze belangrijke kwestie moet nog een woordje gezegd worden. En dat doet ds. Knap ook. Maar dat bewaren we voor het volgend artikel.
(Wordt voortgezet.)
DE ZWARTE LIJST VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS
Wanneer men blaadjes leest als b.v. „Het Liberale Weekblad", verschijnend te Rotterdam (we denken aan het no. van 31 Dec. '37), of als men een brochure : „Feiten en Gegevens ten dienste van de propaganda voor de Openbare School" in handen krijgt, voelt men aanstonds, dat de voorstanders van de neutrale Overheidsschool 't met droeve oogen aanzien, dat het Bijzonder Onderwijs en de School met den Bijbel nog gestadig toeneemt en groeit onder ons volk, in de steden en op de dorpen. En dat doet vele propagandisten vallen in de grove fout van overdrijven, en, wat erger is, in de leelijke fout van liegen en schelden en lasteren.
Zoo schreef de liberale Wegwijzer, dat de bijzondere school geen menschen kweekt, die het volle leven kennen (dat doen alleen liberalen en socialisten, enz.). Dat komt, omdat men op de Christelijke School niet den regel toepast : „onderzoekt alle dingen en behoudt het goede", maar kleine fanatiekelingen en dwepers kweekt, die niet geleerd hebben respect te hebben voor de meening van de evennaasten, hoewel dit respect toch het cement voor iedere waarachtige samenleving is" (wat de liberalen en socialisten, vol waardeering van en achting voor anderen, zoo heerlijk beleven in de practijk !)
De brochure : „Feiten enz." doet er nog een schepje boven op en zegt, dat „de geestelijken zieltjes ronselen voor enkele guldens in de week" en dat „de bijzondere school zooveel leerlingen heeft, door het toepassen van vele verkeerde middelen, waarvan dwang er een is". „Vele bijzondere scholen zouden kunnen verdwijnen, als men maar eerlijk was". Enz.
Nu is er de laatste weken nog een „liberale wegwijzer" bij gekomen, n.l. ds. Westmijse, voorganger van de Vrijz. Hervormden te Rotterdam. Die heeft zich opgeworpen als propagandist voor de Openbare School, en heeft de laatste weken o.a. in Arnhem en in Zuid-Beijerland gesproken, om de loftrompet voor de Openbare School te doen hooren — en dat is het ergste niet — maar om tegelijk het strafregister van de Christelijke School te lichten en de zwarte lijst van de School met den Bijbel aan de schare voor te houden. En dat laatste (zooveel begrijpen we er wel van) is voornamer dan het eerste. Afbraak van de Christelijke School! Vanwege de waarheid, de gerechtigheid, de verdraagzaamheid, het echt christelijke dat zulke menschen nacht en dag vervult en hen altijd in de mond ligt : „verdraagzaamheid het cement voor iedere waarachtige samenleving en de waarheid boven alles” !
Gaarne verklaren we hier, dat we nooit gepland, die voorstander is van de Openbare School, zullen kwalijk nemen als hij een goed woord voor die school spreekt. Als het hart daartoe dringt, 't zij zoo.
Maar wat we wèl ten kwade duiden aan zulke volksredenaars, als ds. Westmijse is, is dit, dat zij het blijkbaar niet kunnen nalaten — natuurlijk vanwege de liberale verdraagzaamheid en de liberale waarheidshartstocht! — het schoone schilderij van de Openbare School op te hangen tegen een achtergrond, die zoo donker mogelijk gekleurd is en waarop in vlammend schrift te lezen staat : dat verfoeielijke Bijzonder Onderwijs !
Uit Arnhem en uit Zuid-Beijerland (waar blijkbaar ds. Westmijse dezelfde „bezielende" rede gehouden heeft) wordt bericht, dat de propagandist der Openbare School eerst is begonnen, om allerlei moois te zeggen van de neutrale Volksschool. En wel :
1. De Openbare School is de meest christelijke School.
2. De Openbare School is de meest nationale School.
3. De Openbare School is het symbool onzer volkseenheid.
4. De Openbare School staat in dienst der waarheid.
5. Op de Openbare School wordt overal door deskundigen Godsdienstonderwijs gegeven.
Dat is een mooie „staat van dienst" — zouden we zeggen. En het moet ons verbazen, dat de menschen in de steden en in de dorpen
er helaas ! zoo weinig van gelooven. Zou hel misschien ook al te mooi gekleurd zijn ? „De meest christelijke", „de meest nationale" ; „symbool onzer volkseenheid" ; „staande in dienst der waarheid" ; en overal Godsdienstonderwijs door deskundigen...... ja, misschien is het ietwat te veel geflatteerd voorgesteld en alle overdrijving schaadt
Maar dan wordt al dat moois opgehangen tegen een achtergrond zóó afschuwelijk, dat het eind er van wèg is. Men moet zich verbazen, hoe een man als ds. Westmijse al dat moois heeft kunnen bedenken, om het zoo mooi te gebruiken op z'n propaganda-tocht, die heind en ver wordt uitgestrekt. Want vooral een dominee, een „geestelijke", is in deze welkom, natuurlijk. Vooral een „geestelijke", die niet van knoeierijen houdt zooals andere geestelijken (niet-Vrijzinnigen natuurlijk) er wel op na houden op schoolgebied
Hoe die achtergrond er uit ziet ?
1. De Christelijke School is zoo slecht, want zij levert „de ruwste kinderen", die „het meest vloeken".
2. De Christelijke School doet „van den godsdienst vervreemden", en maakt vrijdenkers, „Dageraads"-menschen.
3. De voorstanders van Christelijk Onderwijs zijn er voortdurend op uit de Openbare School met oneerlijke middelen te bestrijden.
4. Zij doen het soms openlijk, .maar liefst achter de schermen.
5. Elke Godsdienstige secte is er op uit de kinderzieltjes te vergiftigen met dogma's en leerstellingen, die ze niet kunnen verdragen.
6. Zoo komen dan ook uit de z.g.n. Christelijke School de meeste Godloochenaars en revolutionairen (zie onder no. 2).
7. De bedreigingen om leerlingen naar de Christelijke School te lokken, zijn in overvloed.
In twee verslagen in de courant : „De Geldersche Post" (4 Maart '38) en „De Rotterdammer" (5 Maart '38) hebben we bovenstaand gelezen. En het ééne bij het andere gevoegd vonden we het wel eens aardig het mee te deelen aan de lezers van ons Orgaan.
Een mensch is nooit te oud om nog wat te leeren.
Zelfs van een Vrijz. Hervormd dominé.
Hulde voor zulke menschen ! Die helaas veel te weinig vertrouwd worden. Zooals ze zeggen en klagen. Dat „domme" volk ook, dat zich „christelijk" noemt !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's