STAAT EN MAATSCHAPPIJ
ONDERSTELLING OF FEIT
Een onzer vaste lezers heeft in ons artikel: „Een mislukking", voorkomende in De Waarheidsvriend van 6 Januari en handelend over de Wet op de belasting van de Doode Hand 1934, aanleiding gevonden om over de resultaten, welke de doodehandsbelasting sedert haar invoering voor 's lands geldmiddelen heeft opgeleverd, twee vragen te stellen.
Wij zouden deze vragen allicht met een persoonlijk schrijven hebben afgedaan, ware 't niet, dat de vragensteller het vermoeden uitsprak dat verschillende lezers van ons blad er prijs op zouden stellen iets naders te mogen vernemen over de opmerking, welke wij in ons artikel maakten, dat de belasting van de Doode Hand een teleurstelling zal zijn geworden voor hen, die gemeend hadden, dat de rijke Kerken der Roomsch-Katholieken benevens de kloosterschatten zeker wel enkele tientallen millioenen in de schatkist zouden brengen.
Zoó de zaak staande, is er alle reden voor ons om op het artikel van 6 Januari terug te komen.
De vragen, die nu gesteld worden, formuleert onze lezer als volgt :
1°. „Het is toch wel een onloochenbaar feit, dat er vele kloosters zijn in ons land, die enorme kapitalen in de Doode Hand bezitten ; waarvan groote zaken aan kapitalen, tegen weinig of geen rente, geholpen worden ? " en 2°. „kunnen die kapitalen in de Doode Hand dan niet belastbaar gemaakt worden ? "
Alhoewel beide vragen met elkander nauw samenhangen, zouden wij gemakshalve toch eerst de laatste vraag willen beantwoorden, omdat de beantwoording van deze vraag eenvoudig is en ook categorisch, d.i. op stellige en rechtstreeksche wijze kan plaats hebben.
Ons antwoord op de vraag : kunnen de kapitalen in de Doode Hand, toebehoorende aan kloosters, niet .belastbaar worden gemaakt ? luidt : Natuurlijk kan dat, en het gebeurt ook zoo. Van de genoemde kapitalen wordt wel degelijk belasting betaald.
Kerken en kloosters vallen niet onder de instellingen, die volgens de lijst van artikel 1 der Wet niet als instellingen van de Doode Hand worden beschouwd.
Mochten bezittingen of kapitalen van kloosters aan den aanslag van den fiscus worden onttrokken en kent men deze, dan zal men goed doen de aandacht van den Inspecteur der belastingen van de desbetreffende inspectie op de ontduiking te vestigen, of anders den Minister van Financiën van het feit in kennis te stellen. Doet men dit, dan zal men zien, geen ondankbaar werk te hebben verricht.
Tot zoover de tweede vraag.
Wat nu de eerste vraag betreft, luidende : „Het is toch zeker wel een onloochenbaar feit, dat er vele kloosters zijn, die enorme kapitalen in de Doode Hand bezitten, waarvan groote zaken aan kapitalen, tegen weinig of geen rente, geholpen worden ? ", deze vraag is niet zoo stellig en rechtstreeks te beantwoorden als de tweede vraag.
De steller van de vraag noemt het een onloochenbaar feit, dat er vele kloosters in ons land zijn, die enorme kapitalen bezitten.
Is dit feit zoo onloochenbaar en staat dit feit zoo onbetwist vast ?
Zeker, ook ons zijn de fabelachtige rijkdommen der kloosters en ook die van de Roomsch-Katholieke Kerken meermalen ter oore gekomen. Eveneens hebben wij dikmaals gehoord van de groote Roomsche handels-en verkoophuizen, die van deze rijkdommen profiteeren en daardoor aan de Protestantsche instellingen en inrichtingen een ongebreidelde concurreniie aandoen.
De R.-Katholieken, ontkennen dit echter, wat natuurlijk niet voldoende zegt.
Maar zijn die enorme kapitalen onderstellingen of feiten ?
Voor zoover ons bekend, bestaan er over de bezittingen van Kerken en kloosters geen statistieken.
Echter doet zich een alleszins voor de hand liggende vraag voor. Deze vraag is, of de belastingambtenaren, die met de uitvoering van de döodehandsbelasting belast zijn en aan wie het bekend is, dat de Kerk-en Kloosterschatten als goederen in de Doode Hand aan de belasting onderworpen zijn, hun, plicht zoodanig zouden verzaken, dat zij op deze schatten geen acht zouden slaan ?
Dit kan en mag niet verondersteld worden. Daarom lijkt ons, zoolang niet met feiten wordt aangetoond, dat de enorme kapitalen der kloosters er zijn, het wel wat gewaagd, om wat in de gedachten leeft van hen, die het altijd over de kloosterschatten hebben, dit als feit aan te nemen.
Ongetwijfeld zal het van belang zijn om, wanneer de Regeering er toe mocht overgaan, wat wij niet hopen, de Wet van 1934 te verlengen, eens naar de rijkdommen der kloosters te informeeren.
Tot zoolang de informaties niet verstrekt zijn, zal men het beste doen om aan de kloosterschatten maar niet te veel geloof te hechen
KLOOSTERLINGEN-ONDERWIJZER
Behalve, dat de briefschrijver, hierboven bedoeld, inlichtingen vraagt in verband met de resultaten der doodehandsbelasting voor de schatkist, doet hij nog een vraag en maakt hij nog een opmerking over een onderwerp, dat of slechts in zeer verwijderd verband staat, of in het geheel geen verband houdt met de onderwerpelijke aangelegenheid.
Wij willen intusschen ook op deze vraag en opmerking van bescheid dienen.
De briefschrijver heeft het in de eerste plaats over het onderwijzend personeel, nonnen enz. Hij vraagt naar aanleiding daarvan, of van de salarissen, die de kloosterlingenonderwijzer genieten, geen inkomstenbelasting wordt geheven. „Men behoeft — aldus de vragensteller — geen anti-papist in den slechten zin van dat woord te zijn, om 't hoogst onbillijk te vinden, dat al die tractementen aan de kloosters ten goede komen, zonder dat er ook maar iets van — door den fiscus — in de Staatskas terugvloeit".
Ook wij zouden het hoogst onbillijk vinden, ja het zelfs ontoelaatbaar achten, wanneer het vermoeden van den briefschrijver juist was. Maar wat hij schrijft is niet overeenkomstig de werkelijkheid. Want ook kloosterlingen, die een eigen vermogen bezitten of inkomsten genieten, zijn van dit vermogen en van die inkomsten belastingplichtig.
Men moet al een zeer bijzonder inzicht in onze belastingwetgeving hebben, om te kunnen meenen, dat het eene deel van het volk voor zijn inkomsten wèl in de belasting valt en het andere deel niet.
Toch zoo staat het bij onze belastingwetgeving niet. Het is hij den belastingwetgever van Nederland : „gelijke monniken, gelijke kappen".
Nu wij toch even bij dit onderwerp stilstaan, mogen wij er terloops de aandacht op vestigen, dat de kloosterlingen-onderwijzer voor het Rijk goedkoope leerkrachten zijn. Dit zit in de omstandigheid, dat de kloosterlingen-onderwijzer ongehuwd zijn.
En van de ongehuwden luidt het in het „Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 134" in artikel 10, van deze, dat de wedden met inbegrip van de ambtstoelagen, voor zooveel noodig verminderd met den standplaatsaftrek, met 3 ten honderd worden verminderd. Zij ontvangen volgens het Besluit nimmer méér dan 9'0 ten honderd van de aan hun ambt verbonden maximum-of vaste wedde, met inbegrip van de ambtstoelagen, voor zooveel noodig verminderd met den standplaatsaftrek.
Bestonden de kloosterlingen-onderwijzer niet, dan zou de onderwijsbegrooting met een belangrijk bedrag moeten worden verhoogd. Doch dit tusschen twee haakjes. Vast staat, dat de kloosterlingen-onderwijzer van hun salarissen inkomstenbelasting betalen. Dit in antwoord op de vraag, die de briefschrijver stelde.
De opmerking, die hij verder maakt, houdt in, „dat het vaak voorkomt, dat in de kloosterscholen onbevoegden voor de klas geplaatst worden om de nonnen met onderwijsakte(n) gelegenheid te geven, ook onder schooltijd — wat men noemt — hun godsdienstplichten te vervullen".
Wat daarvan aan is, is ons onbekend. De briefschrijver kan het beter weten, dan wij.
Maar dan wijzen wij hem op de artikelen 107 en 191 van de Lager Onderwijswet 1920, in welke artikelen de personen genoemd worden, die toegang hebben tot de school. Tot deze personen behooren niet, zij, die niet in het bezit zijn van de akte van bekwaamheid om onderwijs te geven in de school.
Worden onbevoegden toch voor de klas geplaatst, dan is dit verboden en kan de school zelfs de rijkssubsidie worden ingehouden.
Wij zouden nu zelf aan den briefschrijver een vraag willen stellen en wel deze : of hij den Inspecteur tot wiens inspectie de school, waar deze ongeoorloofde dingen zouden gebeuren, al eens heeft gewaarschuwd ?
Tot zoover de briefschrijver.
Wij hopen hem met de antwoorden, welke op zijn vragen en opmerking gegeven werd, te hebben bevredigd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's