De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

HET PUBLIEKRECHTELIJK KARAKTER DER KERKEN.

5 minuten leestijd

De belangstelling in zake de wet op de belasting van de Doode hand, die in ons nummer van 17 Maart tot uiting kwam in de vragen van een onzer lezers betreffende de resultaten, welke de belasting voor 's rijks kas oplevert, heeft ook weer een ander lezer van ons blad er toegebracht, zich bij ons aan te melden, ten einde eenig licht te mogen ontvangen over de vraag : hoe het Kabinet van 1034 er toe kwam om wel de diaconieën, maar niet de Kerken van het betalen van de doodehandsbelasting vrij te stellen. Aan deze vraag knoopt hij een tweede vast en wel deze : of er bij de openbare behandeling der Wet in de Tweede Kamer geen voorstel kwam om de Kerken buiten het geding te stellen.
Dat meerderen in onze Kerk zich voor de belasting van de Doode hand interesseeren, is duidelijk.
Eerstens bleek uit het adres, dat de Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsch Hervormde Kerk tot den Minister van Financiën richtte, en wat vrijwel onbekend was, dat, wat de Kerk per jaar aan doodehandsbelasting heeft op te brengen, een som vertegenwoordigt van bijna honderd vijftig duizend gulden, dat is over de vijf jaren, dat de belasting werkt, een bedrag van circa drie kwart millioen.
En in de tweede plaats loopt dit jaar de termijn van vijf jaren af, waarvoor de belasting werd bepaald, zoodat de .belasting van de Doode hand voor het laatst over het belastingjaar 1938 wordt geheven, wat met zich brengt, dat de Regeering zich zal hebben te beraden, of de belasting zal worden verlengd, dan wel zal worden ingetrokken.
Nu schijnt het eerste, n.l. de verlenging van de Wet vrijwel vast te staan, vandaar dat het van belang kan zijn, thans reeds in breederen kring de aandacht te vestigen op de financieele nadeelen, welke de Nederlandsche Hervormde Kerk van de doodehandsbelasting beloopt, afgezien nog van het feit, dat het publiekrechtelijk karakter der Kerk, het niet gedoogt, haar onder de belasting te brengen. Wat nu de vraag van onze lezer betreft, hoe het Kabinet van 1934 er toe kwam om de Kerken van het betalen van de doodehandsbelasting niet vrij te stellen, daarover moge dit worden opgemerkt, dat de Regeering de doodehandsbelasting beschouwde als het vragen van een noodoffer, waaraan allen, als het moet, moesten meedoen en waaraan dus vele zeer nuttige instellingen van: hooge waarde en van hooge beteekenis zouden moeten worden onderworpen. Het zou daarbij, naar het oordeel van de Regeering, tot de allergrootste moeilijkheden moeten leiden om, de gelden der armen daargelaten, een grens te willen trekken.
Zooals van zelf spreekt, behoefde de Staten-Generaal zich naar dat oordeel der Regeering niet te schikken. Echter de fout der Tweede Kamer was deze, dat de belasting niet in de afdeelingen der Kamer werd onderzocht, doch in handen werd gegeven van de vaste Commissie voor de Belastingen. Daardoor kon de Kamer geen directen invloed uitoefenen op de schriftelijke voorbereiding van de Wet. Toen de zaak dan ook in de Tweede Kamer in openbare behandeling kwam, was het vraagstuk der Kerken ten aanzien van de doodehandsbelasting op den achtergrond geraakt, met het gevolg, dat het zeer bezwarend ging, om voor het publiekrechtelijk karakter der Kerken weer de aandacht te vragen.
En toch heeft men dit gedaan.
'Het was het Christelijk Historisch Kamerlid mr. Rutgers van Rozenburg, die een voorstel indiende, dat daarop neerkwam, dat, waar de kerkgebouwen met inventaris als zoodanig reeds in de Wet waren vrijgesteld, ook de middelen tot gebruik van die gebouwen buiten de Wet zouden blijven, of met andere woorden : de kapitalen, .benoodigd om de Kerk aan haar doel te doen beantwoorden, zouden vrij zijn van de belasting van de Doodehand.
Over dit amendement van mr. Rutgers is in 1934 heel wat te doen geweest.
De Minister van Financiën wees er op, dat bij het mondeling overleg, gevoerd met de Commissie voor de Belastingen, welk overleg aanleiding, was geworden tot het scheppen van meer vrijstellingen, het punt van de publiekrechtelijke positie der Kerken niet was aangeroerd en hij daarom, na de zorgvuldige overweging, die had plaats gehad, niet bereid was „bij de openbare behandeling op het laatste oogenblik op dit punt een zoo belangrijke wijziging in het Wetsontwerp aan te brengen, waarvan hij de gevolgen niet kon overzien.”
Ook de toenmalige nestor der Kamer vestigde de aandacht op de moeilijkheden, op de impasse, waarin de Kamer gebracht werd, door eerst heel op het laatst de vrijstelling van belasting der Kerken aan de orde te stellen.
Het slot van de beraadslagingen was dan ook, dat het voorstel-Rutgers verworpen werd met de stemmen van alle Protestantsch-Christelijke Kamerleden op één na er voor.
Intusschen hebben de discussies, die nu 4 jaren geleden gehouden werden, geleerd, dat, wanneer de Regeering met het voorstel komen mocht om de doodehands-belasting te verlengen, terdege groote voorzichtigheid en bedachtzaamheid ten aanzien van de positie der Kerken bij de vaststelling der belasting geboden is.
De opmerking, welke mr. De Geer bij de behandeling van het amendement-Rutgers maakte, was alleszins juist, dat de onjuiste schriftelijke behandeling der Wet een fout was, waaraan de geheele Kamer schuldig stond.
Hij zeide : laat dit ons een leering zijn.
Wij zeggen dit mr. De Geer volmondig na.
Wanneer de Kamer destijds actief was geweest, zouden de Kerken wellicht niet onder de doodehands-belasting zijn gebracht.
Daarom moge de Regeering, wanneer tot verlenging van de Wet op de belasting van de Doodehand wordt besloten, met het publiekrechtelijk karakter der Kerken rekening houden, of anders hoede de Kamer zich voor de fout van 1934.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's