KERKELIJKE RONDSCHOUW
RONDOM HET REORGANISATIE-ONTWERP (4)
Juist omdat de toestand, waarin nu de Hervormde (Geref.) Kerk verkeert, van „onze zonde" getuigt (lees daar niet overheen !) is de zaak van de Reorganisatie zoo belangrijk en mag niemand er zich zóó maar af maken ; om dan maar weer kalm door te gaan. En 't verheugt ons, dat er vele bewijzen komen. dat jongeren en ouderen hiermee ook geen genoegen zouden nemen. Daarvoor is de zaak te ernstig. Er is ook door onzen Gereformeerden Bond nu dertig jaar over gehandeld en voor geijverd, om tot verandering te mogen komen voor onze Hervormde (Geref.) Kerk in haar geheel. Niet voor een stuk of een brok.
Daartegen heeft onze Gereformeerde Bond zich altijd verzet en die gedachte krachtig bestreden. Het is ons te doen om de Hervormde (Geref.) Kerk, zooals wij haar nu kennen als „onze" Kerk — omdat de zonden van onze Vaderen en van ons hier in 't geding zijn — weer terug te roepen tot een leven bij en met én uit haar belijdenis.
Daarom is ook de belijdenis-kwestie voor ons 't eerste en het voornaamste.
Hierover willen we dan nu ook nog weer een en ander zeggen — door middel van anderen. Want het is voor ons van beteekenis wat anderen zeggen (we moeten immers „met elkaar" werken, zal er ooit iets van de zaak der Reorganisatie terecht komen), vooral wanneer het menschen zijn, die hun heele leven lang zich voor deze dingen met volle ernst hebben geïnteresseerd.
De man, naar wien we nu willen luisteren (na ds. Knap gehoord te hebben) is ds. C. A. Lingbeek, van wiens hand (bij D. B. Michon, Meent 314, Den Haag) een brochure is verschenen : „Niet zulk een Reorganisatie!”
Ds. Lingbeek begint met zijn bezwaren in te brengen tegen de huidige Synodale Besturen-organisatie ; en noemt er dan voornamelijk twee : 1°. ééne ten aanzien van den huldigen vorm van Kerkregeering; en 2°. dat nu in de Reglementen van het Woord Gods en van den H. Geest, , die ons aan de hand van dat Woord moet leiden, gansch geen sprake is.
Wat de vorm van Kerkregeering betreft, wordt opgemerkt, dat van het begin van het bestaan der Gereformeerde Kerk, op de eerste Synoden van onze Vaderlandsche Kerk, als grondbeginsel voor de kerkelijke samenleving en voor de wijze van Kerk-regeering is aangenomen : „geen Kerk zal over eene andere Kerk, geen dienaar des Woords enz., zal over den ander heerschappij voeren, maar een iegelijk zal zich voor alle aanlokking tot heerschappij wachten". Zóó staat het in de Ned. Gereformeerde Kerkorde van ouds. En daarmede werd alle hiërarchie, alle verheffing van den éénen ambtsdrager boven den anderen afgesneden. Met Pausen en bisschoppen moest het uit zijn in de Gereformeerde Kerk!
Vandaar dat in de Kerkorde werd opgenomen, dat degenen, die benoemd werden tot leden der meerdere (breedere) vergaderingen (Class. Vergadering, Prov. Synode en Nationale Synode) aldaar niet naar eigen autoriteit zouden mogen handelen, maar daar zouden zitten, oordeelen en besluiten namens de zendende Kerk, en dan ook van instructiën of lastbrieven voorzien waren. En ten tweede was voorgeschreven, dat : zoodra de meerdere (breedere) vergadering (Class. Verg. enz.) uitéén was gegaan en de broeders naar huis waren teruggekeerd, zij ook geen enkel gezag meer over bun medebedienaren of medebroeders zouden overhouden. De vergaderde broeders behandelden die zaken, die hun gemeenschappelijke Kerken aangingen. Maar zoodra de vergadering (der Kerken) was uiteengegaan, was het uit met hun gezag, al moest natuurlijk hetgeen op de vergadering was besloten, worden uitgewerkt en worden nageleefd. (Vandaar b.v. de Deputaten voor verschillende werkzaamheden, enz.).
Ds. Lingbeek wil hier niet spreken van een „Democratisch stelsel van Kerkregeering", alsof onze Gereformeerde Kerk een soort van republiek ware geweest. Zóó is het nooit bedoeld geweest. Volgens de H. Schrift, die voor onze Vaderen de regel, óók voor Kerkregeering was, is de Kerk des Heeren geen Keizerrijk, noch een Koninkrijk op aarde ; maar evenmin een Republiek of een anarchie op aarde — maar zij is wèl een lichaam op aarde, dat zijn organen heeft ontvangen, waardoor het handelt en spreekt, maar dat zijn Hoofd in den hemel heeft, n.l. den Heere Jezus Christus, en dat door niemand anders dan door het levende Hoofd Zelf moet worden geregeerd.
Die gedachte van „Lichaam" en „Hoofd" moeten we vasthouden. Dat ééne „Lichaam" openbaart zich dan plaatselijk, zijnde een éénheid in wezen, en de ambtsdragers zijn dienaren van Christus, door wie het Hoofd in den hemel functioneert. En dat Hoofd Zelf heeft beloofd Zijn lichaam in alle waarheid te zullen leiden. Daarom mag dat lichaam, wanneer het in zijn wettige organen vergadert rondom Zijn Woord, vertrouwen, dat het Hoofd Zelf met Zijn Geest in het midden zal zijn, om de vergaderde leden Zijns lichaams te sturen in rechte sporen.
Zietdaar het oude stelsel van Kerkregeering door vergaderingen van elkaar in-macht-gelijke-ambtsdragers. De ambtsdragers, staande in dienst van Christus, het Hoofd der( Kerk (geen dienaren der gemeente, of van menschen, maar dienaren van Christus!) vergaderden plaatselijk als Kerkeraad — in de Class. Vergaderingen, waar onderscheidene gemeenten samenkwamen, als „Classicale-Kerkeraad" ; verder als „Provinciale-Kerkeraad", of nationaal genomen voor alle plaatselijke Kerken saam, als „Lands-Kerkeraad" (plaatselijke gemeente — streek — provincie — land).
Die vergaderingen (der Kerken) heetten daarom geen „lagere" en „hoogere", maar „kleinere" en „grootere" vergaderingen (we spreken soms nog van „smalle" en „breede" Kerkeraad, de eerste bedoeld als vergadering van predikanten en ouderlingen ; de tweede („breeder" en „grooter" van opzet, maar niet „hooger" in rang !)
Ook de minste schijn van „meer" en „minder", van „lager" en „hooger" moest in de Kerk van Christus (waar „Eén onze Meester is, en wij verder allen broeders zijn) vermeden worden. Met Pausen en bisschoppen moest het ééns en voor goed uit zijn in de Gereformeerde Kerk, de Kerk der Hervorming !
En wat is er nu in 1816 van gemaakt, door de wederrechtelijke daad van Koning Willem I, die zelf een „verlicht" Vorst was, met zijn „verlichte" raadgevers?
Met het Hoofdschap van Christus en de broederschap der ambtsdragers, met de vergaderingen der Kerken en de instructiën of lastbrieven der gemeenten enz. — is ten eenenmale gebroken. Heel de bestaande Synodale Besturen-organisatie is er mee in strijd. Want het Reglement van 1816 (Staatscreatuur van de ergste soort) schiep Besturen, wier leden door de wettige ambtsdragers alleen mochten worden benoemd (op de Class. Verg. b.v.), maar die dan verder, zonder op een bisschoppelijken titel aanspraak te maken, toch wel degelijk met een bisschoppelijke macht over de ambtsdragers waren bekleed — bovendien zonder eenige verantwoording schuldig te zijn aan de „ondergeschikten”.
Dat het inderdaad een der eerste beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht is, dat onze Heere Christus nu nog, ook nadat Hij ten hemel is gevaren, het Hoofd Zijner Kerk is, dat Zelf Zijn Kerk moet regeeren, blijkt overduidelijk niet alleen uit de Kerkorde, maar is ook vastgelegd in de Ned. Geloofsbelijdenis (naar welker beginselen de Kerkregeering, en dus de Kerkorde, moet worden opgebouwd, geregeld en vastgesteld).
In Artikel 31 van de Ned. Geloofsbelijdenis lezen we : „En aangaande, de Dienaars des Woords, in wat plaats dat zij zijn, zoo hebben zij eene zelfde macht en autoriteit (gezag of zeggingschap), zijnde altegader Dienaars van Jezus Christus, den éénigen algemeenen Bisschop en het éénige Hoofd der Kerk”.
Dat men het juist en vooral met dit beginsel „dat de een geen macht of autoriteit zal hebben over den ander — zijnde allen Dienaren van Christus" — streng nam in de goede jaren van onze Gereformeerde Kerk hier te lande, blijkt o.a. (zooals ds. Lingbeek vertelt, bladz. 22, 23) uit het feit, dat in de dagen van de Remonstrantsche woelingen Oldenbarnevelt, de Landsadvocaat, voor de Staten des lands aanspraak maakte op gezag in kerkelijke zaken, maar dat de Burgemeesters van Amsterdam toen van een ander gevoelen waren en het opnamen voor de rechtzinnigen, ook in kerkrechtelijk opzicht. En toen Oldenbarnevelt zich van de hulp van den bekwamen Hugo de Groot wilde verzekeren en hem aan het hoofd van eenige gedeputeerde heeren naar Amsterdam zond, om daar in een schitterende oratie de Stadsbestuurders te winnen voor de plannen van Oldenbarnevelt wat betreft „de regeering der Kerken" — kregen de afgevaardigden letterlijk van de Burgemeesters ten antwoord : „Dat d' opperste opzicht over de Kerk alléén toekomt onsen Heylant Jesu Christo, het eenige Hooft der Kerk, die, opvarende ten Hemel, de naeste opzicht der Kerk, onder Hem, naar den regel van Zijn Goddelijk Woord, aan de wettige kerkelijke personen bevolen heeft”.
Dat gold dus onder die oude Hervormden als uitgemaakte zaak (tegenover wie ook !) : dat Christus Zelf door Zijn dienaren, de ambtsdragers, naar den regel van Zijn Woord, Zijn Kerk moet regeeren, 't welk zoo moet blijven door alle tijden heen.
De tegenwoordige Synodale Besturen-organisatie beantwoordt hieraan in geénen deele ! En zoo leeft onze Hervormde Kerk in de zonde.
En wat nu het 2de betreft, dat in de Reglementen van het Woord Gods en van den Heiligen Geest, die ons aan de hand van dat Woord moet leiden, gansch geen sprake is — daarvan zegt ds. Lingbeek, blz. 4):
„’t Is waar : Art. XI van het Algem. Regl. stelt aan de Besturen der Kerk tot taak om de leer te handhaven. Maar behalve dat dat Art. (vroeger Art. 9 en nu Art. 11) door andere artikelen in de bijzondere reglementen weliswaar niet onduidelijk, maar toch wel krachteloos was gemaakt, verklaart dat Art. XI zelf ons ook niet recht, welke de taak is der Kerk ten opzichte van „de leer”.
Het is immers niet genoeg, als de Kerk van deze eeuw zou zeggen : „eens, voorheen, in de gouden dagen der Vaderen, toen heeft de Kerk des Heeren haar geloof openlijk op grond van Gods Woord uitgesproken en beleden — maar thans hebben wij daartoe geen roeping meer thans heeft de Kerk alleenlijk wat voorheen was beleden — angstvallig te handhaven”.
Bij zulk een opvatting van de taak der Kerk zou die Kerk conservatiever worden dan zelfs de Roomsche Kerk. Wat erger is : daardoor zou aan den H. Geest den mond worden gestopt. Ja, er zou dan worden gedaan, alsof Hij niet beloofd en niet gegeven was. En ook zou daardoor het Woord Gods voor de Kerk in haar geheel van zijn gezag worden beroofd, en aan de belijdenis der Vaderen zou, eens en voor goed, die plaats en dat gezag zijn gegeven, die alléén aan het Woord Gods toekomen!
„Wij zijn er dus wèl dankbaar voor, dat in Art. XI van ons tegenwoordig Reglement" — aldus ds. Lingbeek — „duidelijk de leer der Kerk staat vastgebonden ; daarin hebben we ons eigendomsrecht. Evenwel, zulk een handhaving, zooals Art. XI voorschrijft, is ons toch niet genoeg. De Kerk moet niet maar een belijdenis van voorheen handhaven — maar moet ook voortgaan met belijden en moet daartoe aan een ieder de gelegenheid geven om zich te beroepen op Gods Woord”.
„Derhalve : dat waren de twee redenen, waarom b. v. Gunning en Hoedemaker, op reorganisatie aandrongen. Het gaat, zooals zij zelf het uitdrukten, „om des Heeren heerschappij over Zijn Kerk ; èn het gaat om de belijdenis van den Naam des Heeren door de Kerk, naar Zijn Woord”.
„Aan genoemde dingen wensch ik — aldus ds. Lingbeek — „het Ontwerp te toetsen”.
(Wordt vervolgd.)
DE SYNODALE BESTURENORGANISATIE VAN 1816 (2)
De toestanden in de Kerk — gelijk ook in de Maatschappij - --waren allertreurigst, door groot verval en inzinking, financieel, maar niet 't minst principieel. En juist omdat het principieel, inzake de belijdenis, zoo treurig stond, kon de overheersching van den Staat over de Kerk nog gemakkelijker toenemen. Er was geen verweer van beteekenis.
Wat de Minister van Binnenlandsche Zaken, Van der Capellen, reeds in de dagen van Keizer Napoleon had doen blijken, werd ook in de tijden, die nu volgden, openbaar. In een Memorie, opgesteld door den hoofdcommies J. D. Janssen, liet de Minister zich ter inlichtinig van Keizer Napoleon ongeveer aldus uit (1S13) : als! de Nederlandsche Kerkorde zou moeten plaats maken voor een andere (gedacht werd aan de Fransche regeling, in 1813), hoe goed ook deze in haar aard zijn mocht, zouden buiten allen twijfel daaruit allerhande nadeelige gevolgen moeten ontspruiten. (Ypey en Dermout, IV, blz. 498). Dat klinkt dus niet onaardig.
Maar — als nu in 1816 een Vorst uit het Huis van Oranje regeert, die z'n hand naar de Kerk uitslaat, is men blijkbaar vergeten wat men in 1813 tegenover Napoleon gezegd had, n.l. dat er allerlei „nadeelige" gevolgen uit zouden voortspruiten. Want ook Koning Willem I en zijne regeering wilden verandering, en wel een geheel nieuwe organisatie, die geheel vreemd was aan „de instellingen en de beginselen", die hier eeuwen hadden gegolden. En toen kwam er geen waarschuwing, om daarvan af te laten, maar integendeel deed men allerwegen wat men kon, om den Koning te steunen bij zijn poging om een nieuwe organisatie voor de Kerk op te stellen.
Den 26sten April 1814 deed dan ook de Commissaris-Generaal voor de Binnenlandsche Zaken aan den Vorst het voorstel : om eene Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk samen te roepen, opdat deze al die verbeteringen zou kunnen maken, welke de Kerk zou behoeven.
Ware nu die Algemeene Synode volgens de oude Kerk-ordeningen samengeroepen geworden, zoo zou zij volkomen wettig zijn geweest.
De Kerk zou dan in haar eigen kerkelijke vergaderingen hebben kunnen beraadslagen. En de Gereformeerde Kerk van Nederland zou dan eindelijk weer gekregen hebben waarop zij recht heeft : n.l. in Synode saam te vergaderen, gelijk na de Dordtsche Synode van 1618—'19 niet meer was geschied. De Kerk zou dan weer in eigen kerkelijke vergaderingen haar eigen zaken hebben kunnen en mogen behartigen. En het zou heerlijk geweest zijn, indien Oranje en zijn raadslieden daartoe de helj> ende hand hadden willen bieden.
Maar kennelijk was de bedoeling dadelijk anders geweest bij de machthebbers dezer wereld (hoewel de woorden van 1814 heel duister zijn), want men sprak er te voren reeds van, dat wellicht straks aan de wettigheid van de Synode zou worden getwijfeld, maar men moest dezen weg toch maar bewandelen — zoo adviseerde de Commissaris-Generaal (1814). Bij Ypey en Dermout (Deel IV, blz. 652) lezen we dan ook : ,, Daarenboven stond het te vreezen, dat over de wettigheid zoodaniger Synode, bij aldien zij niet zou zijn samengesteld uit afgevaardigden van dè bijzondere Kerkclassen, geen gering ongenoegen onder de Hervormden, ten minste onder derzelver leeraars, zouden kunnen rijzen, hetwelk, naar de natuur der zaak, wanorde moest verwekken”.
Hoewel het dus niet heelemaal duidelijk is wat men eigenlijk bedoelde en welke methode men dacht te volgen voor het bijeenroepen van een Synode, schijnt het wel, dat de gedachte om een Synode samen te roepen buiten de Classen om, buiten de Kerk zelve om, „in de lucht zat". Temeer, waar uit het Rapport duidelijk blijkt, dat men voor een nationale of generale Synode bevreesd was. „Gevaarlijk scheen het, inzonderheid voor een nauwelijks gevestigde Staat, die zulke ongelegenheden niet velen kon”.
Typisch is, dat de Raad van State er aan herinnert, dat de Vorst „volgens art. 139 van de Grondwet (van 1814) zijn bemoeiingen met de Kerkgemeenschappen niet verder behoefde uit te strekken dan tot schikkingen van financieelen aard". Dus verder moest de Koning niet gaan, aldus de Raad van State!
Maar aanstonds legt de Raad van State, die dus heel goed wist, dat de Koning geen verdere bevoegdheden had, het hoofd in den schoot en schrijft heel nederig en onderdanig „maar, ingeval de Vorst eene nadere regeling van het bestuur volstrekt noodig mocht keuren, zoo stelt de Raad voor een consuleerende Commissie te benoemen, samengesteld uit eenige bijzondere, verlichte leeraars der Hervormde Kerk, in de onderscheidene provinciën en andere kundige lidmaten der Hervormde Gemeenten". (Ypey en Dermout, IV, blz. 652—’53).
En zóó was het hek van den dam!
Het bleek overduidelijk, dat men heel goed wist, dat men het niet doen mocht zóó — maar men wilde den wettigen weg niet bewandelen en daarom — al mocht het niet — toch zou men het zoó doen, dat alles buiten de Classes, buiten de Kerk zelve omging. In Den Haag aan het Ministerie zou men alles netjes klaar maken en de Kerk zou het dan moeten slikken, of men wilde of niet.
Wij kunnen hierop niet genoeg den nadruk leggen, dat men zich goed bewust was, dat de Grondwet verbood, wat men wilde gaan doen. De Vorst had inzake het kerkelijk leven geen bevoegdheid. Maar het moest en het zou dan toch maar gebeuren ! De hooge heeren zouden alles zetten naar hun hand — en dat in de Kerk, waar Christus alléén zeggingschap heeft. Het is Christus' lichaam en Hij alléén is daar bekleed met autoriteit. De Kerk is geen keizerrijk, geen koninkrijk, geen republiek.
De Schrift spreekt van het huis des Heeren, van het lichaam des Heeren, het eigendom des Heeren — en de Heere Jezus Christus, de verhoogde Heiland, is het Hoofd der Kerk, en Hij alleen. Waarbij Hij Zelf de ambten heeft ingesteld van herder en leeraar, ouderling en diaken, niet opdat die ambtsdragers dan b.v.
zelfstandig zouden optreden, om alles naar hun hand te zetten ; neen, opdat Christus Zelf door de ambtsdragers regeeren zou en als profeet, koning en priester zou functioneeren in het midden der Kerk. Want de ambten, die er zijn in de Kerk zijn instrumenten van Jezus Christus, opdat Hij regeeren kan over Zijn lichaam, over Zijn huis, over Zijn Gemeente.
En dat Hoofd Zelf heeft beloofd Zijn lichaam in alle waarheid te zullen leiden. Waarom het lichaam van Christus, dat is de Kerk, wanneer zij in haar wettige organen vergadert rondom Zijn Woord, vertrouwen, dat het Hoofd Zelf met Zijn Geest zal in het midden zijn, om de vergaderde leden te sturen in de rechte sporen.
Zoo moet de Kerk hebben hare eigene Vergaderingen van elkaar in macht gelijk zijnde ambtsdragers.
Maar dat wilde men hier te lande niet in 1814—I18I6. De Regeering zou alles in orde maken voor en in de Kerk, omdat men de zaken der Kerk juist niet wilde leiden in de banen naar Gods Woord, maar naar eigen lust en wijsheid. In de „verlichte" 19de eeuw wist de mensch het zelf wel!
Zoo adviseerde men, dat de Koning alles ter hand zou nemen. En 12 October 1814 werd bepaald, dat een Consuleerende Commissie zou worden benoemd. Den 28sten Mei 1815 werden de benoemingen gedaan op voordracht van den Secretaris van Staat ; en het samenroepen dier Commissie geheel aan dezen Staatsdienaar overgelaten. Inmiddels was er een Algemeen Reglement op het Bestuur der Hervormde Kerk in de Nederlanden ontworpen, 't welk den 17den Juni 1815 aan de leden der Commissie werd toegezonden, met uitnoodiging om hunne gedachten ten deze „in vertrouwelijke correspondentie" mede te deelen aan den Commissaris voor de Kerkelijke Zaken in Den Haag ! (Glasius : Gesch. der Chr. Kerk enz. II, blz. 246).
De revolutionaire beginselen werden dus niet losgelaten al waren de dagen der groote Fransche Revolutie voorbij. De rechten des Heeren werden op het terrein van de Kerk, verkracht. De mensch, die zoo trotsch was op z'n „gezond verstand" zou zeggen, hoe 't voortaan met Christus' Kerk zou moeten gaan!
Mr. Groen van Prinsterer schreef dan ook over deze dingen in 1837 op deze wijze : „Door welke denkbeelden werd de staatkunde, toen het revolutionaire Keizerrijk was gevallen, bij het regelen der gewichtigste onderwerpen, geleid ? Dit weet nu immers iedereen : door dezelfde theorieën, die de omwenteling van 1789 teweeg hebben gebracht." „Een leer, die verderfelijk is, had men wederom in werking gebracht". (De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan 't Staatsrecht getoetst, blz. 5).
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's