De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

PHILIPS VAN MARNIX HEER VAN ST. ALDEGONDE.

5 minuten leestijd

II.
Na in vogelvlucht Marnix' levensloop te hebben geschetst, willen wij thans een aanvang maken met het bespreken van enkele momenten en werkzaamheden uit zijn leven.
Vooral zijn geschriften hebben voor ons de grootste waarde. En wel om twee redenen. In de eerste plaats geven zij ons een uitstekenden kijk op den schrijver zelf, zoodat in dit verband terecht gezegd is : „'s Mans eigen tafereel heeft ons zijn ziel geschetst". Doch vervolgens zijn Marnix' publicaties van beteekenis voor het kennen van zijn tijd. Omdat Marnix wars van geleerden omhaal was, zijn z'n geschriften ter zake en actueel, twee deugden, die het werk eens schrijvers aantrekkelijk maken : voor tijdgenoot en nageslacht beide. Waarbij nog komt, dat Marnix beschikte over een welversneden pen, die dan ook door erkende prozaïsten hoogelijk is geprezen. Twintig jaar na Marnix' dood heeft Heinsius hem aldus getypeerd : „Hij had, behalve eene nauwkeurige kennis van alle talen en eene onmetelijke geleerdheid, eene wonderlijke helderheid in het schrijven, eene bijzondere gevatheid in het wederleggen van zijne tegenstanders en eene gansch buitengewone scherpzinnigheid”.

Marnix over den beeldenstorm.
Toen Philips II, Koning van Spanje, tot steeds krasser maatregelen overging om de „pest der Hervorming" uit te roeien, en op deze wijze zijn heerschappij wilde uitbreiden, kon het niet anders, of de reactie, die deze poging in het hart der Gereformeerden veroorzaken moest', zou geweldig zijn. Weldra werd 't verzet algemeen. Aanvankelijk kwam het uit de hoogere kringen. Adel en Edelen spanden namelijk saam om de „inquisitie" te bestrijden ; doch het duurde niet lang of ook de lagere standen sloten zich bij de oppositie aan, zoodat het verzet een ware volksbeweging begon te worden.
Het kwam tot den beruchten beeldenstorm. Moeilijk valt uit te maken, wie nu eigenlijk de beeldenstormers geweest zijn. Veelal wordt aangenomen, dat hun aantal gering was, terwijl Fruin hen grootendeels rekent tot de „bijioopers der Kalvinisten". Hoe het zij — Marnix heeft het vernielen der beelden in de kerk verdedigd, al heeft hij er niet toe aangezet, gelijk men weleens heeft beweerd.
Er verscheen spoedig na de beeldstormerij een pamflet, dat de beelden in bescherming nam en zich scherp over het gebeurde uitliet. Schriftuurlijke argumenten werden bij­ gebracht, om het hebben van beelden te verdedigen. Het waren echter niet meer dan „argumenten”.
Bedoeld geschriftje gaf Marnix aanleiding tot het geven van een bestrijding, die tot titel droeg : „Van de Beelden afgheworpen in de Nederlanden in Augusto 1566 ".
Niet moeilijk viel het Marnix, om aan te toonen, dat de Bijbel geen beelden verdraagt. De cardinale kwestie liep echter over de vraag, wie de bevoegdheid heeft, beelden te vernietigen : het volk of de Overheid. Is de beeldenstorm te waardeeren als opstand en oproer ? En heeft het volk inbreuk gemaakt op de bevoegdheid der regeering ? Om deze vragen ging het bij velen.
In zijn betoog wijst Marnix er echter op, dat men niet moet blijven staan bij een uitwendige beoordeeling van de daad. Doet men dat, — zoo redeneert Marnix — dan staat de Overheid evenzeer schuldig, aangezien zij geen enkelen tegenmaatregel heeft genomen, doch alles lijdelijk toegezien heeft. Daarom wil Marnix het gebeurde beschouwen als een gericht Gods over de afgoderij, waarin men al veel te lang had geleefd. Volgens Marnix was de beeldstormerij geen zaak van redelijk overleg, maar de werking van een buitengewone kracht Gods, waaraan de menschen geen weerstand konden bieden. De religieuze omwenteling dier dagen bracht, aldus Marnix, noodwendig dergelijke gebeurtenissen mee.
Wellicht hebben vele lezers de kwestie van dezen kant nimmer bezien. Al is er in het optreden der beeldstorm er s iets, dat ons tegen de borst stuit, — de visie van Marnix heeft recht op overweging, omdat zij niet uit oppervlakkige of onwaarachtige motieven kan zijn opgekomen. Nimmer oordeele men over een daad, die eeuwen achter ons ligt, te lichtvaardig ! Naarmate wij een beter inzicht hebben in de factoren, die tot een of andere daad hebben geleid, naar die mate zullen we er ons voor wachten, terstond met onze veroordeeling gereed te staan. Rustige en objectieve bestudeering is noodig, wil men kunnen komen tot een juiste waardeering van historische feiten.
Dat Marnix voor excessen niet blind geweest is, bewijst deze uitspraak van hem : „Indien datter andere gheweest zijn, die haer eyghen selfs daerin ghesocht hebben, die mach Godt den Heere oordeelen".

Marnix en de vluchtelingen-gemeente te Londen.
Gelijk wij in onze artikelen reeds meermalen gezien hebben, namen velen, die om des geloofs wil hier te lande niet veilig meer verblijven konden, de wijk naar het buitenland. Zoo vertoefden er ook verscheidene Nederlandsche vluchtelingen te Londen.
Men zou verwachten, dat zij, die door de vervolgingen opgejaagd en op één hoop gedreven waren, elkander zouden zoeken in eenigheid des geloofs. Dit liet echter niet zelden veel te wenschen over ! Ook te Londen ; zoodat ook Marnix met droefheid de twist en scheuring vernam, die daar „uyt seer cleyne lichte ende byna lachelioke oirsake" ontstaan waren.
Marnix, die den strijd in der minne bijgelegd wenschte te zien, zond, in verband met de gerezen geschilpunten, aan een vriend te Londen een „Advys", waardoor hij den vrede in de gemeente hoopte te bevorderen. Hij smaakte de voldoening, dat zijn schrijven ,, Met goeder herten" opgenomen werd.
Vervolgens heeft de voorbereiding van de ééne Nederlandsche Hervormde Kerk Marnix' aandacht gehad. Nauwe aaneensluiting van alle gemeenten-in-de-verstrooiïng achtte hij dringend noodzakelijk. Behalve dat de weg werd gebaand tot het houden van provinciale en nationale synoden, zou men, bij grooter eenheid, beter in elkanders stoffelijke en geestelijke nooden kunnen voorzien.
Na enkele kleinere samenkomsten kwam het, dank zij het initiatief van Marnix, tot de Synode van Emden (1571). Ondanks het feit, dat Nederland tegen deze vergadering afwijzend stond en haar zelfs heeft willen verijdelen (de redenen zijn niet met zekerheid uit te maken), is Marnix' pogen dus met een gunstigen uitslag .bekroond.
D.

d. Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's