De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

HEERLIJKE RUIL

9 minuten leestijd

Als in de uitgestrekte vlakten van Amerika, de bekende prairie's, brand ontstaat, grijpt het vuur met reuzen-armen loeiend om zich heen, en is in zijn oplaaiende vaart niet te stuiten. Het lange, hooi-achtige gras is bruikbaar voedsel voor het vuur, dat alles verteert. Niets is veilig. De bewoners vluchten met hun kinderen voort. Doch nauwelijks hebben ze een plek verderop gevonden waar ze meenen veilig te zijn, of ze worden opgeschrikt door de prairiebrand, die al maar voortvreet. Weer verder moeten ze. Doch ze zijn nergens veilig. Het vuur drijft ze op. Het vuur zal ze straks grijpen en verteren.
Is er dan nergens redding ? Is omkomen onvermijdelijk ? Daar is nog één middel! Daar te komen, waar het vuur heeft uitgewoed, waar alles is verteerd en verbrand, verkoold. Daar komt het vuur niet meer. Daar is zijn werking uitgewerkt. Daar heeft het geen voedsel meer. Achter de vuurzee daar is het veilig, daar is het lijf gered, maar verder dreigt het gevaar overal, nu of straks, doch wis en zeker.
Daar denken we aan, geachte lezer, als we overdenken hoe er door Christus een veilige schuilplaats is bereid voor menschen aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelve onderworpen, die onder het oordeel Gods zijnde, soms er iets van voelen mogen, en dan met David moeten belijden : „ik wou vluchten, maar kon nergens heen, zoodat de dood voor oogen scheen". Immers in Christus is de hitte van Gods gramschap gebluscht. Op Hem heeft Gods toorn nu geen vat meer. Bij Hem is het brandbare verbrand. Gods gramschap is op Hem uitgewoed. Het onweer van Gods gerechtigheid is over Hem losgebarsten.Maar daarom is bij Christus, aan den voet van het kruis, nu ook de eenige veilige schuilplaats. Daar komt de vloek Gods nimmermeer. Daar heet het nu : „grimmigheid is bij Mij niet." „Ik zal niet meer op u toornen, niet meer op u schelden." Buiten Christus is het nergens veilig, maar een eeuwig zielsverderf. Alle beschutting zal verteerd worden ; alle bedekking te kort en te smal. Het vuur van Gods gerichten zal het verteren als kaf, als hooi, stroo en stoppelen.
Christus toch heeft de straf gedragen, de bui opgevangen, het vuur op Hem laten uitbranden. Hij nam de straf der zonden ten behoeve van de zijnen op Zich, en de ontvangen verzoening deelde Hij uit aan hen. Zij kregen de vrede. Heerlijke ruil. Onbegrijpelijke ruil. Hier is het met recht, met eerbied gesproken : „als er twee ruilen moet er één huilen" — het nadeel is hier wel heel erg aan een kant. Doch Gode zij dank, voor Zijn onuitsprekelijke liefde.
Jesaja 53:5b. „De straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem".
Hier is vrijwillige liefde geweest, mijn Lezer, dat Christus de straf der zonden op Zich nam. Ongedwongen was het. Ongezocht en ongekocht. Wij hebben geen verzoekschrift aan Hem gericht. Wij waren er zelfs nog niet eens toen Hij al sprak : „Zie, Ik kom". Bovendien de mensch voelt zich in de zonde als in z'n element. Alleen aan de straf der zonde kan en wil hij maar niet wennen. Die kan hij niet verdragen noch billijken. Maar verder leeft hij rustig voort. Hij de zonde doen en God moet alles maar goedvinden. God moet voor Hem uit den weg, zich schikken naar hem, inplaats dat hij zich schikt èn onderwerpt naar Gods bestel en bevel over hem. Maar God capituleert niet voor den mensch. Hij blijft eischen het volle pond, de volle 100 procent. Nog nooit heeft God den mensch recht gegeven ongehoorzaam, onbekeerd te zijn.
Gods heiligheid..: ... ze heeft een afkeer van het booze.
Als wij menschen, die zondaren zijn, met de kiem van elke zonde in ons diep bedorven hart, toch „door z'n uiterlijke betrekking tot de deugd", naar de Dordtsche leerregels, soms nog uit den grond van ons hart afschuw kunnen hebben van valsche, hoogmoedig-ijdele, gemeene dingen, en een hartgrondig „bah" doen hooren hoe moet dan de vlekkeloos Heilige Zijn Aangezicht afwenden van u en mij, waarde Lezer!
Gods gerechtigheid ze laat het niet bij een afkeurend oordeel, machteloos toeziende, niets doende, alles „blauw-blauw latende", laisser faire, laisser aller.
Neen, Gods energie treedt wrekend op, straffend. De vloek gaat uit. Het doemvonnis knalt neer. „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in het boek der Wet, om dat te doen". Wie niet hooren wil, moet voelen. Is er geen vrijwillige erkenning van Gods majesteit in liefde-gehoorzaamheid, dan gedwongen vernedering door de straffende hand des Heeren, waarin God zich doet gelden, en Zich handhaaft in Zijn gekrenkte Souvereiniteit. Tijdelijke en eeuwige straffen !
Gods. waarachtigheid , zij roept luide uit : ,, zonder bloedstorting. geen vergeving". God mag zelfs niet doen wat Hij wil. God is ook aan Zijn woorden gebonden, met diep ontzag spreken we het uit. Hij is geen leugenaar. Geen menschenkind, die, liegen zal. Al wat uit Zijn mond gaat, is er vast en blijft ongebroken ! De waarachtige en getrouwe Getuige, de Eenige, waarop gij aan kunt, is de Waarmaker van al Zijn woorden : zoowel de bedreigingen als de beloften. Neen, satan heeft niet gelijk gehad, toen hij zei, dat de mensch met het eten van de verboden vrucht toch geen straf zou ontvangen. God zal ons den dood zekerlijk doen sterven. Neen, dan zou God Zijn eer kwijt zijn. Mijn Lezer, ging u dit al eens ter harte meer dan eigen zielsbehoud?
De straf moest geëischt.
Maar, moest de zondaar zelf betalen, dan kwam hij er nooit mee klaar. Die strafbetaling duurt eeuwig. Dan zou geen menschentong God verheerlijken. Dan zouden de Engelen alleen de hemelgenooten zijn en alle menschen buitengesloten.
„Zie, Ik kom" sprak Christus. Geef Mij de zondeschuld der uitverkorenen. Leg hunne zonden op Mij. Straf Mij. Laat Uw gerechtigheid Mij treffen ; neem MIJ, maar laat dezen henengaan !
O, wat heeft Christus toch bewogen, de schuld en de straf over te nemen. Wat heeft Hij toch gezien in die Bruid ? Ach, mijn Lezer, het raadsel is opgelost; Hij doet het niet om uwentwil, maar om Gods grooten naams wil. Zoo heeft Hij vrijgeleide uitbedongen.
Hij nam de zonde, de schuld, en dus ook de straf, op zich. Wat dat geweest is, is niet te peilen. De verlorenen in de hel beleven iets daarvan, n.l. in hun eigene straf. Die in wroeging hier ronddolen en verteren, kennen er eveneens iets van. En die van God ontdekt worden en het eerste stuk van zonde en ellende leeren, onder Gods recht gebracht zij weten er ook van verre over mee te praten. Vloek en toorn Gods. Gevoel van verlating. Helsche smarten Christus heeft het in volle graad ondergaan : „Eli, Eli, lama Sabachtani".
Doch het resultaat is heerlijk.
De vrucht is nu, dat God verzoend is met den uitverkoren zondaar. Er is vrede gemaakt door het bloed des kruises. De Middelaar heeft God genoegdoening verschaft in Zijn nameloos lijden. God heeft in gunst en niet meer in wraak Zijn lust. De vrede kan uitgaan : zij heeft op Golgotha de kus van het recht ontvangen. De genade vloeit voort; zij heeft aan het vloekhout der schande de groet der waarheid verworven. Gods deugden zijn in harmonie. Op den grondslag van recht wordt Sion verlost. Vrede, rechtmatige vrede! Geen valsche vrede, die toch door het recht weer verstoord wordt. Vrede voor eeuwig.
Die vrede hield Christus niet voor Zichzelf : 't was alles voor de Zijnen : „'t al voor u!" Vrede, aangebracht voor dat volk, dat de eeuwige toorn verdiend had.
Is dat geen heerlijke ruil ? Christus nam uw zonde, kind des Heeren, en Hij geeft u Zijnen vrede !
Mag ik mij daarbij scharen ?
Voor wie onderging Hij de straf ?
Dogmatisch juist is het, te zeggen, dat Hij alleen leed voor de gegevenen des Vaders, die in het Boek des Levens staan. De leer van de algemeene verzoening is in strijd met de Schrift, rooft Gode de eer, wil ruim zijn, en is zonder troost voor een hulpelooze ziel, berust op Schriftverdraaiing en gebrek aan zelfkennis en neemt de zekerheid des heils weg.
Toch mogen we hier op andere wijze de ziel toespreken. Het is voor degenen, die die straf van ganscher harte zich waardig keuren ; die met Benhadad's knechten zich het koord om de hals doen, als dood-en doemschuldigen, en met den Psalmist belijden : „Uw doen is rein. Uw vonnis gansch rechtvaardig". Wie heeft, uit liefde tot God zich zoo mogen veroordeelen, in waar berouw ?
Het is voor degenen, die geen vrede vinden bij zich zelf, in hunne werken en deugden, hun gebeden en tranen. Geen vrede in de wereld, in de zonde, in hun , schatten en staten". Die vol onvrede en innerlijke verscheurdheid ongelukkige menschen zijn geworden in hun Godsgemis, in het bewustzijn, dat God met hen „in onmin" leeft. Onvrede met God. O, wat is het dan donker in de ziel.
Gelukkig, die zich zelf veroordeelt. Hij komt niet meer in het oordeel. Straks geeft God de vrijspraak.
Gelukkig, die de valsche vrede in zondelust en wetsvroomheid verloren heeft. Hij zal bij Silo rust vinden. Straks zal de betere Salomo, de ware Vredevorst, hem geven de innerlijke ziele-harmonie met God. Ten leste houden ze het niet uit in de wereld. Als God trekt en werkt, — wie zal dan keeren. Dan worden ze gedreven naar Golgotha. Daar is de aanspraakplaats Gods. Daar mogen we hopen op heil. Om Jezus' wil. Daar kan God spreken van vrede en geen gevaar, naar eeuwig genaderecht.
Wie zelf echter vrede zoekt bij het zijne en zelf voor de strafvoldoening wil zorgen, zal bitter bedrogen uitkomen, en zeker verloren gaan. Eeuwige vijandschap en oorlog, eeuwige onvrede en twist met God is zijn deel, waar de pijniging niet ophoudt. O, vlucht met uw zonde en ontruste ziel naar Gods genade, eer het te laat is.
Gelukkig, die hier al een voorproef mag hebben van die vrede, in den weg des geloofs en der godzaligheid. In Godes wegen geniet ge alleen Godes zegen.
„Mijnen vrede geef Ik u", spreekt de Heere. Dat is een andere vrede dan die de wereld geeft. De vrede met God sluit in de vijandschap tegenover satan, wereld en eigen vleesch. Maar daarin draagt ze dan ook het keurmerk van haar echtheid. Wat vree heeft elk, die Uwe wet bemint
Geen valsche vrede baat ons. Die ontneme ons de Heere. En Hij geve ons de vrede, die alle verstand te boven gaat in waardij en gewaarwording.
Onze straf was op Hem, en Hij brengt ons de vrede aan. Amen. Oldebroek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's