MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„’t Zou niet zoo best wezen, als' dat waar was", viel mevrouw hier met verhoogde kleur in, deels om haar man te helpen, deels om uiting te geven aan de ergernis, welke haar vervulde.
„’t Is ook niet zoo best, mevrouw", antwoordde Murk op kalmen toon. „'t Is slecht, héél slecht, 't Is zóó slecht, dat er maar één middel is om van deze wereld nog iets te maken, dat voor God bestaan kan"'.
„En dat is ? " — vroeg zij.
„Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij haar Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe". Aldus het Kruis van Golgotha, mevrouw, als vervolg van de kribbe, het eenige plechtanker onzer ziel, omdat daar onze schuld betaald en de verzoening met God uitgewerkt werd".
„Altijd dat kruis", mompelde de domlné verstoord. En daarop rechtstreeks tot Murk: ..Gelooft u dan in de bloedtheologie ? Alsof God eerst bloed moest zien vóór Hij tevreden was, zooals de heidenen zich de wrekende godheid denken ? "
Ik geloof in de H. Schrift, die ons leert, dat het bloed van Jezus Christus ons reinigt van alle zonden, en, dat God in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende was, haar zonden; haar niet toerekenende, en dat Hij met een eenige offerande tot in eeuwigheid volmaakt heeft, degenen die geheiligd worden".
„Maar, mijn beste man, dat moet u zoo alles niet letterlijk en voor waar aannemen. Dat waren Joodsche begrippen, volgens de leer der vergelding, soms met heidensche bestanddeelen vermengd. Maar in onzen tijd van verlichting hebben de ideeën zich geheel gewijzigd".
„Maar de waarheid blijft waarheid, en God blijft God, dominé, en bij Hem is geen verandering of schaduw van omkeering. De wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid en de menschelijke gedachten en begrippen wijzigen zich menigmaal naar de omstandigheden, maar het Woord van God blijft in der eeuwigheid. En dat zegt, wat ik daar juist aanhaalde. Gelooft u dan niet in de waarheid der Schriften, dominé ? "
Bij het uitspreken dezer woorden scheen Murk warm te worden en zijn gewone kalmte te verliezen, 't Greep hem zoo machtig aan, hier tegenover een dienaar des Woords te staan, die krachtens zijn ambt geroepen was de boodschap Gods aan de menschen te brengen en die toch zoo weinig scheen te begrijpen van zijn hooge taak, omdat hij die boodschap niet verstond, noch Hem kende, dien hij meende te prediken, noch zichzelf in zijn verlorenheid voor God. En hij moest geen zoon van zijn volk zijn, dat, vooral wanneer de godsdienst in het geding komt, zoo gewoon was ondubbelzinnig kleur te bekennen, om hierbij koud en onaandoenlijk te blijven. Daar sprak iets, niet alleen uit zijn woord, maar ook uit den blik van zijn oog, dat aan een heilig vuur deed denken.
„Ik geloof, dat wij in den Bijbel de hoogere Godsopenbaring hebben, waardoor Hij zich aan de menschen bekend heeft gemaakt. Maar bij 't lezen van dit boek moeten wij rekening houden met den tijd, waarin het geschreven werd, en de opvatting der schrijvers, en het plaatselijke, en het tijdelijke, en het oneigenlijke, dat er in voorkomt ; teveel, om. op te noemen. De critiek gaat steeds voort met groote nauwgezetheid het ware van het valsche of, als u wilt, het Goddelijke van het menschelijke té scheiden en daardoor ons een vasten maatstaf in handen te geven, waardoor wij het hoogere Wezen beter leeren kennen en dichter kunnen benaderen".
„En wat zoudt u van uw Bijbel hebben overgehouden, dominé, wanneer eindelijk de critiek het laatste woord zou hebben gesproken ? Maar dat zal nog wel even duren !"
„Ik denk, datgene, wat in elk opzicht den toets "van het wetenschappelijk onderzoek had kunnen doorstaan, en als het gelouterd zilver uit den smeltkroes kwam".
„En ik denk van niets dan den band". Met eenige verontwaardiging keek de jonge geleerde den eenvoudigen koopman aan, terwijl mevrouw verstoord naar het buffet liep, om een kop thee te schenken.
Denkt u zóó verachtend over de wetenschap? " klonk het eenigszins bitter.
„Allerminst, dominé. Ik geloof zelfs, dat deze veel aan het licht brengt, waar men voorheen niet van wist. Maar van de Godsopenbaring moet zij' afblijven, omdat hier het onbegrepene dient te worden aanvaard.
Met begrijpen zal 't niet gaan, Grijpt het onbegrepen aan".
„En dus dan maar niet meer denken en op het verstand een domper zetten en als een kloosterling of een asceet de wereld ontvluchten".
„Ook dat niet, dominé, maar wat zoovele geleerden gedaan hebben : het verstand gevangen leggen onder de woorden Gods".
„Dat is geen werk van geleerden en van denkers'; dat doen dompers en eenvoudige zielen, die niets gelezen hebben en misschien nooit verder in de wereld zijn geweest dan hun geboorteplaats".
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's