De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

6 minuten leestijd

Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Psalm 32 vers 1.

Alle menschen, zonder onderscheid, zijn zondaren. Van ieder menschenkind geldt het, dat hij in zonde ontvangen en geboren is, dat hij aan de erfzonde is onderworpen, en dat hij daarenboven zijn schuld bij God nog dagelijks vermeerdert en verzwaart, door zonden met gedachten, woorden en werken ; door zonde van bedrijf en zonde van verzuim. Maar niet ieder heeft dezelfde gedachten en gevoelens daarbij, niet ieder wordt daar op gelijke wijze bij bepaald, niet ieder verkeert op gelijke wijze onder de zonde.
Als we letten op het gedrag der menschen en eens aandachtig luisteren naar wat zij zeggen, dan bemerken we, dat de mensch ten opzichte van de zonde drieerlei standpunt kan innemen.
Allereerst zijn er menschen, die, midden in de wereld levend, de zonde zeer gewillig bedrijven. Met onbeschaamdheid doen zij het kwade, jagen de ongerechtigheid na; de zonde vormt hun lust en begeeren. Nimmer toonen zij ook maar eenig berouw. Slechts in één opzicht nemen ze zich voor de zonde in acht, namelijk, als ze de schadelijke gevolgen er van niet willen ondervinden. Als zich de gevolgen hunner zonde openbaren, hetzij in het lichaam, zooals dat het geval is bij den wellusteling, den dronkaard en dergelijke; hetzij in het maatschappelijk leven, zooals de dief dat ondervindt, dan willen zij wel in hun eigen belang voortaan verstandiger en bedachtzamer zijn, voorzichtiger gaan leven, maar helaas, tot berouw over hun schuld komt het bij hen niet, schuldbesef en verslagenheid kennen zij niet. O, konden zij de zonde ongestraft, zonder schade voor hun lichaam, doen, zij deden het volgaarne en van ganscher harte. Zijt gij misschien zulk een mensch, al wilt ge op uw manier een zekere mate van godsdienstigheid vertoonen, mijn lezer ?
Maar, gelukkig, dank zij Gods genade, zijn er ook anderen, die zich diep schamen over hun bedreven kwaad ; die een hartelijk leedwezen over hun zonde gevoelen en den Heere vurig bidden en smeeken : Gena, o God, gena. Zij weten het, dat zij in hun zonde tegen de Allerhoogste Majesteit, den heiligen en rechtvaardigen Rechter gezondigd hebben, zwaar gezondigd hebben, Zijn wil en wet, hoe heilig, stout versmaad hebben en het is hun een oorzaak van bittere smart en innige droefheid. Niet allereerst denken zij aan de gevolgen der zonde, die zij ondervinden. Neen, zij gevoelen de zonde zelve in haar schrikkelijke onheiligheid, zij weten het: Tegen U, o Heere, U alleen heb ik gezondigd en gedaan, wat kwaad was in Uwe heilige oogen. Daarom zijn ze door schuldbesef getroffen en verslagen, en zij bidden en pleiten bij den troon der genade om vergiffenis, dat de Heere met hen niet in het recht wil treden, maar Zijn barmhartigheid en lankmoedig­held aan hunne zielen wil openbaren en groot maken. Zij gaan staan en nemen plaats bij den boetvaardigen tollenaar in den tempel en zijn smeekbede maken zij tot de hunne, als uit het diepst hunner ziel de bede oprijst naar omhoog : O God, wees mij, zondaar, genadig.
En, mijn lezers, in de derde plaats zijn er ook menschen, die de genadige verhooring dezer ootmoedige smeekbede aan hun ziel mochten ervaren en mochten ontvangen. Zij hebben het duidelijk en klaar verstaan met het oor hunner ziel: uwe zonden zijn u vergeven, die vele waren. Zij mogen, door 's Heeren genade alleen, juichen van de groote en heerlijke dingen, die de Heere aan hun ziel gedaan heeft. Met diep berouw, met verslagenheid des harten, als boetelingen hebben zij gepleit om genade en geen recht. Maar de Heere is in hun ellende tot hen gekomen met de genade Zijner vertroosting. Zij hebben het ondervonden, dat hun zonden, die zoo rood waren als scharlaken en karmozijn, geworden zijn als witte sneeuw, die versch op het aardrijk nederviel, als witte wol. Zij weten het, dat God, zonder eenige verdienste hunnerzijds, uit louter genade, hun de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals hadden zij nooit zonde gehad noch gedaan, ja als hadden zij zelve al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor hen volbracht had.
David, die in ons tekstwoord spreekt, is een zeer groot zondaar geweest. Ik noem u slechts zijn overspel met Bathseba, zijn doodslag van Uria met al de laaghartigheid daaraan verbonden. Wonderlijk is het toen geweest, dat er aanvankelijk bij hem geen berouw gevonden werd, en dat de profeet Nathan hem in de conscientie moest aangrijpen en hem moest wakker schudden met het persoonlijk, zeer persoonlijke woord v Gij zijt die man (2 Samuel 12 : 7). Maar nauwelijks is David aan zich zelven ontdekt, of hij roept uit diepte van ellende : Gena, o God gena, verhoor mij toch naar Uw barmhartigheden : hoor, hoe een boeteling pleit. En David, ondanks al zijn zonde toch de uitverkorene Gods, de man naar Gods harte; hij heeft van Zijn God vergiffenis ontvangen. Hij doet het ons weten in vers 5 van dezen Psalm : mijne zonde maakte ik u bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet; ik zeide : Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den Heere, en Gij, Heere, vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Dat laatste is Davids zekerheid, Davids zaligheid, Davids wetenschap. Een boetvaardige ziel, door schuldbesef getroffen en geslagen, heeft het menigmaal zoo benauwd, kan zoo bitter lijden, want zulk een ziel ligt gekneld in banden van den dood, is omringd door droefenis, en de angst der hel doet haar alle troost missen. Maar als dan het licht mag doorbreken, en de duisternis wordt weggevaagd ; als het leven ontwaakt en de dood wordt teruggedrongen; als God in Zijn lankmoedigheid den vindenstijd u geeft, o, dan komt er groote, overstelpende zaligheid in de ziel, dan is er onuitsprekelijke blijdschap in 't hart. Ziet, aan die innerlijke vreugde, aan die blijdschap des harten, geeft David uiting, als hij het uitroept: welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Dit geldt niet alleen voor David. Er zijn er geweest, alle eeuwen door, die die zielservaringen van David leerden kennen. Kunt ge evenals David uiting geven aan Wat in uw hart leeft door Gods genade : Welgelukzalig ben ook ik, daar mijn overtreding vergeven, mijn zonde bedekt is?
Ziet, het komt er voor ons allen op aan, of het waarachtig berouw en het hartelijk leedwezen dat bij David werd gevonden, ook bij ieder van ons werd gevonden ; bij u aanwezig is ; en of ge als David pleit als een boeteling voor Gods genadetroon. Zalig zijn, die treuren, treuren over hun schuld, want zij zullen vertroost worden. Zalig hij en zalig zij, die het een David mag en kan nazeggen : en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Mijn overtreding is vergeven, mijn zonde bedekt. Welgelukzalig is hij, die deze troostrijke wetenschap bezit en zingen mag :
Komt, luistert toe, gij Godsgezinden Gij die den Heer' van harte vreest, Hoort, waf mij God deed ondervinden, Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
Want:
Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, Die van de straf voor eeuwig is ontheven; Wiens wanbedrijf waardoor hij was bevlekt Voor 't heilig oog des Heeren is bedekt.
Vinkeveen
G. d. Duijn
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's