De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

9 minuten leestijd

Zooals men heeft kunnen opmerken, houdt Calvijn zich streng aan zijn beginselen. Voor alles snijdt hij het misbruik der Heilige Schrift tot allerlei krakeel en spitsvondigheden af.
Het Woord is er, opdat wij God daaruit zouden leeren kennen. Als hij over de schepping spreekt, dan is 't hem er om te doen uit de Heilige Schrift te verstaan, hoe men God uit Zijn werken kan leeren kennen. Dat is de strekking van zijn onderwijs en, hoewel hij niet nalaat telkens op dwalingen te Mijzen en die te weerleggen, bepaalt hij zich steeds bij het gestelde doel.
Daarom heeft zijn onderwijs een practisch karakter. Hij ziet in het feit, dat de Heere de wereldschepping in zes dagen volbracht en de aarde toebereid heeft, een zorgvol beleid van den hemelschen Vader en een betooning Zijner Vaderlijke liefde tot het menschelijk geslacht.
Wij behoorden daardoor te worden opgewekt tot die gehoorzaamheid des geloofs, waardoor wij de rust leeren kennen en onderhouden, waartoe de heiliging van den zevenden dag ons uitnoodigt.
Heel het werk der schepping ziet Calvijn dus in het licht van dien zevenden dag. Het staat in het teeken van de rust, welke God bereid heeft. Het werk van de zes dagen Was toegelegd op de bereiding van die rust.
Daarom gaat er een noodiging van den zevenden dag uit tot den mensch om in Zijn heiligen vrede deel te hebben.
De weg, welke ons hier gewezen wordt, komt ongetwijfeld meer overeen met de gehoorzaamheid des geloofs en de waarachtige Godsvrucht dan de ijdele vraag, of niet een andere wijze van scheppen meer niet de mogendheid Gods zou overeenstemmen. Hoezeer worden wij door Calvijn opgetrokken tot de verhevenheid van het werk Gods ? Welk een Goddelijke liefde wordt daarin openbaar, als wij opmerken, dat het alles op een eeuwigen vrede is toegelegd en zulks voor den mensch. Geheel het werk is een voorbereiding tot den eeuwigen sabbath.
In dat licht gezien is er ook een voortdurende en telkens wederkeerende uitnoodiging in de wisseling der weken. ledere week keert de geheiligde zevende dag weer te midden van den arbeid en de zorgen des levens om iedere week opnieuw ons te bepalen bij het werk der schepping en bij de uitnoodiging, welke van den Sabbath uitgaat tot de rust, die de Heere voor Zijn volk heeft weggelegd.
Er is echter nog meer. Indien wij de dingen zoo in het geloof mogen zien, komt er ook een nieuwe glans over de werkdagen.
Want gelijk de zes dagen der schepping een voorbereiding van den geheiligden dag zijn, zullen wij in onzen arbeid ook dagelijks herinnerd worden aan de toekomst des Heeren.
In schrille tegenstelling met den eisch aan onzen arbeid gesteld staat de werkelijkheid van ons verzondigde leven. Behoorde niet al ons werk van week tot week in dienst te staan van dien geheiligden dag, ja moest niet heel ons leven en alle arbeid onder de zon een voorbereiding zijn voor den eeuwigen Sabbath?
Thans zwoegt de mensch van den morgen tot den avond voor een veeltijds kommervol bestaan. Wij zijn bezig in velerlei moeite en verdriet. Wat al ijdele idealen vervullen vaak ons leven ? Het is gelijk de Prediker zegt: Wat voordeel heeft de mensch van al den arbeid, dien hij arbeidt onder de zon ?
Zeker, de Zondag is voor allen een welkome onderbreking in den tredmolen van het alledaagsche. Een onderbreking van het gewone, een dag van ontspanning en vrijheid in den slaafschen gang en een zeer gewenschte dag.
Daar is heusch nog iets in de wereld waar te nemen van een leven op den Zondag aan, een arbeiden naar den nieuwen Zondag toe.
Doch welk een verschrompeld en verdorven beeld geeft dit alles van de werkelijkheid, die ons leven behoorde te vertoonen. Zelfs is de Zondag voor velen geen rustdag, om van geheiligden dag niet te spreken. Verzet kan men wachten, zoo men ook voor de rust alleen opkomt, welke overigens een iegelijk ten profijte zou zijn.
Een dag van rust is een zegen op zichzelf, afgezien nog van den geestelijken zegen, die in de heiliging van den rustdag gelegen is. Geen heiliging van den aardschen Sabbath zoekt de mensch, die de gehoorzaamheid verliet. Hij werkt voor zijn eigen idealen, en bestemt den dag des Heeren voor zijn eigen vreugde en genot.
Daarin weerspiegelt zich de val van den eersten mensch. Zijn leven was een gang naar den eeuwigen Sabbath. Doch hij heeft dien niet begeerd. Ook hij verkoos zijn eigen vrijen dag. Hij wilde als God zijn en zelf zijn toekomst bepalen. Zoo ging de zon in zijn leven onder en werd hij een zwoeger in het zweet zijns aanschijns, die ook de genade Gods in den steeds terugkeerenden Sabbath niet verstaat en zijn noodiging niet beluistert.
Daarom is het een voorrecht, indien wij de gehoorzaamheid des geloofs vinden en den dag der genade niet verachten.
Voor het oog des geloofs verschijnt iedere week als een weerspiegeling van de profetie der scheppingsdagen en een heenwijzing naar den geheiligden dag.
Zoo krijgt ook iedere Sabbath weer nieuwen glans en beteekenis. Want al heeft de mensch des Heeren Woord niet geacht en den God des Woords niet in erkentenis gehouden, de Raad des Heeren staat in eeuwigheid en Hij zal Zijn werk voleindigen.
De eeuwige Sabbath zal niet ledig zijn en een wederhoorig kroost zal zich in Zijn heil verheugen en vrede vinden.
De Zon der genade is over deze wereld opgegaan en het licht van het kruis werpt zijn stralen in den donkeren nacht der wereld.
De Heere heeft niet opgehouden de bewijzen Zijner liefde over den mensch uit te gieten, die de hemelsche sprake uit de schepping niet meer verstaat. De macht Zijns Woords houdt niet op de belofte van den eeuwigen Sabbath van week tot week in een menschelijke spraak te doen ver'kondigen. Hij noodigt de Zijnen door het Woord der prediking van Zondag tot Zondag, en door de onwederstandelijke kracht van Zijn Geest maakt Hij plaats voor Zijn Woord, zoodat het gehoord en verstaan wordt.
Deze dingen geven een schoon beeld van wat Calvijn ons leert omtrent de openbaring Gods in de werken der schepping en het Woord.
Daarom hebben wij een oogenblik langer stilgestaan bij den zevenden dag om te doen zien, hoe de openbaring des Woords ons roept tot de dingen, die wij uit de ordeningen der schepping niet meer zouden verstaan, en hoe ook de orde der dagen ons nog een prediking behoort te zijn van Zijn goedgunstigheid.
Daaruit kan gebleken zijn, dat ook in het gebod van de heiliging van den Sabbath, een noodiging ligt om dien dag waar te nemen, waartoe hij gezet is. Reeds in den morgen der schepping wenkte hij met den glans der eeuwigheid.
En ondanks de zonde en het verderf van ons geslacht, heeft de Heere die toekomst niet afgesneden. Nog is de dag des Heeren een dag van belofte en een wekelijks terugkeerende noodiging tot de rust, welke Zijn Vaderlijke liefde in Christus heeft bereid.
Zoo wordt des Heeren gunst openbaar in het gebod : Gedenkt den Sabbath, dat gij dien heiligt. En hoe vriendelijk kan ons de noodiging tegenklinken, als de klokken luiden op den Zondagmorgen en hun lieflijken roep naar het bedehuis uitgalmen in stad en land.
Hoe kan dan alles samenstemmen, als op een schoonen lentemorgen, . stralende van de nieuwigheid des levens, de metalen klank der klokken ver klinkt in de reine voorjaarslucht en ons hart begeerig opgaat onder de schare.
De heiliging van den zevenden dag getuigt van de gedachten des vredes, welke daar bij den eeuwigen Schepper zijn geweest, toen Hij de aarde toebereidde tot een woonplaats voor den mensch. En de Heere is niet veranderd. Zoo predikt Zijn Woord van Zijn trouw en genade, om een ongehoorzaam geslacht aan te zeggen, dat Hij Zijn Raad niet verbroken heeft.
Maar daarom ook zal de mensch niet straffeloos het gebod van den Sabbath in den wind slaan.
Calvijn heeft in dit verband niet zoo lang bij den Sabbath stilgestaan. Hij gaat over tot een geheel ander onderwerp, dat inderdaad belangrijk genoeg is om nader te worden overdacht, n.l. de engelen.
In de mededeeling omtrent de schepping in Genesis wordt niet van de engelen gesproken. Hij verklaart dit als volgt. Mozes, zoo zegt hij, schikt zich naar het verstand van den gewonen mensch. Hij deelt alleen die dingen mede, die gezien kunnen worden. Later spreekt hij echter over engelen als dienstknechten Gods, en het is daarom duidelijk, dat God ook hun Schepper moet zijn, omdat zij Hem dienen.
Dit laatste is inderdaad duidelijk. Hoe zouden de engelen dienaren Gods zijn, zoo God hen niet geschapen had.
Wij zouden er nog aan kunnen toevoegen : onderstel eens, dat God de engelen niet geschapen had, vanwaar zouden dan de engelen zijn ? Zouden zij dan voor wezens moeten worden gehouden, die op zich zelf bestaan?
Zulke gedachten kunnen wel bij menschen opkomen en zijn ook wel in de wereld uitgesproken. Doch indien iemand zich daarop bezint, zal hij inzien, dat zooiets zeer ongerijmd is. Immers, indien engelen zouden bestaan als zelfstandige en onafhankelijke wezens naast God, dan zou daarmede ook de heerlijkheid en macht Gods beperkt worden, zoodat God geen God meer ware.
Het zou ook niet voor de hand liggen, dat zelfstandige en onafhankelijke geesten als dienaren Gods zouden worden gekenmerkt. Daaruit kan men dus verstaan, dat ook de engelen schepselen Gods zijn.
De reden echter, waarom daarvan in de geschiedenis der schepping niet wordt gewaagd, is niet zoo duidelijk, omdat de auteur elders toch wèl van de engelen spreekt.
Anderzijds verdienen Calvijn's beschouwingen zeker ernstig waardeering en is het gewoonlijk van beteekenis, wat hij zegt. Hij noemt de engelen een voortreffelijk en heerlijk werk Gods. En aangezien wij begeerig behooren te zijn uit de werken Gods te leeren, mogen wij dit voortreffelijke werk niet voorbij zien.
De bedoeling van Calvijn is dan ook niet zoo ver te zoeken. Toen wij hem volgden bij het onderwijs omtrent de leer van den Drieëenigen God, hebben wij iets dergelijks kunnen opmerken.
De geschiedenis van de schepping geeft evenmin een klare uiteenzetting van de Drie Personen. In de voortgaande openbaring echter wordt dat stuk steeds duidelijker verstaan. Zoo is het ook hier.
Calvijn wil slechts waarschuwen tegen verkeerde opvattingen en gevolgtrekkingen. Hij wordt daartoe nog aangedreven, omdat hij allereerst enkele dwalingen omtrent de leer der engelen onder het oog vat en gaat wederleggen.
Hij vindt het van zooveel gewicht, dat hij alvorens nader over de schepping van den mensch te spreken, eerst plaats geeft aan de leer der engelen.
Wij willen hem daarover hooren.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's