De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

10 minuten leestijd

Na de behandeling van de leer der Drieeenigheid gaat Calvijn over tot de leer der Schepping, waarop hij reeds vroeger heeft gewezen.
Hij gaat uit van Jesaja 40 : 21, waar de profeet degenen, die valsche goden dienen op hun onverstand wijst. Men behoorde uit de werken der schepping den waren God te leeren kennen, doch in stede daarvan maken de menschen zich ijdele voorstellingen en, indien God de geloovigen niet met klaarheid onderrichtte, zouden zij in de wegen der heidenen verdolen.
Dan begint Calvijn te wijzen op de historie der schepping, zooals die door het Woord wordt beschreven.
De wereld heeft een begin gehad.
De vraag, wanneer dat begin moet worden gesteld, hoelang dat geleden is, geeft hem niet veel zwarigheid. Naar de gangbare overtuiging in zijn tijd spreekt hij van 6000 jaar.
Wij zullen ons over deze vraag evenmin veel bekommeren. Ook al bepalen wij ons alleen bij hetgeen de Heilige Schrift noemt omtrent tijden en jaren, is het nog niet gemakkelijk de rekening op te maken.
Nog veel moeilijker wordt dit vraagstuk, indien wij gegevens buiten de Heilige Schrift willen verzamelen. De historische wetenschap is, vooral in de laatste eeuw zeer uitgebreid met name omtrent de oude wereld, waaruit Israël is voortgekomen. De opgravingen hebben vele merkwaardige dingen aan den dag gebracht uit het leven van de oude volkeren, die van ouds hebben gewoond in de vlakte van den Eufraat en den Tigris. Men wijst u het Ur der Chaldeën aan, vanwaar Abraham werd geroepen en meent zelfs nog overblijfselen van veel oudere tijden in die landstreek gevonden te hebben. Aanvankelijk noemde men het jaar 4500 voor Christus.
Zoo vindt men ook herinneringen over Jeruzalem, die vroeger opklimmen dan Abrahams tijd. Reeds in het derde millennium vóór Christus, zou daar een bekende stad van denzelfden naam bestaan hebben. (Een millennium is een tijdvak van duizend jaar. Het derde millennium voor Christus is dus een periode van 3000—2000 jaar voor Christus.)
Als Calvijn rekent met een geschiedenis van 6000 jaar, en wij nemen in aanmerking dat hij ongeveer 15 eeuwen na Christus leefde, dan volgt dus dat de schepping der wereld zou vallen in het vijfde millennium vóór Christus geboorte. (— 4500 voor Christus).
Er zijn onderzoekers, die veel hooger opklimmende getallen noemen. Er is echter geen vak, dat met zooveel moeilijkheden heeft te kampen als de tijdrekenkunde aangaande die grijze oudheid. Het komt voor, dat men op geen duizend jaar nauwkeurig kan bepalen, uit welken tijd een of andere vondst stamt. Ondanks het feit, dat het historisch-onderzoek heel wat heeft ontdekt, dat van groote beteekenis is voor de kennis der oudheid en ook voor de uitlegging van het Oude Testament van belang kan zijn, heeft het nog weinig zekerheid gebracht omtrent de oudste geschiedenis van den mensch.
Een overzicht van de geschiedenis der opgravingen vindt men in het boek van prof. Noordtzij : „Gods Woord en der eeuwen getuigenis".
Ook de natuurwetenschap houdt zich bezig met het vraagstuk omtrent den leeftijd der wereld, inzonderheid van de aarde, en van het menschelijk geslacht.
Zij volgt een andere methode, gaat uit van geheel andere onderstellingen en noemt veelal duizelingwekkende cijfers, die voor een gewoon historisch bewustzijn niets zeggen.
Ook omtrent den mensch en zijn afkomst worden voorstellingen gegeven, die reeds in uitgangspunt geheel vreemd zijn aan de schriftuurlijke gegevens.
Maar, zooals gezegd, deze beschouwingen zijn voor een niet gering deel op veronderstellingen gebouwd, die onder zekere omstandigheden misschien denkbaar kunnen zijn, maar welke daarom nog niet aan de werkelijkheid beantwoorden.
Deze onderstellingen trachten alle de natuur uit de natuur te verklaren en staan daarom in lijnrechten strijd met de leer der schepping.
Uit religieus oogpunt bezien komen dergelijke voorstellingen op uit een heidensche levensbeschouwing.
Nochtans zou men zich rekenschap hebben te geven van de resultaten der wetenschap, indien deze betrouwbare gegevens verschaften aangaande het verleden en den leeftijd van den mensch.
Hoever de historie van ons geslacht reikt is derhalve met zekerheid niet te zeggen. Dat doet echter niet af of toe aan de les, die Calvijn ons voorhoudt. Al zou het menschelijke geslacht eenige duizenden jaren ouder zijn dan men in navolging der Joden onderstelt, dat brengt geen verschil. De mensch heeft een begin gehad, zooals ook de wereld een begin heeft gehad.
Dat is het groote feit, waarom het gaat.
Niet een eeuwige stof, een eeuwige wisseling der dingen, een eeuwige natuur, welke uit zich zelf voortbrengt, wat wij aanschouwen, maar een begin. Daar was voor den aanvang der tijden geen mensch en geen wereld.
Wij gelooven, dat God de wereld geschapen heeft door het Woord Zijner kracht — en door een daad Zijner vrijmacht.
Er zijn n.l. ook nog menschen geweest, die wel aan een schepping wilden denken. maar als een gedwongen zaak. Zij houden God voor een noodzakelijk beginsel der dingen, doch zoo, dat Hij scheppen moest, zoodat de wereld als een uitvloeisel van Zijn Wezen zou zijn.
Men gevoelt, dat zulks aan God en Zijn werk te kort doet.
Indien dat zoo ware, zou God niet anders zijn dan een soort algemeene natuurkracht.
Zulke voorstellingen zijn in den grond der zaak heidensch en daarom verwerpelijk en strijden met de eere Gods.
Uit dien hoofde wijst Calvijn zoo met nadruk op de leer der Heilige Schrift. Wij hebben de klare onderrichting der openbaring noodig om niet te vervallen in de wegen der heidenen.
Hoe spoedig zijn we daartoe geneigd, als wij onze gedachten laten gaan over de dingen, die wij zien en over de vragen, die zij bij ons oproepen.
De hoofdzaak is dus niet daarin gelegen, of onze geschiedenis duizend jaren langer of korter heeft geduurd, ook niet daarin, of wij die al of niet nauwkeurig kennen en alle jaartallen en namen in een boek kunnen verzamelen, maar daarin, dat wij bedenken, dat alle dingen een aanvang hebben en geschapen werden door een vrijmachtige en souvereine daad van Gods wil.
Als wij dat aannemen en uit het Woord als een onderwijzing van den eenigen en waarachtigen God kennen en erkennen, zullen wij Hem niet vermengen met de afgoden.
Met het volste recht wijst Calvijn dus op de nuttigheid dezer leer, wijl het onze ziel opent voor de eeuwigheid Gods en ons leert onze eindigheid en afhankelijkheid te onderscheiden van Zijn heerlijk Wezen.
Zoodra wij het stuk der schepping niet zuiver houden geven wij ons over aan afgoderij, die God met de aardsche dingen vermengt en Hem niet in erkentenis houdt.
Calvijn waarschuwt in dit verband ook tegen andere afwijkingen en dwalingen.
Het is vooral de ongepaste nieuwsgierigheid, welke hij bestrijdt en men kan inderdaad van hem ootmoedigheid leeren, als men de nederigheid opmerkt, waarmede hij zich buigt voor Gods Woord.
Wat deed God, voordat Hij de wereld schiep ?
Dat is een vraag, die blijkbaar in de dagen der reformatie de menschen nog al eens bezig hield, want Luther spreekt daar ook over.
Ja, wat deed God ?
Als wij deze vraag ernstig nemen, kan de aandacht gevestigd worden op de algenoegzaamheid Gods, waarop wij ook door de leer der , Drieëenheid worden gewezen.
God is algenoegzaam in zichzelf. Daarom kan er voor Hem geen noodzaak zijn om zich te openbaren. Wie zulk een noodzaak zou aannemen, deed te kort aan de algenoegzaamheid Gods.
Al spreekt Calvijn in dit verband daarover niet, hij raakt toch aan diezelfde dingen, als hij Augustinus met instemming vermeldt, die er over klaagt, dat God beleedigd wordt, wanneer men een oorzaak en oorsprong der dingen zoekt buiten den wil Gods.
In zijn verweer stelt hij zich tegen de ongepaste nieuwsgierigheid, waaruit zulk een vraag kan opkomen. Daartegen beroept hij zich op het bekende woord, dat iemand eens zou geantwoord hebben: „Toen schiep God de hel voor nieuwsgierige en neuswijze menschen".
Wie zou ook kunnen indringen in de diepten der eeuwigheid, toen het Woord was bij God, waarvan Johannes gewaagt in het begin van het evangelie.
Hoeveel heeft de Heere in deze wereld niet te aanschouwen gegeven, waarin wij ons kunnen verdiepen. Voorts vermaant Calvijn tot godvruchtig onderzoek van wat God ons in Zijn Woord openbaart en gaat voort op zijn weg om daarin leiding te geven.
Zoo wijst hij op de schepping in zes dagen en neemt daaruit de leering, dat wij tevreden moeten zijn al onze dagen bezig te zijn met het aanschouwen van Gods werken, wijl God van dag tot dag bezig was met de schepping.
Ook in dit verband kunnen wij weer opmerken, dat de tijden wèl veranderen, maar de menschen niet. Altoos weer dezelfde vragen. Ook aan Calvijn was het niet onbekend, dat de menschen bezwaar maken tegen die dagen der schepping, als zou dat eigenlijk met de waardigheid Gods niet overeenkomen. Het zou hun dus beter toeschijnen, als God de wereld in één punt des tijds had toegericht.
Nog altijd komen de menschen met deze en dergelijke bezwaren. Zij willen er tijdperken van maken, omdat zulks meer in het gevlei schijnt te komen van wat de wetenschap omtrent de perioden der aarde voorstelt.
Dan weer zijn er, die tegenstrijdigheden vinden, omdat eerst den vierden dag de schepping van zon, maan en sterren wordt genoemd.
Calvijn spreekt slechts over het eerstgenoemde bezwaar en beroept zich op de gehoorzaamheid des geloofs, welke de rust leert kennen, waartoe wij door de heiligmaking van den zevenden dag worden genoodigd.
Dit is afdoende ook tegen de dingen, die wij daarbij hebben gehaald, want de genoemde zwarigheden treffen geenszins
God of Zijn Woord, maar ons verduisterd verstand.
En wij zullen de verwarring nog grooter maken, als wij Gods Woord gaan uitleggen overeenkomstig beschouwingen, die door de voorstellingen van een andere generatie van geleerden weer onderstboven worden geworpen.
Het voorbeeld van Calvijn verdient daarentegen eer navolging. Hij ziet op de vaderlijke zorg Gods, die de aarde heeft toebereid, opdat zij den mensch tot een woonplaats kon zijn. Hier is de vreeze Gods aan het woord, die tracht den profeet te verstaan, die van den eeuwigen Schepper aller dingen getuigt.
Het is hier te doen om de waarachtige kennisse Gods en niet om de vraag, of dagen van vier en twintig uren worden genoemd.
Uit de zuivere Godskennisse heeft de profeet gesproken, die ons de verborgenheden omtrent de schepping der wereld en haar toebereiding in Genesis heeft medegedeeld. Hij spreekt uit de dingen, welke Gods Geest hem heeft doen zien en hij spreekt daarover op een menschelijke wijze, opdat het ook anderen klaar en duidelijk kan zijn.
Calvijn houdt dien profeet overeenkomstig de overlevering door Mozes. Ook over de vijf boeken van Mozes heeft men sedert Calvijn veel geschreven, dat zijn auteurschap, althans van alles, wat in die boeken staat, twijfelachtig maakt.
Veilig kan men aannemen, dat Mozes niet de eerste is geweest, die Godsopenbaringen heeft gehad. Dat deelt hij trouwens zelf mede. Men denke aan Adam, Henoch, Noach, Abraham, Izaak en Jacob, die allen vóór hem hebben geleefd en de zaligheid Gods hebben aanschouwd.
Reeds vroeger hebben wij van Calvijn vernomen, dat de kerk nimmer zonder Gods Woord is geweest en wij mogen niet aannemen, dat de patriarchen zulk een genade niet geacht zouden hebben.
Veeleer komt het overeen met de ware godsvrucht te gelooven, dat zij de Godsspraken hebben bewaard, die bovendien ook voor het nageslacht zoovele beloften hebben bevat.
Al is het dus, dat wij niet nauwkeurig op de hoogte zijn met de geschiedenis dezer dingen, zoo kan men niet twijfelen, of het Woord Gods werd bewaard. Anderzijds kan het niet zonder grond zijn, dat de te boekstelling van zoo groot en gewichtig deel van de Heilige Schrift uit de oudste tijden aan Mozes wordt toegekend.
Hij moet daarin zonder twijfel een voornaam aandeel gehad hebben en zijn zorg hebben laten gaan over de bewaring en onderhouding van al datgene, wat God aan hem en aan anderen heeft geschonken.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's