De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

10 minuten leestijd

Van de engelen.
Naar aanleiding van de dwaling der Sadduceën, waarop in Handelingen 23 : 8 wordt gewezen, legt Calvijn er den nadruk op, dat de engelen persoonlijke geesten zijn.
De Sadduceën geloofden n.l. niet aan engelen, maar dachten aan ingevingen Gods in den mensch en krachten Gods, welke dan als engelen zouden worden voorgesteld.
De veelvuldige getuigenissen omtrent de engelen en de wijze, waarop wordt voorgesteld, wat zij doen, is echter van dien aard, dat dit moeilijk anders dan van persoonlijke geesten kan worden gezegd.
Zooals wij reeds hebben opgemerkt, worden de engelen bij getale genoemd. Zij staan voor God, zien het aangezicht van God, dragen Lazarus in den schoot van Abraham. Daaruit blijkt dus, dat wij met zoodanige wezens van doen hebben.
Verder wordt medegedeeld, dat de Wet door bestelling der engelen is ontvangen, (Hand. 7 vers 53 ; Gal. 3 vers 19), dat de uitverkorenen na de opstanding zullen zijn als de engelen (Matth. 22, 30), dat de dag des oordeels den engelen niet bekend is. (Matth. 24, 36).
Met recht besluit Calvijn uit dit alles, dat de engelen een geestelijke natuur hebben. Zij hebben een kenvermogen, en, dat zij kunnen vallen in ongehoorzaamheid, bewijst, dat zij ook zedelijke wezens zijn. De engelen bezitten dus die geestelijke gaven, waardoor zij personen zijn. Zij zijn welbewuste wezens, met verstand en wil. Zij hebben derhalve een zekere zelfstandigheid, maar zij moeten ook veel gemeen hebben met elkander. Men kan spreken van een engelennatuur. Deze is van de menschelijke natuur onderscheiden. Immers de schrijver van den Hebreënbrief zegt, dat Christus niet de natuur der engelen, maar de menschelijke natuur heeft aangenomen. (Hebr. 2 vers 16).
De uitverkorenen en de engelen worden tezamen in het Koninkrijk Gods gezet. (Hebr. 12, 22. Zij zijn dus mede aan Christus als hun Hoofd onderworpen.
In dit laatste ziet Calvijn ook de verklaring voor het Schriftuurlijk gebruik, waarbij Christus een Engel genoemd wordt, n.l. als Hij wordt aangeduid als de Middelaar.
De Engel des Heeren.
Men kan n.l. weten, dat de Heilige Schrift vaak spreekt van den Engel des Heeren. De Engel des Heeren wordt dan uitgezonderd van de andere engelen.
Wanneer dat het geval is, dat de Engel des Heeren zoo uitzonderlijk wordt genoemd, wordt daarmede op den Middelaar gewezen. Gen. 16:13, Gen. 18 en 19; 32 : 29; 48 : 15, 16. Ex. 3 : 2—6. Ex. 14 : 19 en 24. Ex. 23 : 20—23. Joz. 5 : 15—62. Richteren 6 : 11—24; 13 : 3, 9, 13, 22.
Genesis 16 is de geschiedenis van Hagar in de woestijn. De Engel des Heeren verschijnt haar (vers 7, 9, 10). Uit vers 13 blijkt, dat God zelf tot haar kwam. Hier is dus geen sprake van een engel uit de engelen, maar van een goddelijke verschijning.
Zoo ook in Genesis 18 en 19. Drie engelen verschijnen aan Abraham. Een daarvan is kennelijk de Heere. (Zie 18 : 17 en 19 : 21).
Bekend is ook de verschijning van den Engel des Heeren aan Mozes in den braambosch (Ex. 3 : 2). De Engel verklaart zichzelf de Heere te zijn. (Zie vers 6).
Verder bij den doortocht door de Roode Zee. De Engel des Heeren (ditmaal staat er de Engel Gods, zie Ex. 14 : 19, gaat voor het leger heen en beschermt zijn achter­ hoede. In vers 24 staat wederom, dat het de Heere was, die in de kolom des vuurs verscheen.
Nadrukkelijk wordt in Ex. 23 : 20—23 gezegd, dat de Naam des Heeren in het binnenste van den Engel is, d.w.z. dat Hij wezenlijk God is.
Van de genoemde plaatsen heb ik slechts enkele wat meer naar voren gehaald, omdat zij zoo heel duidelijk te kennen geven, dat de Heere Jezus Christus als Middelaar op een bijzondere wijze de Engel des Heeren wordt genoemd.
Wij worden daardoor opmerkzaam gemaakt, dat Hij zich van ouds heeft geopenbaard, aan de patriarchen bekend is geworden, en in zijn Middelaarsambt is opgetreden in de leiding van Zijn volk. Hij was het, die Israël heeft uitgeleid en het een weg ontsloot door de zee.
Zoo betoonde Hij zich ook in den ouden dag de Leidsman Zijner Kerk en het Hoofd des volks te zijn, en niet alleen van Zijn volk, maar Hij zou geen engel genoemd zijn, indien Hij ook niet tot een Hoofd der engelen ware gezet.

Geen goddelijke eer.
De menschen hebben niet nagelaten afgoderij te drijven met de engelen door hen als goden te vereeren. Daartegen dient dus ook gewaarschuwd.
Hier moet men duidelijk onderscheid maken tusschen engelen en den Engel des Heeren. In de geschiedenis van Simson b.v. bij de aanzegging Zijner geboorte (zie Richteren 13) aanvaardt de Engel goddelijke eer. De ouders van Simson brachten Hem een offer. Doch daar is het kennelijk de Heere, die hen bezocht. Hij noemt ook Zijn Naam : Wonderlijk. (Zie vers 17, 18).
De engelen nemen echter geen goddelijke eer aan, zooals men kan weten uit de Openbaring van Johannes (19 : 10 ; 22 : 8 en 9).
Indien geen onderscheid wordt gemaakt tusschen den Engel des Heeren en de engelen, zou men dus gemakkelijk kunnen dwalen.
Paulus waarschuwt tegen de engelenvereering in Col. 1 : 16, 20, uitdrukkelijk er op wijzende, dat Christus boven de engelen is verheven. Door hem wordt op de heerlijkheid van Christus als den Schepper gewezen, zonder Wien ook de engelen niet zijn kunnen en geen goeds kunnen voortbrengen. „Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen”.
Deze vermaning houdt verband met een heidensche dwaling, welke ook door den wijsgeer Philo werd bevorderd. Men hield n.l. de engelen voor een soort van goddelijke tusschenwezens tusschen God en de wereld.
In deze voorstellingen werden de êhgelen dus tot een soort middelaars gemaakt en als zoodanig vereerd. Feitelijk bracht men dezen dus een eer, die alleen aan den Christus toekomt. En daarom kan men verstaan, waarom Paulus daartegen opkomt en laat zien, dat er geen heerlijkheid of macht aan eenig wezen kan worden toegekend, die niet van Christus is, zoodat alleen Hem de eere toekomt, welke men ten onrechte aan andere wezens toeschreef.
Tegenwoordig spreken de menschen niet zooveel meer over de engelen. Onze tijd is zoozeer doorzuurd van een geest, die tot het stoffelijke en wat voor oogen is wordt bepaald, dat men het buiten rede acht ook nog aan engelen te gelooven.
Er is niet zoo groot gevaar, dat men den engelen te veel eer zal toebrengen. Veeleer doet men tekort aan de waarheid der Heilige Schrift. Noch God, noch Zijn Woord houdt men in erkentenis.
Zoo heeft het meer zin, in onze dagen tegen deze goddeloosheid en ongehoorzaamheid te waarschuwen dan tegen een valsche vereering der engelen.
Daarom echter kan er een reden te meer zijn om op de vertroosting te wijzen, die er in de leer der Heilige Schrift is voor hen, die het beginsel der gehoorzaamheid in zich gevoelen en haar waarheid omhelzen.
Inderdaad is het waarachtig geloof een zeldzaam goed en het schijnt wel, dat het volk, dat den Heere kent en belijdt, tot een klein hoopje is geworden in de tegenwoordige wereld. En hoe dolen zij vaak als in het onzekere rond, alsof niet dezelfde Heere, die altijd over Zijn kerk heeft gewaakt, nog leeft en niet sluimert.
Zou Zijn arm dan zijn verkort en zou Hij ook thans niet Zijn engelen als gedienstige geesten bevelen om Zijn volk te dienen en te beschermen in den nood der tijden ?
Dit wil niet zeggen, dat God aan den dienst der engelen is gebonden, maar de Heilige Schrift wijst ons op de zorg en waakzaamheid des Heeren, welke daarin zoo bij uitstek blijkt, dat Hij de engelen beveelt om de Zijnen te dienen.
Mag dat ons niet verleiden om de hulp van engelen in te roepen of aan die hemelsche wezens goddelijke eer te brengen, de zorg, welke de Heere voor Zijn kerk draagt, behoort ons uit te drijven om met vrijmoedigheid den troon der genade aan te loopen en al onze nooden en zorgen voor Hem uit te storten.

De duivelen.
Sommige engelen zijn in de waarheid staande gebleven en andere zijn in zonde gevallen, rebelleerende tegen hun Maker.
De verhoudingen zijn omgekeerd. Gelijk de engelen dienende geesten zijn ten goede en tot bescherming, zijn de booze engelen bedacht op het kwade en onzen ondergang.
Daarom zegt Calvijn : bijna alles wat de Heilige Schrift omtrent de duivelen leert,
heeft de strekking om ons te vermanen tot voorzichtigheid en waakzaamheid.
De duivelen zijn sterke en gevaarlijke vijanden en wij hebben sterke wapens noodig om hen te weerstaan.
Dat kan men reeds weten uit de namen, waarmede de duivel wordt aangeduid. Satan wordt genoemd een Overste der wereld, een sterk gewapende, een geest, die machtig is in de lucht, een brieschende leeuw. (1 Petrus 5:8; Efeze 6 : 12).
Omdat de duivelen geestelijke wezens zijn, voeren zij hun strijd op een geestelijke wijze. Zij zijn daarbij zeer listig en sluw en weten de zwakke plek bij den mensch te vinden.
Daarom kunnen zij ook slechts met geestelijke wapenen worden bestreden. Tegen aardsche vijanden, rusten wij ons uit met ijzer en staal, maar tegen de duivelen is slechts de geestelijke wapenrusting bestemd, welke door Paulus in het genoemde hoofdstuk (Efeze 6) wordt beschreven.
Calvijn merkt daarbij op, dat de strijd tegen den duivel met den dood geen einde neemt. Hij bedoelt dit natuurlijk in het algemeen en wil daarmede te sterker aandringen om van den Heere hulp te verwachten, die den duivel en den dood heeft overwonnen.
Nog meerdere argumenten brengt hij ons om den gevaarvollen staat, waarin wij verkeeren, te schetsen. Daar zijn maar niet één of twee vijanden, maar wij worden bestreden door heirlegers van booze machten.
Hij verstaat uit hetgeen omtrent Maria Magdalena wordt medegedeeld, dat de duivel de gewoonte heeft om, als hij wordt uitgedreven, weder te keeren met zeven geesten, die boozer zijn dan hij. (Marcus 16 : 9; Matth. 12 : 45). Voorts wijst hij op den bezetene van Gadera, die door een legioen van duivelen was bezeten. (Lukas 8 : 30).
Toch spreekt de Heilige Schrift veelal van den duivel als van één boozen geest. Calvijn houdt het er voor, dat men dit niet zoó moet nemen, alsof er maar één booze geest zou zijn. Dat is trouwens in verband met de aangeroerde plaatsen duidelijk. Hij ziet de gansche vergadering der duivelen als een rijk onder één hoofd, gelijk daar staat geschreven van den duivel en zijn engelen. (Matth. 25 : 41).
Zoo ziet hij een krijg van dit rijk der ongerechtigheid tegen God. Immers noemt Christus den Satan een moordenaar van den beginne en een vader der leugen. Hij tracht het licht te verduisteren, de waarheid te verleugenen, zaait twist en oneenigheid, blaast vijandschap en bestookt het Koninkrijk Gods om de menschen in het verderf te storten.
Velen zal dit beeld niet wel bekoren. Zij vinden het wellicht al te gewoon en plastisch. En toch heeft Calvijn gelijk. Het is ook volkomen schriftuurlijk en Gods kind ervaart, dat het zoo is. Maar bovendien, welk een aanblik biedt de tegenwoordige wereld ? Zij gelijkt een tooneel, waarop de machten der duisternis hoogtij vieren.
Een wereld van wantrouwen, leugenachtigheid, losbandigheid, zwanger van opstand en revolutie, verdwazing, haat, nijd, ellende en alle ongerechtigheid welke als de vrucht van de werken des vleesches worden genoemd.
Een wereld van angst en vrees vervuld en vol ontzetting, dreigende met oorlog en ruw geweld.
Hoe zijn ook de tenten des vredes verstoord. Want ook onder degenen die den Naam des Heeren noemen, heerscht een geest der boosheid, een geest van zelfzucht en wereldsche gezindheid, een geest van twisting en krakeel, vervreemd van de liefde van Christus,
De duivel zondigt van den beginne. (1 Joh. 3 : 8). Uit dit woord van Johannes verklaart Calvijn, dat de duivel een opperste werkmeester der ongerechtigheid is.
Hoe zou hij dan de hand niet hebben in de ongerechtigheid van deze wereld, en hoe zou een mensch hem wederstaan, zoo er niemand ware, die machtiger is dan hij?
Daarom moeten wij bedenken, dat de duivel een geschapen-wezen is en het leven niet in zichzelf heeft. God is een God ook van den duivel. De duivel weet dat ook en siddert.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's