De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

RONDOM HET REORGANISATIE-ONTWERP (5)
Hoe staat het nu wat de vorm van Kerk- regeering betreft in het Ontwerp ?
Voorgesteld wordt : herstel van de regeermacht der Classicale Vergadering. De Classicale Vergadering zal maar niet alleen — zooals nu — een Classicaal Bestuur mogen benoemen, en dan naar huis gaan en aan het Bestuur de macht om te regeeren overdragen. Neen, die Classicale Vergadering van ambtsdragers zal voortaan zelf opzicht houden en tucht uitoefenen over de leden der Classis (de gezamenlijke Kerken zorg dragend over de plaatselijke Kerken afzonderlijk). En vervolgens, die Classicale Vergadering zal wel voor afdoening van de loopende zaken, een permanente Classicale Commissie benoemen, maar die Commissie zal toch géén bisschoppelijk karakter dragen, want zij zal (volgens Art. 43) aan de Classicale Vergadering verantwoording schuldig zijn, omdat zij de dingen ook namens de Classicale Vergadering behartigt en verzorgt.
„Hier vinden wij inderdaad een groote verbetering. De rechten der Classicale Vergadering, haar in 1816 bij Kon. Besluit ontnomen, worden, wat dit betreft, hersteld." (blz. 6). En dan verder : De Classicale Vergadering zal (volgens Art. 46, 2) de afgevaardigden benoemen naar de Provinciale Synode. Die Provinciale Synode benoemt op haar beurt een Prov. Commissie. En die Prov. Commissie zal óók weer (volgens Art. 52) verslag en verantwoording hébben te doen aan de Provinciale Synode.
„Dat is dus in orde !" schrijft ds. L. (bl. 6). Nog verder gaande zien we in het Ontwerp : de Provinciale Synoden benoemen (volgens 55) de leden der Algemeene Synode, en die Algemeene Synode benoemt een Synodale Commissie, en die Synodale Commissie heeft (volgens Art. 59, 1 en 2) uit te voeren wat de Synode haar zal hebben opgedragen en ze zal aan de Synode niet alleen verslag, maar ook verantwoording hebben te doen, van hetgeen zij zal hebben verricht.
„Hier is verbetering." (blz. 6). Maar dan komt ds. L. hier (wat dus de vorm van Kerkregeering aangaat) met een bezwaar ; en wel dit bezwaar ,dat de leden der kerkelijke vergaderingen geen lastbrief of instructie mee krijgen.
Ds. L. zegt letterlijk : „Evenwel, géén verbetering is aangebracht wat betreft de positie der Classicale Vergaderingen, Provinciale-en Nationale Synoden zélf. Oudtijds n.l. waren de leden der Kerkelijke Vergaderingen aan een instructie of lastbrief gebonden. (Zie Art. 33 Dordtsche Kerkorde)." Dat was, om alle gedachte weg te nemen, alsof die vergaderingen een soort van veelhoofdige bisschoppen waren, die, zoodra zij daar zaten op een hooger gestoelte te land waren gekomen en met een hooger ambt waren bekleed, dan de overige gewone dienaren. Zij moesten weten en voelen, dat zij daar zaten en dat zij handelden namens en op last van die hen afvaardigden. Zij zaten daar niet voor hun eigen persoon, maar namens hun Kerk, die hen afvaardigden en hen dan altijd tegelijk een lastbrief namens die Kerk, meegaven. Het was hun vertegenwoordiger, die hun opdracht uitvoerde.
Als historisch voorbeeld ter toelichting kan hier gewezen worden op de dagen van de Remonstrantsche twisten en de groote Synode van Dordrecht 1618—'19. In de Provinciale Synode van Zeeland, ter voorbereiding van de Nationale Synode van Dordt, gehouden te Zierikzee, kwam de vraag ter sprake „hoe de afgevaardigden uit de Provincie Zeeland zich straks ter Synode te Dordt zouden hebben te houden ten opzichte van de Remonstrantsche kwesties in zake de belijdenis, als daarover door de Nationale Synode zou worden beraadslaagd en besloten.
Men oordeelde dat deze weg gevolgd moest worden : Eerst zou het gevoelen van al de Zeeuwsche Classen gevraagd worden, opdat de Provinciale Synode zou weten welke opdracht zij had te geven aan de af-te-vaardigen-broeders ter Algemeene Synode.
Men stond er dus op, dat in zake de leer — met name ten tijde van de Remonstrantsche verschilpunten — op de Synode gesproken en besloten zou worden door de Kerken, die daartoe afgevaardigden zonden, om in haar naam te spreken en namens haar te besluiten en te handelen. Niet broeder A. of broeder B. als zoodanig had daar te handelen, maar de Kerken moesten haar oordeel uitspreken. Nu willen wij hier, waar het gaat over die instructies voor de afgevaardigden dit even opmerken:
Bij die buitengewone aangelegenheden op de Dordtsche Synode, toen de alles in beroering brengende zaak van de Remonstrantsche dwaalleer aan de orde was, hebben de Kerken ook buitengewone aandacht gegeven aan de instructies voor de afgevaardigden ; zóó zelfs, dat men in Zeeland de vraag besprak, of de afgevaardigden die ter Synode gingen ook tusschentijds om „opdracht" of „instructie" 'zouden moeten vragen als er zich iets bijzonders voordeed. En besloten werd, dat men dan eerst „reces moest nemen bij haar Principale" ! Het ging toen immers om vast te houden aan „de suivere Leer, die tot nog toe eenpariglijk in de regte Gereformeerde Kerken geleerd is, alsoo dezelve na den regel van Gods Woord kortelijk is vervat in de Formulieren van Eenigheid, te weten de Nederlandsche Confessie en Heidelbergsche Catechismus" (De Vijf Leerregels bestonden toen nog niet, maar zijn juist op de Synode van 1618— '19 vastgesteld ten opzichte van de vijf „Controverse pointen”.
Men wilde zich, in Zeeland vooral, veilig stellen, dat de afgevaardigden ter Synode zouden spreken, stemmen en besluiten „als de mond van hen, die zij vertegenwoordigden”.
Als Groen van Prinsterer in zijn Handboek der Geschiedenis van het Vaderland mededeelt, hoe bij invoering van het Synodaal Reglement van 1816 de Lastbrief aan de leden van de Besturen was afgeschaft, schrijft hij : „verbod van lastbrief of ruggespraak, dus : vernietiging van den invloed der Gemeenten". En in zijn „De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst", schreef Groen : „De Ned. Hervormde Kerk heeft steeds op de gelijkheid der leeraars, op het verwerpen van al wat naar voorrang en gezagvoeling zweemt, hooge waarde gesteld. Zij heeft dit beginsel aangemerkt als ontleend uit de Heilige Schrift, zóó dat het als een belangrijk gedeelte der leer in haar geloofsbelijdenis opgenomen werd. Juist het tegenovergestelde werd nu bepaald : een Algemeene Synode, door geen lastbrieven beperkt." (Verspreide Geschriften, Deel H, blz. 11).
In 1816 hadden de gekozenen (die bovendien toen niet eens gekozen werden door de Kerk, maar benoemd door den Koning !) aanstonds na hun zitting nemen in de Besturen (!) de vrije hand. Er was geen sprake meer van „de mond der Kerken te zijn en te spreken volgens instructie of opdracht van degenen die afgevaardigd hadden". De macht van de Kerken, van de ambtsdragers, moest eenvoudig overgedragen worden aan anderen, die als „machthebbers" voor een reeks van jaren in het gestoelte der eere kwamen te zitten. Dr. Hoedemaker schreef daarom in 1888 aan de Synode (en heeft dat later telkens herhaald) : „Maar de bedienende macht, die de opzieners bezitten, kan en mag niet worden overgedragen aan anderen. Hetgeen waarvoor men zelf aansprakelijk is, mag niet zoo geheel uit de handen worden gegeven als bij deze Bestuursinrichting geschiedt”.
Zoowel Groen ais Hoedemaker stonden tegenover de Besturen, terwijl er geen eigenlijke Kerkelijke Vergaderingen meer waren. En in die Besturen was elk contact met de Kerken of plaatselijke Gemeenten verbroken. Maar in het Ontwerp wil men juist de Kerkelijke Vergaderingen met afgevaardigden en vertegenwoordigers van de Kerken weer herstellen.
En daarom zal men goed doen, om, met het oog op de eventueel komende nieuwe regeling te vragen : hoe was het vroeger met die instructies en lastbrieven en hoe moet het eventueel nu (als de Kerkelijke Vergaderingen weer mochten komen) geregeld worden ? Waarbij ds. Lingbeek het voorstelt, dat er vroeger instructies of lastbrieven waren, waar bij alles voorgeschreven was voor de afgevaardigden of vertegenwoordigers der Kerken, zoodat te voren alles afgesproken en vastgesteld werd hoe de afgevaardigden moesten handelen en hoe zij moesten stemmen, enz. ; ja, dat zij tusschentijds, zoo noodig bij hun „zendende" Kerk (of Classis enz.) eerst moesten vragen, wat ze daar voor „opdracht" hadden klaar gemaakt (blz. 24).
Maar zóó staat de zaak toch inderdaad niet. Ongetwijfeld is de geschiedenis van de Remonstrantsche leergeschillen, die heel de Kerk en heel het volk in beroering brachten, iets uitzonderlijks geweest. Onder „gewone" omstandigheden ging het anders toe.
Maar daarover (en het is een gewichtig punt !) een volgende maal nog iets meer.
(Wordt voortgezet.)

Gods Verbond en Gods Kerk of Organische gemeenschap in ’t geloof. (2)
In zijn uitlegging van den Galatenbrief schrijft Calvijn (4 vers 26), als er daar gesproken wordt van „Jeruzalem, dat boven is, hetwelk is onzer aller moeder", als volgt : Jeruzalem heet hier hemelsch, niet omdat het in den hemel besloten is, noch buiten de wereld ie zoeken is : want de Gemeente des Heeren is hier op aarde en is over de gansche aarde verspreid, en vreemdelinge op aarde. Maar het wordt gezegd „uit den hemel te zijn", omdat het zijn oorsprong heeft van de hemelsche genade ; het wordt alles uit den hemel gewerkt en gegeven. Immers, de kinderen Gods worden niet uit vleesch en bloed geboren, maar uit de kracht des Heiligen Geestes ; ze worden van boven geboren. Het „hemelsch" Jeruzalem, dat zijn oorsprong in den hemel heeft en zijn ontstaan aan den hemel heeft te danken, en door het geloof boven woont, isi de moeder der geloovigen. Want haar is het zaad des onverderfelijken levens in bewaring gegeven, waarmee zij ons teell, in haar schoot koestert en ten leven voortbrengt. Daarbij geeft zij' melk en spijs aan allen, die zij gebaard heeft en uit haar schoot heeft voortgebracht. Daarom nu, wordt de Gemeente genoemd de „Moeder" der geloovigen : en voorwaar, die weigert een kind der Gemeente te zijn en haar niet tot „Moeder" begeert, begeert tevergeefs — aldus Calvijn — God tot een Vader te hebben. Want God verwekt Zich kinderen en brengt hen op, totdat zij groot worden, doch niet anders dan door den dienst der Gemeente. Dit is — zegt Calvijn — voorwaar een schoone en vooral eervolle lof der Gemeente !
En in de Institutie (III, 2, 30) lezen we : „het geloof is niet zaligmakend, dan in zooverre het ons in het lichaam van Christus, dat is Zijn Gemeente, inlijft.
Deze opvatting van Calvijn : dat de vrucht van het offer van Christus der Gemeente ten goede komt, en den geloovige persoonlijk, als individu, alleen maar ten goede komt in verband met de Gemeente, vindt hare uitdrukking in de spreuk : „Extra ecclesiam nulla salus", d.i. buiten de Kerk geen zaligheid.
Aan deze gedachte, door Calvijn in overeenstemming met Gods Woord en geput uit de Heilige Schrift, is men in den na-reformatorischen tijd bijna geheel ontvallen ; en niet alleen dat velen ook in onze dagen - ook die zich theologen noemen — aan deze gedachte geheel vreemd zijn, maar wanneer deze reformatorische. Schriftuurlijke waarheid weer geleerd wordt, kakelen velen woorden als : „dat is Remonstrantsch, Ethisch, Roomsch". En men wordt den volke voorgesteld, als vijand te zijn van de waarheid en — wat blijkbaar het ergste moet zijn — als vijand van „Gods volk". Net precies, zooals het de Hervormers ervoer bij de gedragingen van de zich bij uitstek geestelijk noemende Anabaptisten, die door hun „geestelijk" optreden de Kerk des Heeren zoo onnoemelijk veel schade hebben gedaan, gelijk ook de subjectivistische Methodisten en „ziekelijke" Piëtisten. De Kerk werd geminacht, hoogstens „steigerwerk" genoemd, en het „kerkje in de Kerk" werd geprezen als het ware, staande met den rug naar de Kerk, en miskennende het Verbond Gods met het ware geloof in Jezus Christus, om deel te hebben aan al de weldaden van den Zaligmaker en in levende, actieve relatie te staan met God. De vrome christen kwam in de plaats van den eenigen en algenoegzamen Christus en alles werd gebouwd op het drijfzand van eigen overtuiging, eigen ervaring, eigen gesteldheid, eigen vroomheid en eigen bezit. Waarbij „Gods volk" meer geprezen en gezocht werd en wondt dan de eenige en algenoegzame Borg en Middelaar, Die Zijn Kerk hier op aarde vergadert en onderhoudt, door Zijn Geest en Woord, waarin Gods Verbond verwerkelijkt wordt in de geslachten.
„De opvatting nu, dat de vrucht van, het offer van Christus der Gemeente ten goede komt" — aldus dr. J. A. C. van Leeuwen in zijn opstel in Theol. Studiën, 1908 — „en den individu alleen maar ten nutte is in verband met de Gemeente" —: is lang geheel schuilgegaan onder allerlei subjectivistische beschouwingen. Maar het is opmerkelijk, dat „op allerlei gebied de organische opvatting meer en meer tot haar recht begint te komen (zielkunde, psychiatrie, crimineele anthropologie, waar de deterministische beschouwing hóóger nu staat dan de indeterministische). Niet alleen de samenhang, die er is in het leven van den individu, maar ook de band, die de geslachten verbindt, is van het grootste belang".
„De menschheid" — aldus dr. Van Leeuwen — „is niet een hoop zandkorrels, of een bundel pijlen ; maar als een boom ; een organisch geheel. En zeer zeker is alle persoonsleven, in zijn eigen aard, zich onderscheidende van ieder ander persoon, een „Godsgeheim" (mysterie), toch is geen enkel individueel leven los van de gemeenschap, waaruit het opkomt. Zonder den invloed, de werking der omgeving, waarin God het deed ontstaan, is het individueele leven nooit te verklaren (voor zoover het verklaarbaar is). „De vezelen van het persoonlijk leven schieten op elk punt uit den bodem van het gemeenschappelijk leven". Nooit is de enkeling los van de gemeenschap (gezin, nationaliteit. Kerk, enz: ), waaruit hij is opgekomen.
Deze organische opvatting moet ook voor het geestelijk leven hoog gehouden worden en in de plaats gesteld van de individualiseerende. Dat is dan geheel in overeenstemming met de Heilige Schrift en in aansluiting aan de beschouwing der Reformatoren.
Gods Verbond is niet opgericht eerst met Abraham, en later met Izaak, en toen nog weer eens met Jakob. Maar met Abraham en zijn nageslacht. Zoo was, uitwendig, ieder Israëliet als zoodanig een kind des Verbonds. Geestelijk, met betrekking op het eeuwige leven, gaf dit zonder meer, geen voorrecht, gelijk het Farizeïsme zich dit inbeeldde, om het ook overal hooggevoelend, met vleeschelijke eigengerechtigheid, uit Ie spreken (Matth. 3 vers 7—9 ; Joh. 8 vers 39). Dit was de zonde van het vleeschelijk Israël. Maar dat neemt niet weg, dat toch geen vrome in Israël tot de ware, geestelijke en zaligmakende kennis kwam van Israels God, van den „God Jakobs", buiten verband met het volk des Verbonds en zonder invloed der beloften, aan Abraham en zijn zaad, in de geslachten, geschiedt. (Lukas 1 vers 54 enz. ; Psalm 147 vers 2, 19, 20, enz.).
Ook het in het O. Testament zoo gangbare beeld van het huwelijk, waarin Gods betrekking tot Israël wordt voorgesteld, is slechts verstaanbaar wanneer men in het oog houdt, dat het Verbond Gods het uitverkoren volk Israël, Abrahams zaad, als organisch geheel omvat. En. wanneer in het N. Testament dit beeld wordt overgenomen en toegepast op de verhouding van Christus en de gemeente, dan is reeds daaruit duidelijk, dat wij fout zouden gaan, door het organische van de betrekking der gemeente tot haar Hoofd uit het oog te verliezen. De geloovigen worden niet, ais stokken in den grond, in de gemeente gezet, maar de gemeente is er, en de individueele geloovigen komen tot het heil dat in Christus is, door middel van en in de gemeente. Ditzelfde 'komt uit in de wijze waarop Jezus van de gemeente spreekt, b.v. in Matth. 18 vers 19 : „Wederom zeg Ik u, indien daar twee van u samen stemmen op de aarde, over eenige zaak die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van Mijnen Vader, Die in de hemelen is ; want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen Naam, daar ben Ik in het midden van hen" (vers 20). En zeer duidelijk komt dit uit, wanneer de Heiland zich zelf de ware Wijnstok noemt en de discipelen de ranken. Ook blijkt het uit het hoogepriesterlijk gebed, waarbij de voorbede van Jezus niet maar alleen den oogenblikkelijken kring der discipelen omvat, maar zich ook uitstrekt over „allen, die door hun woord in Mij gelooven zullen". (Joh. 17 : 20 enz.)
Het wezen der gemeente kan nooit aangeduid worden met het agglomeraat van samenstellende deelen, maar het juiste beeld is altijd de groei van het organisme, wat zoo bijzonder sterk uitkomt, als in beeldspraak de gemeente een tempel wordt genoemd en de terminologie van „levende" steenen gebruikt wordt. (1 Petrus 2:5).
Het waren de Anabaptisten, die kwamen met de individualistische, atomistische opvatting, maar dit vinden we niet bij de Reformatoren. Zoowel Luther als Calvijn hebben de organische beschouwing en deze moet ook door ons gehuldigd worden, vasthoudend aan het Verbond Gods, in tegenstelling met de veelszins nog heerschende dwaling, waarvan ook het Methodisme met zijn individualisme niet vrij is, alsof Gods verbond met iedere ziel afzonderlijk opnieuw begon.
Het sociale, het gemeensdcaps-element in de religie komt tot zijn recht door een juiste schatting van de beteekenis van het Verbond, zooals het in zijn uitwendigen vorm optreedt in de Kerk, die de openlijke verkondiging van het Woord, en de rechte bediening der Sacramenten heeft. En zoo moet ook de nadruk gelegd worden hierop, dat nooit een geloovige, noch voor het ontstaan, noch voor den wasdom, noch ook voor de gezondheid of het verkwijnen van zijn geloofsleven, los kan gedacht of mag gemaakt worden van de Kerk, die als zijn moeder en voedster — zooals Calvijn dat uitdrukt, zie Gal. 4 : 26 — door de kracht des Heiligen Geestes hem baart en koestert.
In het werk der genade verbreekt God de wetten niet, die door Hem gesteld zijn in het rijk der natuur. De herschepping is geen revolutie, maar Reformatie door de genadige werking des Heiligen Geestes en krachtens den Raad en het welbehagen Gods. God vernietigt niet in de herschepping Zijne Schepping, maar vernieuwt ze. En indien er één terrein is, waarop dat duidelijk uitkomt en daarom ook door ons in het licht moet worden gesteld, dan is het wel het terrein der christelijke religie. Vandaar de parallel tusschen Adam en Christus. De éénheid van het menschelijk geslacht, dat door God „uit éénen bloede" gemaakt is, wordt door den Herschepper gehandhaafd in de éénheid der gemeente, Levende onder en door haar Hoofd Christus, Wiens lichaam zij is. Vandaar de eisch : den samenhang van den enkeling met de gemeenschap, die hem draagt en waarvan, deel uitmaakt, te erkennen, door te wijzen op de beteekenis der gemeente, die er altijd is vóór den individueelen geloovige. [Men zie voor een en ander het belangrijke artikel : Het Geloof door dr. J.. A. C. van Leeuwen. Theol. Studiën. 190'8, blz. 81—124].

HOE ROME ZICH WEET AAN TE PASSEN!
Men weet, hoe het Vaticaan en ook de Roomsche geestelijkheid zelve, in Duitschland zich — o.i. terecht — tegenover het Nationaal-Socialisme aldaar geplaatst heeft !
En nu in Oostenrijk !
In de couranten kon men lezen, dat Zondag 27 Maart van alle kansels der R.-Katholieke kerken van Oostenrijk een verklaring is voorgelezen, geteekend door Kardinaal Innitzer en het geheele Oostenrijksche episcopaat, met het opschrift „Een nationale plicht", van den volgenden inhoud :
»Uit innerlijke overtuiging en vrijwillig verklaren wij, ondergeteekende bisschoppen van de Oostenrijksche kerkelijke provincie, maar aanleiding van de groote geschiedkundige gebeurtenissen in Duitsch-Oostenrijk : Wij erkennen verheugd, dat de nationaal-socialistische beweging op het gebied van den nationalen en economischen opbouw, alsmede van de sociale politiek, voor de armste lagen der bevolking uitstekende dingen heeft gepresteerd en nog presteert. Wij zijn er ook van overtuigd, dat door het optreden der nationaal-socialistische beweging het gevaar van het alles vernielende goddelooze bolsjewisme is afgeweerd. De bisschoppen schenken dat werk voor de toekomst hun beste zegenwenschen en zullen ook de geloovigen in dien zin vermanen. Op den dag der volksstemming is het voor onze bisschoppen vanzelfsprekend een nationale plicht, ons als Duitschers voor het Duitsche Rijk uit te spreken en wij verwachten ook van alle geloovige Christenen, dat zij weten, wat zij hun volk verschuldigd zijn«.
Tot dusver was er nog geen enkele officieele Roomsch-Katholieke verklaring verschenen, waarin zoo duidelijk en onomwonden bepaalde verdiensten van het nationaal-socialisme werden genoemd. Het stuk heeft daardoor ook in Duitschland groote voldoening gegeven en kardinaal Innitzer heeft er een uitstekende pers. Ook is duidelijk, dat de overwegend Roomsch-Katholieke bevolking van Oostenrijk (ongeveer 80 %) door deze aanmoediging van het episcopaat om Zondag 10 April „ja" te stemmen, met des te grooter meerderheid den „Anschluss" bekrachtigen zal.
Uit Oostenrijksche Protestantsche kringen schrijft men, dat de nieuwe stand van zaken voor de Roomsch-Katholieke Kerk zeer schadelijk zou kunnen blijken te zijn. Tot dusver moest men in Oostenrijk Roomsch-Katholiek zijn om iets te kunnen bereiken ; overgang tot de Protestantsche Kerk was uitermate moeilijk. Zeer velen werden daardoor tegengehouden, die innerlijk reeds ophielden R.-Katholiek te zijn. Thans zijn zij vrij om uit te treden. De algemeene verwachting is, dat tien-en tienduizenden zulks doen zullen. De politiek van kardinaal Innitzer echter, die de nationaal-socialisten sterker tegemoet komt dan dit in Duitschland het episcopaat deed, zal anderzijds velen weer tegenhouden en komt de Roomsch-Katholieke Kerk ongetwijfeld ten goede.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's