MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Ik bedoel, dat de mensch vleeschelijk verkocht is onder de zonde en uit zichzelf onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij hij door den Geest Gods is wedergeboren. Zoo zegt de Bijbel het en dat is de ervaring van wie zichzelf leerden kennen. En dat moet geweten worden, om te komen tot de behoefte aan verlossing, zooals Jezus Christus, die voor verlorenen aanbracht”.
„En als ik dus dat niet geloof en ook niet preek ? " — vroeg de dominé met iets toornigs in zijn stem.
„Ik wensch u niet te oordeelen, dominé, maar wèl wil ik u zeggen, niet gaarne in uw plaats te willen zijn, wanneer u straks ter verantwoording geroepen wordt over den arbeid door u verricht”.
„Wie zal mijn man ter verantwoording roepen", barstte mevrouw verontwaardigd uit, terwijl haar lippen beefden en haar gelaatskleur plotseling van paarsrood in lijkwit veranderde.
„God !" .— klonk het kort maar plechtig, „'t Lijkt mij het beste, dat wij hierop niet verder ingaan", zei de dominé. ,, Daar is tusschen ons een groot verschil, dat zich toch niet oplossen laat. Ik zie de dingen heel anders dan u, en heb een geheel andere Schriftbeschouwing en denk gelukkig ook nog een weinig beter over mijn medemenschen. Wanneer u werkelijk meent, dat ik de menschen op een dwaalspoor breng — want daar komt 't dan toch op neer — dan zou ik u raden niet meer onder mijn gehoor te komen, om misschien ook niet door mij te worden verleid. Wij leven gelukkig in een vrij land en ieder kan gaan, waar hij wil, en doen, wat hij wil" — aldus besloot de predikant, tegelijk een beweging makend, welke zooveel beteekende als dat het gesprek was afgeloopen.
Toen stond Murk óok op. „'t Spijt mij, dominé, dat dit het einde van ons gesprek werd", zei hij. „'k Had het, graag anders gehad en ook anders gehoopt. Maar zoo u zegt, daar is een verschil tusschen ons en dit betreft geen kleinigheid. God weet, dat ik zoo gaarne een anderen afloop heb gewild. Maar waar u zelf wel gevoelt dat aan mijn diepsten zielsnood geen bevrediging gegeven wordt en de prediking mij innerlijk ledig laat, daar kunt u het mij niet kwalijk nemen, voortaan mij niet meer geregeld onder uw gehoor te zien. U weet niet, hoe mij dit pijn doet, want op den dag des Heeren is mijn plaats in de kerk, maar mijn hart blijft daar onbevredigd en ik heb behoefte aan levensbrood. Wat u niet hebt, kunt u evenwel ook niet geven. Ik hoop niet, dat u kwaad op mij wezen zult, want het gaat hier om heilige belangen, die de komst van het Godsrijk raken. Moge de Heere ons den weg wijzen en, kon het zijn, nog eenmaal vereenigen in de aanbidding Zijner genade, ons in Christus bewezen".
Vanwaar hij dien woordenrijkdom, ontving, heeft hij later nooit geweten. Door zijn vele lezen wist hij meer dan anderen en was vooral in den weg des heils en de leer der verlossing goed thuis, maar nog nooit had hij tegen een ontwikkeld man, en dan een predikant voor wien hij altijd krachtens diens ambt den diepsten eerbied gevoelde, zóó gesproken, 't Kwam misschien ook, doordat hij al zóó langen tijd met het voornemen rondgeloopen had, om dit alles te zeggen, doch een zekere schroomvalligheid hem tot hiertoe belette zulks te doen. Nu had hij zich uitgesproken en had er vrede mee.
„'k Wensch u wederkeerig het beste en hoop u wel eens weer te zien en te spreken", was het woord, waarmede ds. Lauwers Murk uitliet.
Daar buiten viel de regen en maakte den weg glibberig, welke spaarzaam verlicht werd door de lantaarns, die hier en daar de duisternis nauwelijks konden wegnemen. Een koude, vochtige wind sloeg hem in 't gelaat, toen hij de donkere pastorielaan uitging, om zijn eigen tehuis op te zoeken, waar het minder deftig, maar meer gezellig was, althans voor hem
„Een nare man ! Wat verbeeldt zulk volk zich al niet! Hoe is 't mogelijk, dat zij de brutaliteit bezitten om zoo iets tegen hun dominé te zeggen. Ik begrijp ook niet, dat je zoo'n geduld met hem had. Ik had hem wel graag de pastorie willen uit sturen. Zoo'n bedillerij over je preeken. En dan die vreeselijke gedachten over God, alsof Hij zoo'n wrekend monster zou zijn, en over de menschen, alsof er niemand goed is. 't Komt, omdat zulk volk zélf niet deugt en geen vrij geweten heeft, 'k Ben blij, dat je er ten slotte maar een eind aan maakte en hem den wenk gaf, om op te stappen, 'k Hoop hem ook niet meer in de pastorie te zien".
Zoo ging het bij mevrouw als van een leien dakje, toen de dominé het vertrek weer binnentrad, 't Was voor haar gewoon een ergernis geweest, het geheele bezoek van Murk, en het had haar ganschen avond bedorven.
Maar de dominé zei niet veel. In gedachten verzonken, liet hij zich in zijn stoel neervallen, de vingertoppen van beide handen tegen elkaar rustend, 't Was ook voor hem iets nieuws, zulk een bezoek te ontvangen. Een enkele maal had hij het wel eens op een begrafenis gehad, dat iemand zich met hem niet vereenigen kon en blijkbaar tot een andere richting of kerk behoorde, doch omdat hij een begrafenis niet als een debatingclub beschouwde, had hij zich van eiken redetwist over eenig godsdienstig begrip onthouden en bij zoo'n gelegenheid gezwegen, of was heengegaan. Nu ontmoette hij in zijn eigen woning uit eigen gemeente tegenkanting tegen de wijze, waarop hij zijn ambt uitoefende. Dit maakte hem stil en gaf te denken.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's