De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

RONDOM HET REORGANISATIE-ONTWERP (3)
Hoe staat het nu met dat ,,hervormen" van de belijdenis (Art. 8 al. 5) ?
Ds. Knap zegt er nog dit van :
„Nu is het zeker, dat niet alleen eenvoudige kerkmenschen het „hervormen en handhaven der belijdenis" in het nieuwe Ontwerp opvatten als een hervormen én handhaven van de bestaande Belijdenisschriften, en daarin hun uitgangspunt willen nemen voor verder-ontwikkeling in verband met de veelszins gewijzigde behoeften van den modernen tijd. Oók één der hoofden van Kerkherstel, prof. Haitjema, die dan toch lot de mede-opstellers behoort, staat deze opvatting voor. En er zullen er vermoedelijk velen zijn, die leden van Kerkherstel zijn, die op dit punt met hem instemmen. Zijn gevoelen getuigt van historischen zin, wat iets anders en beters is, dan eerbied voor de traditie, waarvoor de Jongeren in den regel niet heel veel voelen".
„Was het nu” — zoo merkt ds. Knap verder in deze belangrijke kwestie op — „was het nu de bedoeling van alle opstellers dit artikel op die wijze te interpreteeren (uit te leggen), dan zouden niet velen er bedenkingen tegen opwerpen" (cursiveer ing is van ons). „Ook niet tegen het „hervormen", want geen enkel Belijdenisschrift heeft de pretentie onverbeterlijk te zijn, en zelfs vrij van dwaling, 't Is immers alles eerbiedwaardig menschenwerk, dat nooit volmaakt is. Elke belijdenis staat onder de hoogheid van Gods Woord, dat alléén onaantastbare waarheid is. En ofsohoon wij persoonlijk nooit iets in de Belijdenisschriften gevonden hebben, wat afweek van de Heilige Schrift, toch blijven wij erkennen, dat zulk een afwijking mogelijk is, maar dan ook als zoodanig uit Gods Woord bewezen moet worden, eer men eenige wijziging, langs kerkdijken weg, aanbrengt.
Onder het „hervormen" zou men bij prof. Haitjema's interpretatie óók kunnen begrijpen een aanvulling van de bestaande Confessie. Er zijn in den modernen tijd nieuwe geschilpunten opgekomen, waarin de Kerk noodig haar woord moest spreken. Zij zou er door toonen begrip van het heden met zijn geestelijke nooden te hebben.
Toch blijft de vraag dan nog open, of ééne Kerk zóó maar het recht heeft, om veranderingen of aanvullingen aan te brengen, daar er feitelijk slechts één algemeene, internationale wereldkerk is. Een enkel lid van dat machtige lichaam kan te dezen moeilijk alléén beslissen ; men zou met de vertegenwoordigers der andere en buitenlandsche Kerken moeten vergaderen, zooals ook in 1618 en '19 te Dordrecht geschied is".
Wij mogen hierbij misschien een kleine aanteekening maken, bij deze kwestie van „hervorming", waar het geldt „de zorg voor de belijdenis" en „de handhaving der belijdenis", opdat het geloof der Kerk in hare verkondiging en in hare symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverder tot uitdrukking kome, enz., naar de Heilige Schrift, als regel van geloof en leven. (Zie Artikel 8, alinea 5).
Het schijnt niemand op te vallen, dat het Ontwerp een hoofdstuk heeft, waar boven staat : „Herziening der liturgische formulieren en hervorming der belijdenis". We laten hier volgen wat er staat over „hervorming van de belijdenis" (Zie Hoofdst. VI, art. 70).
„Hervorming van de belijdenis wordt door de Algem. Synode ter hand genomen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op een daartoe strekkend voorstel van een Classicale Vergadering of Provinciale Synode. [Hier zouden wij liever lezen van een bepaald aantal Class. Vergaderingen en een paar Provincaie Synodes — maar dit slechts ter loops].
„Alvorens tot behandeling hiervan over te gaan", lezen we verder in art. 70, alvorens er dus iets gebeurt, „wint de Algem. Synode advies in van de in Art. 60 sub a. genoemde „Commissie voor belijdenis en liturgie". [De Algem. Synode, gekozen door de Prov. Synoden en bestaande uit 20 predikanten en 16 ouderlingen, heeft 9 bijzondere commissies van voorbereiding en advies : a. een Commissie voor belijdenis en liturgie ; b. een Commissie voor de uitw. en inwendige Zending ; c. een Commissie voor de diaconale belangen; d. een Commissie voor het onderwijs, voor alle onderwijszaken, waarin de Synode gemoeid wordt, inzonderheid betreffende het godsdienstonderwijs ; e. een Commissie tot voorlichting inzake de éénheid en de verscheidenheid der Kerk ; f. een Commissie voor het jeugdwerk ; g. een Commissie voor de beheerszaken ; h. een Commissie voor correspondentie met andere Kerken ; i. een Commissie van vijf voor het Kerkrecht, rechtspraak enz.]
„Indien de Commissie van advies tot de conclusie komt, dat „hervorming" van de belijdenis noodig is en het oogenblik daartoe gekomen is" (dat zijn twee dingen), „formuleert zij deze en raadpleegt daaromtrent andere Kerken, op wier oordeel zij prijs stelt".
Op dit raadplegen van andere Kerken in deze, wilden wij, in verband met de zéér juiste opmerking van ds. Knap, de aandacht vestigen, omdat het alzoo in het Ontwerp zelve is omschreven en vastgesteld.
En dan volgt er in Art. 70 (om dat nu meteen maar te zeggen), dat dan, na kennis genomen te hebben van het gevoelen dezer Kerken, — dat dan de Synode kan besluiten, met een meerderheid van minstens 2/3 van haar leden, een voorstel tot hervorming der belijdenis voor te leggen aan een opzettelijk daartoe bijeengeroepen Kerkvergadering, bestaande uit de leden der Algemeene Synode (20 predikanten en 16 ouderlingen) en tweemaal zooveel afgevaardigde predikanten en ouderlingen (dus bij die 20 predikanten en 16 ouderlingen komen dan nog 40 predikanten en 32 ouderlingen, wat dus 60 predikanten en 48 ouderlingen wordt), die daartoe door de Prov. Synoden worden 'benoemd. Deze Kerkvergadering (van 60 predikanten en 48 ouderlingen) neemt omtrent de aanhangige hervorming een eindbesluit en kan deze vaststellen, indien ten minste 2/3 harer leden (van die 60 predikanten en 48 ouderlingen) zich daarvóór verklaart (dus minstens 72 leden).
Wij mogen hierbij tegelijk even opmerken, dat het Ontwerp onderscheid maakt tusschen „herziening" der liturgische formulieren en „hervorming" der belijdenis. Van „herziening" der belijdenis is hier dus geen sprake, alleen van „hervorming" ; wat bedoeld is als „vorm-verandering" als 't noodig geoordeeld wordt, langs den weg boven genoemd.
Volledigheidshalve — en eerlijkheidshalve — vermelden we nog even, dat Art. 8 aldus begint : dat de Nederlandsche Hervormde Kerk, door haar zelve, als deel van de ééne algemeene Christelijke Kerk, haar wezen en doel (haar wezen en taak dus) tot uiting is gebracht in hare historische belijdenisschriften en liturgische formulieren.
Die dus weten wil wat de Nederlandsche Hervormde Kerk is, vrage het haar zelve, en zij zal antwoorden : dat heb ik, als Nederlandsche Hervormde Kerk, in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, in den Heidelbergschen Catechismus en in de Dordtsche Leerregels uiteengezet en beschreven, en dat kunt ge vinden in het Doopsformulier en in het Avondmaalsformulier en in het Formulier ter bevestiging van dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen. Zóó wil zij als Kerk van Christus in Nederland uitkomen — volgens Art. 8 van het aanhangige Ontwerp tot Reorganisatie.
Na deze uitweiding onzerzijds geven we nog even het woord aan ds. Knap voor wat hij aan 't eind van zijn tweede (slot)artikel schrijft :
„Hoe dat nu zij, het ongelukkige is, dat het „hervormen en handhaven" door anderen op een geheel verschillende wijze verklaard en opgevat wordt. Er staat in het aangehaalde artikel „belijdenis" —-maar nu zijn er, die nemen dit in den zin van , belijden", en wel van het tegenwoordige belijden der Kerk".
En dan — zoo zegt ds. Knap — dan raakt de „hervorming" niet alleen den vorm, maar ook het wezen der belijdenis en het wezen der Kerk. En zóó zou het Ontwerp ook een hervorming van den inhoud der belijdenis bedoelen. „De belijdenis zou straks een nieuwen inhoud krijgen, die de zoo zuiver mogelijke uitdrukking van het hedendaagsche geloof der Kerk is". „Wat die belijdenis zal inhouden, zal eerst later blijken".
Hier zit voor ds. Knap het punt in kwestie. En ernstig en zakelijk schrijft hij : „Zooals 't in het Ontwerp staat, is het dus een blancobelijdenis, die later haar inhoud verkrijgen zal. Wij vermoeden, dat er bij die „hervorming" van het „belijden" vele oude waarheden vastgelegd zullen worden. Daarnaast kunnen er echter uitspraken in voorkomen, die niet geworteld zijn in Gods Woord. Wij zeggen niet, dat 't zoo zijn zal, maar de moge­lijkheid bestaat".
Ds. Knap eindigt dan aldus :
„Het Artikel laat twee verklaringen toe. En dat mag niet bij een wet. Zij moet duidelijk en doorzichtig zijn. Werd dit dubbelzinnig artikel ongewijzigd aanvaard, het zou een bron van kerkelijke ellende en vele conflicten worden. Onze Kerk heeft lang genoeg met twee monden ja en neen gezegd. Wil men haar réorganiseeren, dan zal in de Kerkorde alles waar en klaar moeten zijn. Anders is het veel wijzer er niet mede te beginnen. Men zij bij Art. 8 al. 5 op zijn hoede !"
(Wordt voortgezet.)

Gods Verbond en Gods Kerk of organische gemeenschap in ’t geloof.
Wij hebben in onzen kring veel te danken aan de goed gefundeerde, heldergedachte en kalm gestelde beschouwingen van ds. Woelderink, , die door velen en onlangs ook door prof. Schilder geprezen werd voor zijn klare uiteenzetting van de echt reformatorische gedachten inzake onze theologie en ons kerkelijk leven. Het is mee door hem, dat onder ons de individualistische, atomistische opvattingen, die geheel in de lijn van het Methodisme en het sectewezen liggen, aan 't verdwijnen zijn. En we kunnen ons voorstellen, dat er, onder de jongere predikanten vooral, velen zijn, die dat hoogelijk waardeeren. Het eigengerechtige en dwaas-hoogmoedige subjectivisme, dat alle organisch verband in het werk van den Herschepper, die het werk des Scheppers niet vernietigt, maar gebruikt in den weg van het Verbond, heeft al zooveel bedorven in en buiten de Hervormde Kerk. Denk maar aan al de Oud-en Vrij-Gereformeerde Gemeenten, die er de laatste jaren, in eindelooze reeks, verrezen zijn in de steden en op de dorpen, waar overal in een minimum van tijd ook een „dominé" voor te vinden was. Het gaat alles „luk, raak". En de gewone voorstelling is dan, dat God (zooals een zeker Godsdienstonderwijzer in zijn preeken het altijd aanschouwelijk voorstelt) „er hier en daar een uitpikt, één in een stad en één in een dorp, naar 't Hem belieft".
Dat het den Heere bij Zijn genadewerk nu beliefd heeft in den weg des Verbonds te wandelen, het Verbond in de geslachten, schijnt men niet te weten en wil men allerminst aanvaarden. De Anabaptisten, die „geestelijke" secte in de dagen van Luther en Calvijn — echte „geestdrijvers" (Spiritualisten of Enthousiasten) die veel geestelijker en vromer waren dan Luther, Zwingli en Calvijn met elkaar, kwamen met dat individualisme en subjectivisme en atomisme, waarbij alle samenhang in den geestelijken weg Gods, die de God des Verbonds is, zoek was. Hier komt er een, en daar komt er een tot bekeering en in eigen weg van vroomheid wordt dan het geloof vastgelegd. De vrome mensch dit en de vrome mensch dat. En die niet vroom was, zooals anderen vroom waren, stond buiten het leven, zooals Calvijn, Luther en Zwingli, dan ook maar „letterknechten" waren, „doode honden, zonder een aas je leven". Het waren mannen van studie met godgeleerdheid maar ze waren niet „van God ge­leerd", want dat geschiedt door den Heiligen Geest, die blaast waar Hij wil. Bij die mannen, als de Hervormers waren, zat het „een voet te hoog", het zat in het hoofd en het moest in het hart zitten.
Tegen deze vreeselijke beschouwingen hébben de Hervormers, geheel naar uitwijzen van de Heilige Schrift, gewaarschuwd en gestreden en gebeden. En door Gods genade is de Kerk van Christus hier en elders door hetgeen deze van-God-geleerde-mannen zoo echt Schriftuurlijk leerden, verjongd en vernieuwd. En het Verbond kwam weer in 't centrum staan en het organisch verband bij geloof en wedergeboorte, bij rechtvaardigmaking en heiligmaking, werd weer hersteld — helaas ! om niet zoo héél lang daarna weer voor het individualisme van het Methodisme en Piëtisme, in den geest van het sectewezen, plaats te maken. Welke sectegeest, vol subjectivisme, individualisme en atomisme, voortwerkt tot op vandaag, met totale miskenning van het Verbond en het organisch verband, door God Zelf in Zijn werk der genade en des eeuwigen levens gelegd.
Door alle eeuwen heen is het gezocht in moralistischen weg. De moraal, eigen vroomheid, goede werken, kenmerken en onderscheidingen van individualistischen aard, kwamen op den voorgrond. Na Paulus zijn de Apostolische Vaders er al mee begonnen, met terug te vallen tot een „moralistische opvatting van het geloof" (dr. J. A. C. van Leeuwen. Theol. Studiën 1908, blz. 81 v.v.) „Bij hen", zegt de latere hoogleeraar te Utrecht, „is de kern niet meer het vertrouwen op Gods beloften, maar het gehoorzamen in liefde aan Gods geboden". Het zelf-doen van den vromen mensch met z'n gestalten en het doen van goede werken, verdringt het geloof, waarvan dan ook „weinig sprake is in hun geschriften". En bij de Kerkvaders gaat het eveneens verkeerd. „Ook bij de Kerkvaders vinden we een van de Heilige Schrift afwijkende opvatting van het geloof", zegt dr. Van Leeuwen, „waarbij de diepe, geestelijke zin van het geloof in Jezus Christus en de belofte des Evangelies niet tot zijn recht komt" (blz. 82).
In de Reformatie komt „Paulinische reactie tegen/ de heerschende vroomheid". En „wij zullen ons in deze moeten oriënteeren aan de Heilige Schrift en aan de theologie der Reformatoren, voornamelijk aan die van Calvijn". „De religie was voor hem méér dan een mystieke devotie of een reeks van voorschriften om het leven te regelen". „Veeleer en veel meer leggen de reformatoren er den nadruk op, dat de religie gebonden is aan de absolute beteekenis van den persoon en het werk van Jezus Christus voor de Gemeente, en de religie is in haar wezen dan altijd een levende, actieve en nooit rustende relatie tusschen God en den zondigen mensch".
Komt dan in den Lutherschen weg — en later onder invloed van Schleiermacher in de ethische theologie — het geloof min of meer te rusten in eigen ervaring — bij Calvijn staat het in deze anders, omdat deze reformator de waarheid der Souvereiniteit Gods op den voorgrond stelde, maar geenszins als een abstract begrip, maar als een geestelijke werkelijkheid met geestelijke werkzaamheid. Dat heeft Calvijn bewaard voor een „immanente filosofie" en voor een „immanente theologie", welke willekeur en geestelijke anarchie in de hand werkt. Menschelijke „gewaarwordingen" en „ervaringen" worden dan de bron en we krijgen, ook in „het geloof der Gemeente" later, een, subjectivistische theologie, die zich nergens anders mee bezig houdt, dan met eigen geestelijke ervaring en het. constateeren van eigen gevoel en overtuiging, op welk individualistisch en subjectivistisch fundament dan moet worden voortgebouwd ! „Dat zóó" — zegt dr. J. A. C. van Leeuwen, de latere hoogleeraar — „de vastigheid van het geloofsleven verloren gaat, is gemakkelijk te begrijpen en alles wordt in handen gelegd van het subject, waarbij de kring der geloovigen als vanzelf hoe langer hoe kleiner getrokken wordt, omdat menschelijke waardeering de maatstaf is”.
„Voor een zuivere beschrijving van het geloof, en zijn plaats in de toepassing des heils, moet” zegt dr. Van Leeuwen „méér dan gewoonlijk geschiedt, de nadruk worden gelegd op de beteekenis van het genadeverbond. En dan niet alléén in den ideëelen zin, dat het genadeverbond in Gods eeuwigen Raad gesteld is, maar vooral zooals het is opgetreden en bestaat in de geschiedenis van het zondig menschengeslacht".
En dan schrijft dr. Van Leeuwen : „Vooral is dit telkens bij Calvijn te vinden, dat het verband tusschen de gemeenschap en de individu in het oog wordt gehouden en dit is een trek van de reformatorische theologie der 16de eeuw".
Calvijn wijst er dan ook altijd op „dat de beteekenis van het offer van Christus en de vrucht daarvan aan de Gemeente ten goeds komt, en dat het nooit aan den geloovig: persoonlijk, als individu, ten goede komt buiten verband met de Gemeente" (zooals juist het individualisme, dat uit een subjectivistischen en atomistischen geest leeft, altijd wil).
Belangrijk is wat Calvijn hieromtrent schrijft in De Institutie, Boek IV, 4. De Kerk, de zichtbare Kerk, wordt daar door hem „Moeder" genoemd. En hij zegt, dat er voor ons geen andere ingang is tot het leven, dan dat we uit de Kerk, als „Moeder", geboren worden ; in haar ontvangen, in haar tot leven komen, door haar gebaard, door haar gevoed als aan haar borst, door haar opgevoed tot we tot wasdom komen en straks worden afgelost hier ; „totdat wij, na het sterfelijke vleesch afgelegd te hebben, gelijk zullen zijn aan de engelen".
Wat een verschil met al dat methodistisch en subjectivistisch schermen met de Kerk als steigerwerk ; met al dat verachtelijk spreken over de Kerk als ware het een overtollig en zelfs schadelijk ding, waarbij de secte het vroom gezelschap heeft, met eigen overtuiging en ervaring, waarop alles gebouwd wordt door „levende zuilen" ; die net zoo min lals ze z.g.n. iets om „het lichaam" of om „de wereld" geven, ook niets geven om „de Kerk".
Calvijn zegt, dat we niet zonder de Kerk, onze „Moeder", kunnen, om tot het leven te kunnen komen en bij het leven te kunnen blijven „Onze zwakheid duldt niet — aldus de groote hervormer te Geneve — „dat wij uit de school ontslagen worden, vóórdat wij den ganschen levensloop der leerlingen hebben beëindigd. Buiten haar mag geen vergeving der zonden verwacht worden en geen zaligheid, gelijk Jesaja (37 vers 32) en Joel (3 vers 5) getuigen. Wat overeenstemt met hetgeen Ezechiël zegt (13 vers 9) aangaande de burgers van Jeruzalem. Ook in Psalm 106 : 4 wordt het heil voor den geloovige inbegrepen in het welbehagen, dat God tot Zijn volk heeft". Zoodat — zegt Calvijn — „de afwijking van de Kerk altijd het verderf meebrengt".
In een volgend artikel staan we nog even stil bij 't geen Calvijn aanteekent bij Galaten 4 vers 26.
(Wordt voortgezet).

[Een rectificatie.]
In ons tweede artikel „Rondom het Reorganisatie-Ontwerp" is een hinderlijke fout in onze redeneering binnen geslopen, waardoor precies het omgekeerde gezegd wordt van 't geen we bedoelden duidelijk te maken. We bedoelen deze zin (blz. 145, 2de kolom, ongeveer midden in) :
„Wij willen dus maar zeggen, dat noch moreel, noch ook zelfs reglementair, e Leervrijheid in de Hervormde Kerk verboden is, enz." Men voelt, dat deze zin had moeten luiden :
„Wij willen dus maar zeggen, dat noch moreel, noch ook zelfs reglementair, de Leervrijheid in de Hervormde Kerk geoorloofd is enz."
Leervrijheid is overal verboden, in Art. XI Algem. Regl., maar ook in de bijzondere reglementen. Nooit en nergens mag iemand in strijd komen „met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk".
Waarbij we hebben verwezen naar woorden van prof. Scholten en ds. Dermout, de toenmalige Secretaris van de Synode (1841).
Men zie ons hoekje : „Over de Leervrijheid in de Ned. Herv. Kerk", 2de druk, 1928, blz. 68, 73, enz. enz.

Voorlichting van méér dan één kant.
Wij zijn nog altijd dankbaar, dat wij er iets toe hebben mogen .bijdragen, dat het Reorganisatie-Ontwerp door de Synode in eerste lezing is aangenomen. Natuurlijk was 't voor ons veel makkelijker en rustiger geweest, als het Voorstel maar dadelijk naar de papiermand ware verwezen. Dan was er nu geen praat meer over
Maar onze Kerk — en dat zijn wij — leeft in de zonde. De heerschappij des Heeren over Zijn Kerk wordt geweld aangedaan. De rechten des Heeren over Zijn Gemeente worden veracht. Het Woord kan in de Vergaderingen der Kerk niet z'n vrijen loop hebben. De ambten zijn gebonden. De Heilige Geest, die Christus' Kerk, wanneer zij bij het Woord leeft, in alle waarheid leidt, wordt tegengestaan en in Zijn werking belemmerd en verhinderd. Niet Christus is nu het éénig Hoofd van Zijn lichaam. En — dat mag toch zoo niet blijven ? Daaronder moeten we bewogen worden in onze ziel.
En nu is het voordeel van het bij eerste lezing aannemen van het Ontwerp tot reorganisatie, waarbij een poging gewaagd is om de Kerkelijke Vergaderingen weer in eere te brengen, en de ambten weer te doen functioneeren, en de belijdenis weer te doen leven enz., dat er nu doorgepraat moet worden. We moeten ons in de dingen inleven. We moeten ons een oordeel vormen. De dominees, de ouderlingen ; de Kerkeraad als zoodanig, omdat er straks een Classicale Vergadering wacht. En ook de Gemeenteleden moeten nu hun belangstelling toonen en daarom zich ernstig op de hoogte stellen van de dingen, waarom het gaat, vooral van de hoofdzaken.
Laat nu de een den ander niet in de haren vliegen.
Wat is dat toch een laf gedoe !
Laat ons veel liever nu eens doorpraten over de dingen, opdat we mogelijk verder komen inzake het kerkelijk vraagstuk en de oplossing daarvan, in den zin van weer en meer te mogen komen tot een belijdende Kerk, met hare eigene Kerkelijke Vergaderingen, waar Gods Woord gevonden wordt en de leiding des Heiligen Geestes mag worden ervaren, naar de belofte des Heeren, ons gegeven.
Wij willen hier op twee gidsen wijzen. En wel „de vliegende blaadjes" van de Vrijzinnige Hervormden (waarvan no. 1 verschenen is) en het „Reorganisatie-Weekblad", dat van rechtzinnige zijde komt (uitgave Callenbach, Nijkerk).
Beide uitgaven verspreiding zijn bestemd voor gratis
.Het laatste „Weekblad", dat ons aller aandacht verdient (tenminste van ernstige menschen, die ook nog een oogenblik naar anderen luisteren willen) staat onder redactie van de heeren prof. mr. P. Scholten, voorzitter ; ds. J. W. J. Addink, prof. dr. S. F. H. J. Berketbach van den Sprenkel, dr. K. J. Brouwer, ds. J. P. van Bruggen, dr. R. B. Evenhuis, dr. J. Eykman, prof. dr. Th. L. Haitjema, prof. dr. Ph. Kohnstam, prof. dr. G. van der Leeuw, mr. H. Mulderye, dr. O. Noordmans, ds. T. G. van Reeuwijk, ds. J. E. Uitman, prof. dr. C. G. Wagenaar, mr. C. E. van Walsum, ds. A. B. te Winkel, ds. J. G. Woelderink, ds. L. S. van Zwet en ds. W. A. Zeydner.
Dit blad, waarin men het door de Synode voorloopig aangenomen Reorganisatie-rapport nader brengen wil tot de kerkeraden en gemeenteleden, zal gratis toegezonden worden aan alle predikanten, ouderlingen en diakenen der Hervormde Kerk. Ouderlingen en diakenen kunnen zich van rechtstreeksche en regelmatige kostelooze toezending van dit weekblad verzekeren door opgave van hun naam en adres aan den uitgever van het blad : G. F. Callenbach N.V. te Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's