De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

24 minuten leestijd

KERKELIJKE TOESTANDEN IN DUITSCHLAND.
’t Is niet gemakkelijk om er achter te komen hoe het in Duitschland nu eigenlijk kerkelijk gesteld is. Het eene bericht zegt dat de belangstelling voor de prediking in deze tijden (we blijven bij de Prot. Kerken) bijzonder groot is. Anderen geven echter weer een geheel tegenovergestelde voorstelling. Dezer dagen lazen we in „Zaansche Brieven", door ds. P. van Dijk, Geref. pred. te Zaandam, geschreven in „Noord-Holl. Kerkblad", het volgende:
„Amice,
Ik wil je graag iets vertellen van den Zondag, dien ik op de terugreis in een niet zoo'n kleine stad in Duitschland doorgebracht heb.
Hoewel 't allesbehalve mooi weer was, werd ik al vroeg gewekt door scharen jongelui, die er op uittrekken met luid gezang, waarvan ik de inhoud niet verstond, doch waarvan ik de vlotte wijs bewonderde. Ik had in een krant den vorigen avond naar de kerkdiensten gezocht en het lijstje uitgeknipt. Ergens in de stad zou in een Evang. Kerk een professor optreden, wiens naam mij uit zijn geschriften niet geheel onbekend was ; en ik besloot daar heen te gaan. In de krant stond wel de naam van de kerk „Christuskirche", maar de straat was niet aangegeven. Ik ging vroeg op pad en stevende op een schupo af, een keurig gekleeden politieagent. Op mijn vraag waar de „Christuskirche" was, antwoordde de man : U loopt die straat af tot no. 246 en slaat dan de eerste straat rechts in.
Met diep respect voor de kennis van den man, die wist bij welk nummer van de huizen een zijstraat begint, loop ik de Hoofdstraat langs en kom bij no. 246 : een groote bioscoop ! Toen vond ik het een tikje verdacht, als je zoo precies weet, waar de bioscoop staat.
Enfin, ik ga naar de kerk, maar zekerheidshalve vraag ik aan een paar menschen, die de zijstraat inslaan : Is dit de Christuskirche ? Het bleek niet juist te zijn. Het was een R.K. kerk, waar een stroom volks naar toe ging. Ik bad nog juist tijd om naar een andere kerk te gaan, die den mooien naam Bekenntnisskirche, d.i. Belijdeniskerk, droeg, en waar ik iets goeds hoopte te hooren.
Maar och, wat viel het me tegen, toen ik daar binnen was. Een schat van een Kerk was het, ouderwetsch deftig en stemmig en heerlijk van stijl ; maar haast geen menschen. Er konden er toch zeker 600 in, en er waren er geen 60. Jonge menschen zag je bijna in het geheel niet. En de mannen waren in vergelijk met de vrouwen zeldzaam.
’s Avonds trof ik het nog minder. In de eenige kerk waar dienst was, kwam ik om kwart voor 6 aan, een kwartier voor den tijd. Er stonden toen 2 vrouwen met een meisje, die weldra weer verdwenen. Ik ging in afwachting maar zitten, moederziel alleen, twijfelende of er wel dienst was ; keek de kerk eens rond, het was een andere dan 's morgens, een heel oude, waar misschien onze Hervormers nog wel in gepreekt konden hebben.
Eindelijk wordt de stilte verstoord door den koster, die langs komt en me vriendelijk toeknikt.
Een jonge man treedt binnen met een actetasch dat kon de dominee wel zijn. Dat was ook zoo. De kerkklok gaat luiden ; en allengs komen er wat ik keek eens achter me en telde ze voor me Toen de jonge dominee begon waren er 36 hoorders. Des morgens was de preek wel beter dan die van is avonds, maar diepte zat er in geen van beide. Over zonde en genade werd weinig gehoord. Vooral des avonds was het een zeer lichte spijs, die geboden werd. De tekst was uit Ps. 19, van de zon, die uitgaat uit haar slaapkamer We kregen een beschrijving van de heerlijkheid en het nut van de zon, en de opwekking om in de natuur Gods grootheid te leeren zien. De „moderne Forschung" had ons zoo veel meer van de zonne-invloeden leeren kennen dan David er van wist enz.
Van des Heeren wet, die het hart bekeert en volmaakter glans verspreidt, kregen we niets 'te hoeren. Om 6 uur begonnen, stonden we om kwart voor 7 weer op straat. „Het is de moeite niet, — zeiden mijn Zeeuwsche boeren als ik wat kort gepreekt had — dat je je er voor aankleedt."
Je kunt het misschien verkeerd van mij vinden, maar ik ben 's avonds om acht uur naar een lokaal gegaan, waar we Sankeyliederen gezongen hebben, en waar de voorganger sprak van zonde en genade en van de verlossing die er is in het Bloed dés Kruises.
Ik heb — zoo vervolgt ds. van Dijk — al weer gevoeld op dien Zondag, wat een zegen wij in ons Vaderland nog genieten, dat er in onze kerken nog een schare volks opkomt, die week aan week begeerig is naar de aloude tijding van Gods Zoon, die in de wereld kwam om verloren zondaren te redden.
Ik heb ook begrepen hoe het komt, dat men de menschen kwijt raakt.
De rust en de troost van de verzoening krijg je toch niet bij een prachtige beschrijving, en een verheerlijking van de Forschung van den mensch.

Het Vrijzinnig Protestantisme en het Positief Christelijk geloof.
Van Vrijz. Protestantsche zijde in ons Vaderland — aldus prof. Haitjema in N. Theol. Studiën, Maart '38 — is in de laatste jaren telkens beproefd het positief-christelijke van de Vrijz. geloofsbeschouwingen onder woorden te brengen. Het is voor een deel verkennend werk geweest : eens ernstig na te gaan, hoever men met zijn geloofsopvattingen in traditioneel-christelijke richting kon gaan, zonder de geloofsgemeenschap met de andere mede-vrijzinnigen te behoeven prijs te geven. Het was tegelijk een ernstig pogen, om zich rekenschap te geven van in hoeverre men bij het klassiek-kerkelijke credo zich aansluiten kon. Principieele en diep ingrijpende afwijkingen van de klassiek-kerkelijke geloofsbelijdenis werden daarbij niet verdoezeld ; integendeel, dikwijls werd heel bepaald front gemaakt tegenover de orthodoxie van het klassiek-kerkelijke credo. Aan de orthodoxie wordt dan verweten een onverantwoordelijk vasthouden aan leervoorstellingen en z.gjn. heilsfeiten, die met een voorbijgegane cultuurperiode onherroepelijk moesten hebben afgedaan.
Het tweedeelig werk van prof. Heering : Geloof en Openbaring, draagt — aldus prof. Haitjema — wat dit betreft een geheel ander karakter. Met grooten nadruk wil het richtlijnen voor een dogmatiek geven , , op den grondslag van Evangelie en Reformatie". De positieve aanknooping bij het klassiek-kerkelijke is hier zéér bewust uitgangspunt. En de schrijver schroomt ook niet, om van daaruit het Vrijz. Protestantisme somwijlen te striemen, waar het zooveel ontkent, dat niet meer ontkend mag worden. Prof. Heering heeft bovendien de bedoeling, blijkens het inleidend woord bij het 2de deel (blz. 8), het gesprek tusschen „rechtzinnig" en „vrijzinnig", dat „geruimen tijd gezwegen heeft, maar nu gelukkig weer op gang gekomen is", te mogen dienen. De „sectarische" houding van vele Vrijzinnig-Protestanten is bij hem niet ; bij hem is „de openheid voor een echt-oecumenische, klassiek-christelijke katholiciteit". Allemaal factoren, die kunnen doen verwachten, dat het rijke en uit de bronnen overvloedig toegelichte boek van prof. Heering ons een specimen zal geven van rechts-moderne theologie, die tot de klassiek-christelijke zoo dicht mogelijk nadert.
Het eerste deel : „Kritische beschouwing over Dogmatiek en Moderne Theologie" (1935) beëindigde dan ook de bespreking van^ de moderne Vaderen en de Vrijz. tijdgenooten met een positief-opbouwende kritiek op prof. Roessingh, die wel geworsteld had om de verzoening tusschen moderne wijsbegeerte en intellectueele cultuur eenerzijds, en de centrale waarheden van 't Christendom anderzijds, maar was blijven steken. Roessingh is gebleven in 't wijsgeerige voorportaal der theologie en heeft het centrale gebied der theologie (om allerlei oorzaken) nog weinig betreden en daardoor aan de dogmatiek (hij wilde geloof en theologie scheiden) niet die aandacht kunnen schenken, die haar, naar zijn eigen oordeel, toekwam. Hij heeft noch het wezen van het geloof, noch dat der openbaring onderzocht en daardoor evenmin deze begrippen met elkander in verbinding gebracht. Hij hield te weinig rekening met het verband tusschen geloof en gemeenschap, tusschen theologie en Kerk. Dientengevolge komt in de theologie van Roessingh het vrijzinnige karakter beter tot uitdrukking dan het christelijke (I, 268--269).
Prof. Heering wil verder gaan dan Roessingh is gekomen en wil ook volgens een andere methode werken. Hij wil voluit dogmaticus zijn. Hij meent, dat de echte theoloog het wagen moet zich principieel op het standpunt der openbaring te stellen, daar het in geloofs-vragen niet anders mag. Theologie is iets anders dan godsdienstgeschiedenis en filosofische speculatie. En het Christendom is wat anders dan individueele religie. De wijsgeer is een eenzame denker, de christentheoloog daarentegen leeft in gemeenschap, en zijn theologie is tevens leer der gemeenschap. Daarom kan men de theologie niet scheiden van de Kerk en hare prediking.
Prof. Heering, zóó ingesteld, peilt „geloof" en „openbaring" telkens van de Bijljelsche gedachtenwereld uit ; en zoo kan er een goed deel van den inhoud der geloofsleer mee aan de orde komen. In het 2de Deel bespreekt hij dan ook „het Evangelie" als den inhoud van het Christelijk geloof en in zijn toenadering tot het klassiek-kerkelijk dogma gaat hij „verder" dan prof. Roessingh.
Waar Roessingh twijfelde, of de geloovige denker d.i. de theoloog zijn geloof mag laten meespreken in de theologische waarheidsvraag, daar staat het voor Heering niet alleen vast, dat het mag, maar dit moet; anders loopt de theologie dood. (I, blz. 263).
Ook is Heering ongetwijfeld (aldus prof. Haitjema) „verder" in de richting van het klassiek-kerkelijk credo gegaan en de centraal-christelijke waarheden. (I, 242).
Er is geen twijfel aan, of Heering wil belijdenis doen van het reddend karakter der bijzondere openbaring Gods in Christus. De wereld is niet zóó, gelijk zij uit de scheppende hand Gods is voortgekomen. Er is de realiteit van een zondeval, als „metafysisch" gebeuren in de wordingsgeschiedenis der menschheid ; maar — „niet als een historisch-juist verhaal omtrent den onbekenden eersten mensch" (II, blz. 119). Zonder aarzelen wordt het schema: „schepping-val-herschepping" voleindig als „constitxitief voor de echt-christelijke theologie, door Heering aanvaard. Hierin wijkt hij zeer beslist af van Ernst Troeltsch
„den Duitschen Kerkvader van de Nieuw-Protestantsche theologie" (II, 108). Niet de menschen-wereld zal ooit de kracht hebben de heerlijkheid Gods te kunnen openbaren, alleen het Gods-rijk zal dat kunnen. Het „eschatologisch bureau" dat de Centrale Commissie voor het: Vrijz. Protestantisme in haar „Beginselverklaring" te veel wil sluiten, mag niet gesloten worden. Het Godsrijk is een rijk „dat we in geloof verwachten, dat in hoofdzaak heilig Futurum is" (toekomst). De menschheid is „het rijk der duisternis" (het rijk der demonen) dat zich openbaren zal „van geslacht tot geslacht" (II, 122).
Over het Kruis van Golgotha spreekt Heering als „offer voor de vergeving der zonden. Het Kruis van Christus mag niet alleen gezien worden „als Jezus' bekroning en offer van Zijn dienend en getuigend leven", maar óók en in de eerste plaats als „daad en offer van God." God staat het liefste af wat Hij heeft./
Hij heeft niet alleen gegeven Zijn profeten, maar Zijn Zoon ; en Hij heeft dien Zoon niet alleen „gezonden", maar ook „weggegeven" in den dood. Het Kruis van Christus slaat alle eigengerechtigheid en gevoel van onschuld neer ; het spreekt tot de wereld en tot ons in heiligen „toorn" Gods. Het moet dienen om „de oogen te openen" en te doen „neerknielen voor Gods ontferming". (II, 174—175).
Wie zóó „profeteert" over schuldvergeving door het offer van Golgotha staat vlak vóór de oude gewelven van het christologisch-trinitarisch dogma en van het klassieke leerstuk der Reformatie, de justificatio sola fide! — zijn wij geneigd hier uit te roepen, aldus prof. Haitjema.
Toch weigert Heering te gaan door de poort heen.
„Zoon des Geestes" noemt Heering den Zoon van God, en dat doet ons opschrikken.
Vlak bij den heuvel van Golgotha, wijkt men hier terug. Men trekt zich terug op een „pneumatische Christologie", dat kennelijk-willekeurig geleerd wordt als „het Evangelie in het Evangtae" ; met een eigenaardige exegese van 2 Cor. 3:17: De Heere nu is de Geest", waarbij het tekstverband genegeerd wordt.
Welk een wending 1 Het klassiek-kerkelijke credo verdwijnt uit het gezicht. Aan de indrukwekkende kathedraal van het kerkelijk dogma wordt — de rug toegekeerd. Troeltsch wordt eensklaps weer de leider, als het onaanvaardbare van incarnatie, triniteit, lichamelijke opstanding en hemelvaart van Jezus Christus, kortom van héél de theologie der heilsfeiten in het licht wordt gesteld. (Zie vooral II, 148 enz.). De kerkelijke leer der Incarnatie (Vleeschwording des Woords, Joh. 1 vers 14) is een „deformatie" van het Evangelie, even goed als het Triniteitsdogma (II, 148, 153, 155 noot). De incarnatie zou zijn „de belichaming van Gods Heiligen Geest". En meent men nu, dat dit de klassieke Kerkleer over de incarnatie is ?
Ook van de kerkelijke Triniteitsleer acht Heering dat ze niet Schriftuurlijk is en déformeerend op het Evangelie heeft ingewerkt.
(II, 156 noot). De incarnatie-leer, de tweenaturen-leer en de leer der Drieëenheid
verwerpt Heering (voelend dat ze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn). (II, 155). Het is voor hem „het naïeve doctrinarisme van de op leerheiligheid ingestelde kerkelijke traditie".
Het is overduidelijk, dat met betrekking tot het klassiek-kerkelijk dogma en de theologie der heilsfeiten, Heering's rechts-moderne theologie nog geheel onderhoorig is gebleven aan Troeltsch' Nieuw-Protestantisme. Inzonderheid valt dat in 't oog, als Heering telkens overslaat : liet heilsfeit van Christus' opstanding ten derden dage ! De opstanding wordt tot „futurum" (toekomst) gemaakt. De uitschakeling van de opstanding van Christus treedt duidelijk in 't licht (II, blz. 45, 95).
De vurige prediking is ontstaan door een uitstorting van den Heiligen Geest — niet door de opstanding (II, blz. 95). De discipelen waren tot een ander „inzicht" gekomen wat betreft Jezus, die gestorven was. Hun vurige geest kreeg weer de overhand. Het is alles „pneumatisch", wat van de opstanding geschreven staat (II, 233). Het feit der lichamelijke opstanding mag gerust verbleeken, zegt Heering, de persoon van Jezus Christus wordt daardoor juist „metafysisch rijker". (II, 133).
Deze terzijdestelling van het heilsfeit der opstanding van Jezus Christus signaleert de afwending van het klassiek-kerkelijk dogma in Heering's theologie als zóó principieel, dat wij er ons ook niet meer over verbazen moeten, dat deze vorm van rechts-moderne theologie zoowel den grondslag der Schrift als dien van de Reformatie moet prijsgeven. Het Paulinisch „Evangelie" zóó te willen interpreteeren en uitleggen, zonder aan Kruis èn Opstanding beide een zelfde doorslaande beteekenis toe te kennen, is onbegonnen werk En de reformatorische leer van de rechtvaardigmaking door 't geloof alléén („sola fide") te pogen te kenschetsen zonder de opstanding van Jezus Christus ten derden dage is een misteekening, die aan een caricatuur-teekening grenst. Hier werkt het anti-supranaturalisme der moderne theologie na. En de doorstreeping en loochening der heilsfeiten is juist steeds weer de doorhaling der wonderen: wonderbare geboorte, lichamelijke opstanding, hemelvaart van Jezus Christus — alsook van Zijn wederkomst op de wolken.
De orthodox-geloovige wordt daarbij in dd hoek gedrongen van de „doctrinairen", die kerkelijke traditie boven Evangelie en Heilige Schrift stellen ! en in beginsel even Roomsch zijn als de menschen, die de mis-magie dogmatisch willen rechtvaardigen". (II, 154).
Iemand, die zóó oordeelt over de heilsfeiten zelve en over de orthodoxe leer der Christelijke Kerk, van 't begin afaan beleden, staat toch wel grootendeels met den rug naar de gewijde kathedraal van het klassiek-kerkelijk Credo.

ADVIEZEN VAN LINKS
De Vrijzinnigen in de Hervormde Kerk, die niet eens met „geest en hoofdzaak" van de belijdenis instemmen en noch de vleeschwording des Woords, noch den zoendood van Christus, noch Zijn opstanding, noch Zijn hemelvaart, noch Zijn zitten ter rechterhand des Vaders belijden, maar dit alles pertinent loochenen, roeren zich, nu er een Ontwerp tot Reorganisatie ligt. En 't is merkwaardig, hoe zij aldoor betoogen, dat het huidige Voorstel op ende op Confessioneel is en op den grondslag van de Drie Formulieren van Eenigheid staat.
Zoo lezen we in No. 3 van de „Vliegende blaadjes" : „Het geloof moet zich uiten ; het kan niet opgesloten blijven in de ziel. Het is een stuwende kracht, die den mensch geen rust laat, aleer hij wat van binnen leeft, naar buiten heeft uitgedragen. Als God zich aan den mensch geopenbaard heeft en de mensch heeft in geloof daar „ja" op gezegd, dan kan hij het niet laten van dat wonder te getuigen. Het innerlijke geloof moet een uiterlijke vorm aannemen. Gelooven eischt belijden, in woorden en in daden".
Dat is prachtig gezegd en wij onderschrijven dat woordelijk. Het is zoo ongeveer woordelijk 't zelfde als wat Art. 1 van de Ned. Gel. Belijdenis zegt : ,, Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond, dat er is, enz." Maar natuurlijk gaat de Vrijzinnige dan terug krabbelen ; want het wordt te gevaarlijk om zoo door te gaan. En daarom komt er dan ineens, dat het belijden vooral in daden moet geschieden. „Het Evangelie van Jezus Christus legt de nadruk op de daad. Het predikt een bij uitstek zedelijke godsdienst".
Ieder voelt, dat wordt gezegd om aan de klem van de geloofsbelijdenis te ontkomen en het over een andere boeg te werpen, en het te zoeken in een „goed leven", van liefde en verdraagzaamheid ; in den geest van het Humanisme, naar de leer van den „gaven en braven mensch", die zegt : eigenlijk kan ieder in z'n eigen weg en met z'n eigen godsdienst wel zalig worden, als we elkaar dan overigens maar verdragen willen ! Zoo iets als Lessing in „Nathan der Weise" geleerd heeft.
„Een bij uitstek zedelijke godsdienst" moeten we hebben. Maar — er komt dan toch weer óók een gedeelte in het „Vliegende blaadje" No. 3, dat aan de belijdenis met woorden gewijd is. „Wat in ons hart leeft, moet ook met ons verstand, op redelijke wijze, doordacht zijn". „Zoo komen wij tot geloofsformuleeringen, tot een belijdenis. Daar kunnen wij niet buiten. En ook de Kerk kan daar niet zonder. Zij moet zoo getrouw mogelijk omschrijven wat voor haar als de waarheid van het Evangelie geldt. Dat onze Ned. Hervormde Kerk dat onder meer doet in symbolische en liturgische geschriften, ligt voor de hand en wordt door de Vereeniging van Vrijz. Hervormden dan ook aanvaard".
Zie zoo, nu zijn we weer, waar we wezen moeten. De Kerk moet haar belijdenisschriften en haar liturgische formulieren hebben.
Maar nu moet men natuurlijk weer een stap terug, want het wordt hier „te warm" voor de Vrijz. Hervormden, die zelfs met „den geest en de hoofdzaak" van de belijdenisschriften, noch met „den geest en de hoofdzaak" van de liturgische formulieren (voor Doops-en Avondmaalsbediening, bevestiging van herders en leeraars, ouderlingen en diakenen) overeenstemmen. En daarom krijgen we dan Weer deze tirade : „Het gevaar schuilt in de overschatting van een belijdenis" (zegt u dat Wel, Vrijzinnigen!) „Een belijdenis dekt nooit precies de werkelijkheid (dat „precies" is prachtig !) des geloofs"   „Men kan dus de noodzakelijkheid van een belijdenis erkennen en symbolische en liturgische geschriften voor de Kerk aanvaarden, maar op bovenstaande gronden zich verzetten tegen een poging om onze Ned. Hervormde Kerk opnieuw te binden aan formulieren, meer dan drie eeuwen oud". „Over het algemeen genomen, zijn zij vol van opvattingen, die aan verouderde levens-en wereldbeschouwingen en voorbijgegane theologieën zijn ontleend".
Dat zeggen de Vrijzinnigen, die bij zulke spiksplinternieuwe levens-en wereldbeschouwingen leven en die zoo'n alleszins nieuw doorgedachte en nieuw omschreven theologie leven !!
De Vrijzinnigen, die bij de vrijzinnige oudvaders Arius, Socinus, Arminius, Cartesius, Kant, enz. enz. zweren, hebben daarom overwegende bezwaar tegen het huidige Reorganisatie-Ontwerp, want, zoo zeggen ze :
„Het voorloopig aangenomen Reorganisatie-Voorstel spreekt van historische belijdenisgeschriften en bedoelt daarmee de drie formulieren van eenigheid : de Nederlandschc Geloofsbelijdenis, de Heidelbergsche Catechismus en de Leerregels van Dordt".
„De bedoeling wordt in de Inleiding duidelijk uitgesproken. Zij vormen - - zoo staat er — historisch uitgangspunt en grondslag". „Let wel : Grondslag !"
Zoó denken de Vrijzinnigen er over. En daarom zijn ze natuurlijk tegen dit Voorstel, dat „door en door Confessioneel is".
Maar staat er dan niet, dat die belijdenisschriften „hervormd" moeten worden ?
Ja — zoo zeggen de Vrijzinnigen in , , Vliegend blaadje" No 3 — dat staal er wel, maar dat gebeurt toch niet. En als het gebeuren mocht, dan ~ - zoo schrijft men „dan duurt het op z'n minst nog wel enkele tientallen van jaren, als het ooit gebeurt"

HET BLlJVENDE IN DE BELIJDENIS (3)
Wij stellen dus het blijvende in de belijdenis voorop. De Kerk heeft haar belijdenis, in haar belijdenisgeschriften neergelegd, niet uitgesproken voor een paar jaar, maar blijvend, omdat de belijdenis, onder leiding des Heiligen Geestes, geput is uit het Boek des Heiligen Geestes, dat blijft tot in eeuwigheid. Het is dan ook een legende, dat de Gereformeerde Kerk haar belijdenis elke drie jaar moet herzien. Het nuchtere, klare feit is, dat de Gereformeerde Kerk zelve in en door de ambtsdragers, die de onderscheidene plaatselijke Kerken, Classes en Provinciale Synoden vertegenwoordigen, om de drie jaar in Nationale Synode samenkomt en zich dan voor de belijdenis stelt, om die te beamen en te bevestigen met opstaan, waarbij, wanneer daartoe aanleiding mocht bestaan, in kerkdijken weg en met eerbiediging van alle kerkelijke instanties, bezwaren kunnen worden ingebracht, wat dan verder kerkelijk onderzocht, behandeld en beslist wordt. Denk b.v. aan de bezwaren tegen Art. 36, indertijd door „bezwaarden" ingebracht op de Generale Synode der Gereformeerde Kerken.
Het blijvende in de belijdenis staat dus voorop. En het is verkeerd als taak der Kerk voorop te stellen : „hervorming" der belijdenis.
Toch moeten we in deze nuchter en waar, klaar en open zijn. En we moeten niet doen, alsof er voor Gereformeerde menschen niets te hervormen, te veranderen, te verduidelijken, te wijzigen of uit te breiden zou zijn inzake de belijdenisschriften en (of) de liturgische formulieren. Gereformeerde menschen moeten gereformeerd eerlijk zijn, en niet gelijk de struisvogels doen. Oogen open, hoofd omhoog, hart naar boven en met de mond eerlijk ! Gereformeerde menschen staan graag in het volle leven van hun eigen tijd, het oude vasthoudend, niet alleen omdat het oud is, maar, omdat het echt en waar en blijvend is, waarbij. hetgeen verwrongen en misvormd is, moet worden weggedaan en voor den eigen tijd, waarin de Heere ons doet leven, het ge­tuigenis der Waarheid wordt gezocht en uitgedragen.
Daarom zegt b.v. de Gereformeerde Kerk, als zij welgesteld is, nooit, dat er geen nieuwe Bijbelvertaling mag komen. Integendeel. De Gereformeerde Kerk, die de wondere leidingen Gods naspeurt en leeft bij de leiding des Heiligen Geestes, erkent dankbaar het wónder-heerlijke, dat de Heere ons in de Statenvertaling gegeven heeft, maar tegelijk wat de Heere ons in den weg der wetenschap enz. geven wil om heden ten dage Zijn Woord te vertolken en te verkondigen zooals de Heere, onder Zijn duidelijk voorzienig bestel, dat wil voor onzen tijd. Het eeuwige Woord, dat leeft in de eeuwen !
En met rustigen arbeid van meer dan 20 jaren krijgen we straks, als God het wil, een geheele, nieuw vertaalde Bijbel, bezorgd door het Nederlandsch Bijbelgenootschap, waarvan reeds gedeelten verschenen zijn (op proef) en het overige ter drukkerij is.
Laat ons hier óok denken aan des nieuwe vertaling van de Heilige Schrift, gegeven in „Tekst en Uitleg" (uitgave J. B. Wolters, te Groningen) en in „Nieuwe Vertaling en Korte Verklaring" (uitgave J. H. Kok te Kampen).
Geen predikant (en hoeveel meer menschen niet) zal hier durven en willen beweren, dat de Heere ons in het nieuwe niet veel goeds geeft, om ons Zijn Getuigenis en Waarheid des te beter te doen verstaan.
En dan een nieuwe Psalmberijming ! Zal de Gereformeerde Kerk, als zij welgesteld is, niet begeeren iets nieuws en iets beters, meer uit en naar de Schrift te mogen ontvangen uit de hand des Heeren, door bemiddeling van menschen, die daarvoor gaven en krachten, lust en gelegenheid ook, van God ontvangen ?
Maar, waarover het hier nu eigenlijk gaat en gaan moet, is : de kwestie van de belijdenisgeschriften en (of) de liturgische formulieren.
Bekend is b.v., dat Gereformeerd Schoolverband (waarvan o.a. prof. Severijn en ds. Bartlema lid zijn, terwijl prof. Severijn met prof. Waterink e.a. redacteur is van „De Gereformeerde School", uitgave van Geref. Schoolverband) al vele jaren ijvert voor een nieuwe uitgave van den Heidelbergschen Catechismus. Dit leerboek toch is opgesteld voor de Scholen en de Kerken, voor de kinderen en de eenvoudigen, en niemand zal willen ontkennen! de uitnemende waardij van dit kostelijk boekje, dat een waar Godsgeschenk is. Maar die ter zake kundig is (en dat is b.v. ook de Vereeniging Geref. Schoolverband) zal niet durven loochenen, dat dit kerkelijk leerboek dient te worden gewijzigd, veranderd, verduidelijkt, en zeer zeker hier en daar uitgebreid moet worden.
En is de Ned. Geloofsbelijdenis niet hier en daar zóó geformuleerd, dat wijziging, verandering, verduidelijking en uitbouw of uitbreiding overbodig is ? Wie niet alleen leest en bestudeert wat prof. Doedes hieromtrent geschreven heeft, maar ook wat dr. Van Toornenbergen gaf, en ook wat in den laatsten tijd dr. F. J. Los publiceerde, zal immers van overtuiging zijn, dat hier en daar wijziging niet verboden, maar geboden is.
Wij komen op deze dingen straks nog even sober terug. Laat ons voor ditmaal hier eindigen met een stukske, dat wijlen dr. J. C. de Moor, destijds Geref. pred. te Utrecht, jaren terug schreef in het woord „Ter inleiding" van zijn Psalmboek (uitgave : Gebr. Zomer & Keuning, Wageningen) :
„Catechismus en Kort Begrip werden bijgevoegd ten dienste van scholen en catechisatiën. Het leek echter niet raadzaam, nu belangrijke voorstellen tot wijziging van (liturgische) Formulieren en Gebeden aanhangig zijn (in de Gereformeerde Kerken), de kosten van dit boek te verhoogen door af te drukken wat wellicht binnen afzienbaren tijd veranderd zal moeten worden" enz.
En Geref. Schoolverband heeft jaren terug reeds aan de orde gesteld, in de Gereformeerde Kerken te mogen komen tot een nieuw Leerboek voor scholen en catechisatiën, omdat men het dringend noodzakelijk acht, dat de
Calechismus hier en daar vereenvoudigd, verduidelijkt, uitgebreid wordt.
Ja — wij zouden willen vragen : waarom moeten we b.v. altijd blijven zitten met woorden in de Apostolische Geloofsbelijdenis als „nedergedaald ter helle", die zooals ze nu zijn en, staande op de plaats waar ze nu staan, misverstand moeten geven ? Men kan een jaar lang college geven over die woorden en er alles bij halen en dan is het ten slotte nog even duidelijk, of liever onduidelijik, als toen men begon met z'n uitlegging.
Waarom kan b. v. ons tegenwoordig geslacht niet gelooven en belijden met de Kerk van alle eeuwen : „ die met helsche angsten en pijnen heeft geleden, onder Pontius Pilatus onschuldig veroordeeld en gekruisigd is ; gestorven en begraven ; ten derden dage wederom opgestaan van de dooden, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des Almachtigen Vaders ; vanwaar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden". Enz.
Wij noemen dat alleen maar even, om een oud voorbeeld te geven hoe er dingen zijn, die waarlijk niet onverbeterlijk zijn.
En wie denkt hier b.v. ook niet aan Art. 15 Ned. Geloofsbelijdenis, waar over de erfzonde gesproken wordt en over den Doop, en dan gezegd wordt: „Zij is (n.l. de erfzonde) ook zelfs door den Doop niet ganschelijk te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid", enz.
Men moet eens lezen wat daarover te doen geweest is (let óók op Art. 34 Ned. Geloofsbelijdenis). In de oorspronkelijke Waalsche tekst van 1561 stond alleen : „en wordt zelfs door den Doop niet weggenomen". Ook in de eerste Nederduitsche uitgaven stond dat : „ende en wert ook door de Doope niet wechghenomen". Maar de Synode van 1516 voegde er bij: „noch geheel uitgeroeid". En nny, weer sterker is de tekst van 1611 te Middelburg (zooals die nu is, goedgekeurd door de Dordtschc Synode van 1618—'19 in de 14()Ste zitting). Zie ook de aanteekening bij Art. 15 Ned. Geloofsbelijdenis in , , De Drie Formulieren van Eenigheid", door ds. M. van Grieken. Uitgave Kemink & Zn., Utrecht.
Nu moet niemand denken of zeggen : het wijzigen, veranderen van den tekst van de Ned. Geloofsbelijdenis is zonde. Want dr. F. .1. Los zegt terecht in zijn allerbelangrijkst boek : „Guy de Bres' meesterwerk was menschenwerk. Een rustig oog speurt zelfs in den Franschen tekst fouten. En de onbekende, die in 't Nederlandsch vertaalde, was geen meester in het Fransch! Hoe gebrekkig is gedurig zijn overzetting !
Van oude tijden af hebben Synoden dan ook; de teksten verbeterd. De nood drong. Daarbij is een Geloofsbelijdenis geen persoonlijk bezit, zelfs niet van haar auteur. Zij is een openbare gemeenschappelijke Kerkschat.
Alleen de Kerk zelve mag corrigeeren. De Nederlandsche uitgaaf van 1583, de Fransch-Nederlandsche edities van 1611, bovenal de Fransch-Nederlandsche teksten van de Dordtsche Synode, zijn zoo vele correcties van den tekst der Confessie".
Dr. Los geeft dan deze verbeteringen in noten onder de Fransch-Nederlandsche teksten van 1561 en '62. De tweetalige tekst, volgens uitgaven en Synoden van 1561—1619, staan ons nu compleet ter beschikking ! Het gaat om het „onvergankelijk verweerschrift", om de „openlijke geloofsverklaring van Gereformeerd Nederland".
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's