MEDITATIE
„Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven". Matth. 12 vers 28.
Er is, geachte lezers, in ons tekstwoord sprake van menschen, die vermoeid en belast zijn. En, deze vermoeiden en belasten noodigt de Heere Jezus Christus uit, om tot Hem te komen.
Nu spreken deze twee woorden, vermoeid en belast, reeds voor zichzelf. Wanneer ge b.v. een geheelen dag zwaren arbeid verricht hebt, hetzij lichamelijken arbeid, hetzij geestelijken arbeid, dan kunt gij u aan het einde van dien dag veranderd gevoelen. Ge zijt dan door die arbeid, die gij verrichttet, vermoeid geworden.
Maar nu kan 't ook zijn, dat uw beroep met zich medebrengt dat ge den ganschen dag zware vrachten moet dragen. Welnu, dan zijt ge dus, door de lasten, die gij draagt, vermoeid geworden.
In ons tekstwoord is sprake van de zoodanigen. Hier is sprake van menschen, die lasten dragen en die, door het dragen van die last, vermoeid zijn geworden. Zoodat dus terstond de vraag bij ons opkomt: Maar van welken last spreekt de Heere Jezus Christus hier dan?
Wanneer ge nu geregeld in de Schrift leest en met name wanneer ge geregeld in het Nieuwe Testament leest, dan zult ge het wel opgemerkt hebben, dat de tijdgenooten van den Heere Jezus Christus meer dan één last droegen.
Zij droegen allen eerst de last van de ceremonieele wet. Zij moesten al die schaduwachtige inzettingen nakomen, die pas hare vervulling vonden in het volbrachte werk van den Heere Jezus Christus. En, dat dit onderhouden van de Wet der ceremoniën voor de godvreezenden werkelijk een last was, dat blijkt wel uit de woorden van den apostel Petrus, van wien Hand. 15 vers 10 deze uitspraak bewaart : Maar wat verzoekt gij God, om een juk op de hals der discipelen te leggen, hetwelk noch wij, noch onze vaders hebben kunnen dragen.
Doch de Evangeliën weten nog van een anderen last, die de tijdgenooten van den Heere Jezus Christus droegen.
De geestelijke leidslieden toch van het volk Israël badden dit volk belast met allerlei geboden en verboden, met allerlei lasten, zwaar om te dragen. Zoo gaat het altijd in een tijd van geestelijk verval. Er ontstaat dan een leegte, die men in een weg van eigenwillige religie tracht te vervullen. Dan gaat het woord gelden : Te vergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn. En van deze geestelijke leidslieden van het volk Israël sprak de Heere Jezus Christus eens: Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der menschen.
Maar, al is het dan ook, dat we deze lasten zeer zeker onder de uitspraak van onzen tekst mogen betrekken, omdat de Heere de Zijnen ook van deze last bevrijd heeft, toch is dit niet de last, waarop hier gedoeld wordt. Neen, Gods Woord weet nog van een anderen last. En, om die andere last, om die last der zonde te dragen, kwam de Heere Jezus op aarde. Want Hij is het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt.
Nu is het in het natuurlijke leven zoo, dat niet ieder, die een last draagt, daarvan ook vermoeid is. Wanneer gij b.v. een vracht moet dragen die niet zwaar is, en ge moet dat maar over een korten afstand doen, och, dan zal dat dragen van die last u niet vermoeien. Welnu, in het geestelijke is het niet anders.
Want al zijn dan alle menschen dragers van een ontzettende last; al zijn alle menschen in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren ; al liggen alle menschen onder de last van de vloek der wet, maar daarom zijn ze zich van het dragen van die last nog niet bewust. Och, neen, was het maar zoo!
Maar de mensch weet het uit en van zichzelf niet, dat hij die last draagt. Want hij voelt die last niet. En omdat hij met zijn last niet bekend is, daarom is hij niet belast en daarom is hij niet vermoeid. Daarom heeft hij Hem niet noodig, die in de wereld kwam om vermoeiden en belasten van hun last en van hun vermoeidheid te ontheffen.
En toch, op het kennen van deze last komt het aan. Zult ge waarlijk deelen in die ruste, die de Heere Jezus Christus aan de Zijnen schenken zal, dan zult ge een vermoeide en belaste moeten zijn of moeten worden.
Neen, eigen gij u maar niets toe, wat u niet toegezegd wordt, het gaat hier over vermoeiden en belasten. Wat zijn dat nu voor menschen, vermoeiden en belasten ? Wat dat voor menschen zijn ? Dat zijn menschen, die meer hebben dan een algemeene overtuiging van een zondaar te zijn.
Want, och, een mensch bedriegt zich hier zoo licht. Ons hart is zoo arglistig. We eigenen ons zoo spoedig allerlei beloften toe, zonder dat er eenige grond voor is. Want het is zoo gemakkelijk om het zoo, in het algemeen, uit te spreken, dat alle menschen zondaren zijn, en dus de spreker ook, en verder, dat de Heere Jezus in de wereld kwam, om zondaren zalig te maken, maar het is maar de vraag of die belijdenis al eens waarheid werd.
En dat is het geval, als ge niet vreemd zijt aan het werk des Geestes. Als de Geest des Heeren u krachtdadig en onwederstandelijk bearbeid heeft, zoodat ge van den Heere tot een zondaar gemaakt zijt. Want zondaren worden er niet geboren, evenmin als vermoeiden en belasten; neen, het is God de Heilige Geest, die naar het vrijmachtig welbehagen des Heeren menschenkinderen tot zondaren, menschenkinderen tot vermoeiden en belasten maakt.
Maar, als ge dan die bearbeiding des Geestes kent, dan hebt ge ook meer dan een algemeene overtuiging. Dan spreekt ge niet meer van de zonde in het algemeen, maar het werd bij u een persoonlijke zaak. Mijn zonde zegt de dichter, maakt mij het voorwerp van uw toorn. En dan is hier maar niet een zich even onbehaaglijk gevoelen ; zoon vluchtige aandoening dus, die als een morgennevel welhaast voorbij gaat; neen, zegt David : „Ik ken mijne Overtredingen en mijne zonde is steeds voor mij”.
O, als ge waarlijk tot een lastdrager werdt; als ge waarlijk last kreegt van uw Zonde, neen, dan voelt ge u niet welgesteld, dan kunt ge het daaronder niet uithouden, Maar dan valt ge het woord van den dichter bij: zulk een last van zond' en plagen niet te dragen, drukt zijn schouders naar beneên.
Welnu, aan zulke vermoeiden en belasten wordt in ons tekstwoord een rijke troost geboden. Want ze mogen tot den Heere Jezus Christus gaan, die hen van hun last ontheffen zal. Neen, ik mag het nog anders zeggen, ze mogen niet alleen tot den Heere Jezus gaan, maar ze zullen ook tot den Heere gaan. Want, de Heere brengt Zijn volk niet in de benauwdheid om het daar te laten omkomen.
Integendeel. Maar opdat er plaats kome voor het werk van den Heere Jezus Christus. Gods Geest is het, die een menschenkind zijne ellende leert, maar Gods Geest is het ook, die hem leidt tot den Heere Jezus Christus en hem bewust doet worden van zijn aandeel aan Christus. Hier geldt het Woord van den Apostel: want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.
We spraken tot dusver over vermoeiden en belasten. Nu tenslotte nog over de rust, die de Heere aan dezulken toe zegt.
We hebben het zooeven gezegd, dat dit belast zijn de oorzaak was van het vermoeid zijn. Welnu, de rust die de Heere aan de Zijnen schenkt bestaat allereerst daarin, dat de Heere de oorzaak van die vermoeidheid wegneemt of wilt ge, dat Hij den zondaar van de last der zonde ontheft. Dat is de rechtvaardigmaking. Daarvan zingt den dichter : Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, die van de straf voor eeuwig is ontheven.
Maar, als ge in het natuurlijke uw last kwijt zijt; daarmede is uw vermoeidheid nog niet weg. Neen, die duurt vaak nog wel even voort.
Welnu, in het geestelijke is het niet anders. Ook het wegnemen van die vermoeidheid behoort tot de rust, die de Heere aan de Zijnen schenkt. En dat geschiedt, als ge u bewust wordt van de vergeving uwer zonden. Als de Heere u gevoelig, vertroostend geeft te verstaan, dat uwe zonden u vergeven zijn. Als de Heere tot uw ziel van blijden troost en vrede spreekt. O, dan kunt ge er niet van zwijgen, maar dan moet ge getuigen: mijne ziel is zeer vroolijk in den Heere. Want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils ; de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan.
Doch vergeet het nooit: De Heere blijf u vrij. De een zal meer gevoelig aangedaan worden dan de ander. Ook duren die gevoelige aandoeningen niet bij allen, die den Heere vreezen, even lang. En ook komt God niet op uw tijd, maar op Zijn tijd.
Welnu dan, heilzoekende ziel, wentel dan ook met deze dingen uwen weg op den Heere, verbeid Zijn komst in het geloof, laat het den Heere maar zien, dat het u ernst is in uw zoeken en dat het u om Hem te doen is. O, als gij zoo den Heere uw gedaante moogt toonen ; als gij zoo den Heere uwe stemme moogt laten hooren,
weet het dan, dat gij geen gesloten deur zult vinden. Maar de Heere zal ook u Zijn heillicht doen dagen en aan u Zijne beloften vervullen : zoo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, en straks zult gij op volmaakte wijze die rust genieten, die de Heere aan Zijn volk schenkt en zal het lied van den dichter vervuld worden:
Zoo zal de heerlijkheid der vromen Op het luisterrijkst te voorschijn komen; Zoo schenkt Gods goedheid hun begeeren; Lof zij den Heer der Heeren.
(Psalm 149 vers 5.)
Jaarsveld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's