FINANCIËN
Bij den Profeet lezen wij deze woorden : „Ik heb de pers alleen getreden, en daar was niemand met Mij". Hierbij werden onze gedachten stil gezet. Het werk, op de hand gezet van den Middelaar Gods, deed en doet Hij alleen. Niemand kan Hem en behoeft Hem daarbij hulp te biên. Hij doet Zijn werk alleen. Als de Christus Gods in den hof Gethsemané ingaat, is niemand bij Hem. Immers laat Hij de jongeren bij den ingang achter, en die Hem nog een wijle mogen vergezellen, zien zich een gebiedend halt toegeroepen tot op een steenworp afstand. Hij treedt alleen naar voren.
Zoo is het overal, waar gij het bloedig spoor van den lijdenden Borg ook moogt volgen. Of de jongeren dit ook dadelijk hebben begrepen, behoeft geen nader betoog. Niemand van hen. Let maar eens op wat de jongeren doen als de hand aan Hem wordt geslagen.
Petrus grijpt naar het zwaard. Hij wil met al zijn kracht bijstand bieden. Hij wil zich geven, geheel. Welke gevolgen dit zou hebben meegebracht, bevroedt hij niet. Neen, Christus kan door geen menschenhand worden vrij gemaakt. Wanneer de banden Hem worden aangelegd en Hij gevankelijk wordt weggevoerd, zoo verlaten zij Hem allen. Is het u een wonder, dat Petrus Hem straks toch nog zoekt te volgen tot vlak bij de Raadszaal ? Wat hier plaats heeft, is al te zeer bekend. Niettemin de waarschuwing, dat aleer de haan gekraaid zou hebben. Petrus bij herhaling zou hebben geloochend dat er tusschen hen eenigerlei band zou bestaan.
Gewoonlijik denken wij hierbij meer aan Petrus dan aan den Heere. Toch is dit laatste niet zonder beteekenis. Ook hier staat de Heere echt alleen. Maar waartoe toch nog één woord hieraan toegevoegd. Op heel den lijdensweg vindt ge den Borg alleen. Hij volbrengt ook alles alleen.
Schuilt hier geen machtige troost ? Zijn werk is een goddelijk volmaakt werk.
Zoo kunt ge 't dan ook verstaan, dat juist de zoodanigen zich tot Hem gevoelen aangetrokken, die niets meer vermogen, die echt een volkomen Zaligmaker begeeren. Zij hebben niets aan te bieden. Zij kunnen niet anders zeggen dan : „ik heb niets, en ik kan ook niets U overreiken”.
Voor wie een vreemdeling is op dezen weg, mag het meer dan eens den schijn hebben, dat de vijandige machten met Hem deden naar willekeur ; toch is dit in geenen deele waar. 't Goddelijk plan wordt op een waarlijk grootsche wijze tot uitvoering gebracht.
De vijand mag in arrenmoede Hem zoeken te krenken op het allerdiepst, als Hij tegelijk naast Zijn kruis nog een tweetal andere plant. Godes bedoelingen 'komen alzoo precies tot haar recht. Leest maar eens na wat de Profeet had gesproken : „Hij is met de misdadigers gerekend". Zou dit niet de goddelijke opzet zijn geweest om alzoo dien moordenaar rechts den Heere toe te voegen als de eersteling, nadat Hij Zich als het offer Gode had overgegeven.
Alles is Hem onderworpen. Vriend en vijand werken, zonder het te weten, uit, wat Hij te doen heeft. Niets staat Hem in den weg.
Wat op het moment van het gebeuren in ieders oog een raadsel scheen, bleef van achteren zoo van Gods hand te zijn besteld. Wonderlijk, dit op te merken. Zoo bezien, wordt het hart van die waarlijk God vreezen, stil en zij geven het alles in Zijn hand, zeggende : „Gij zijt een waarmaker van Uw Woord". „Gij hebt niemands hulp noodig en geen macht ter wereld houdt Uw Rijk tegen”.
Deze waarheid hebben wij zoo noodig in onze dagen. Daar is zoo onnoemelijk veel dat ons hart met vreeze vervult, doch wetende, dat God de Heere regeert, buigen wij ootmoedig het hoofd, in vertrouwen, dat Hij zorg draagt voor het Zijne. Hij heeft niemands hulp noodig en geen vijand doet in waarheid aan Zijn Rijk afbreuk. Dit maakt het harte stil :
De Heer is zoo getrouw als sterk, Hij zal Zijn werk Voor mij volenden.
Volge de bede : Verlaat niet wat Uw hand begon, O, Levensbron, Wil bijstand zenden.
Leggen wij zoo ons overzicht over deze dagen u voor.
1. Van onderscheidene collega's ontving ik giften, door hen ontvangen voor onze fondsen. Ds. de Bruin van Rotterdam was de eerste : van de fam. S. had hij voor het Studiefonds gekregen ƒ 1.—
2. De tweede post kwam uit dezelfde omgeving, n.l. ds. Pott van Kralingen had van N. N. ook ƒ1.— ontvangen voor den Geref. Bond „ 1.—
3. Van de derde gift geldt nog eens dezelfde opmerking. Ds. Koolhaas, tot voor heel kort nog in Charlois, had van mej. B. uit Smitshoek voor onze fondsen ontvangen „ 1.—
Aan alle drie collega's betuig ik mijn vriendelijken dank voor de door hen bewezen diensten, terwijl ik de onderscheidene vrienden, die onzen arbeid op deze wijze steun bieden, hartelijk dank.
4. De Penningmeester van de Afd. Zeist zond mij de collecte, aldaar gehouden bij de spreekbeurt, waarin ds. Mulder van Veenendaal voorging. Hierbij had hij nog gevoegd ƒ 1.50 als nagekomen contributie.
Tezamen ontving ik „20.07 'k Zeg de Zeister vrienden voor dit blijk van medeleven vriendelijk dank, evenals den spreker van dien avond.
5. Hierop volgde eene zending uit de Residentie. De Penningmeester van de Afd. aldaar zond mij de collecte, aldaar gehouden bij een spreekbeurt, waarbij ds. Timmer van Ermelo voorging.
Deze bracht op „31.80 Mogen wij ook hiervoor onze erkentelijkheid betuigen.
6. Door collega Westra Hoekzema van Scherpenzeel werd op de giro geplaatst ƒ 2.50 als aldaar gecollecteerd voor onze fondsen „ 2.50
'k Zeg den onbekenden gever zeer vriendelijk dank.
7. Een tweetal collega's zonden mij uit hun catechisatiebus bijdragen voor onze fondsen, n.l. Ds. Poot van Bunschoten „ 3.—
8. En ds. Vollebregt uit Oude Tonge deed zulks met de catechisatiebus van Nieuwe Tonge, waar hij een tijd lang in de vacature het consulentschap had waargenomen.
Deze bedroeg niet minder dan „20.— Voor beide zendingen betuig ik mijn warmen dank.
9. De naam van ds. Pott te Kralingen komt in mijn lijstje nóg een keer voor. Hij zond mij toe, in opdracht van de Meisjesver. „Niet in eigen kracht" een gift van , „ 3.— Hij zal in naam van ons de genoemde Vereeniging wel onze erkentelijkheid willen betuigen voor dit blijk van medeleven.
10. 't Is niet voor de eerste keer, dat een onbekende vriend in de brievenbus van ds. Vreugdenhil te Gorinchem een gift liet glijden voor onzen Bond. Ditmaal was het een rijksdaalder „ 2.50 Wij willen niet achterblijven onzen warmen dank hiervoor te betuigen.
11. Door ds. Bartlema te Zeist mocht ik ontvangen een bankbiljet van 10 gld., aldaar gecollecteerd op 2 Febr. j.l. voor het Studiefonds „ 10.— 'k Zeg beiden, gever èn zender, zeer vriendelijk dank.
12. Het sluitstuk komt uit Aalsmeer. Mej. Alie Piet was zoo goed, gelijk zij ook reeds een keer eerder had gedaan, toen zij ook in Utrecht gelogeerd was, mij persoonlijk de inhoud van haar busje te overhandigen. Het was voor mij een ware verrassing. Als ik u zeg, dat dit busje niet minder dan 38 gld. had opgebracht, zoo zal niemand mij kunnen bestrijden dat het spreekwoord waarheid bevat : „vele kleintjes maken één groote" „38.—
Een woord, dat van groote dankbaarheid getuigt, is hier zeker op z'n plaats. Wij zeggen niet alleen wie hierin hun gaven verstrekten, dank, doch inzonderheid haar, die de zorg voor de geregelde gang van zaken voor haar rekening wilde nemen.
Tezamen geteld, komen wij tot een eindsom van
f 133.87
Mogen wij onze belangen, inzonderheid in de komende dagen, bij al onze vrienden zeer krachtig aanbevelen ?
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's