KERKELIJKE RONDSCHOUW
CALVIJN OVER HET AVONDMAAL
Nadat God ons eenmaal in Zijn huisgezin heeft ontvangen — zegt Calvijn — en dan niet, om ons alleen te beschouwen als Zijn dienstknechten, maar als Zijn kinderen, neemt Hij ook, om de rol te vervullen van een zeer goed huisvader, die voor Zijn kroost bezorgd is, op Zich om ons den ganschen loop van ons leven te voeden.
En daarmee niet tevreden, heeft Hij door het geven van een pand ons van deze onafgebroken weldadigheid willen verzekeren. Tot dit doel dus heeft Hij aan Zijn Kerk een tweede sacrament gegeven door de hand van Zijn eeniggeboren Zoon, namelijk den geestelijken maaltijd, bij welken Christus, gelijk Hij betuigt, het levendmakende brood is (Joh. 6 vers 51), met hetweLk onze zielen tot de ware en gelukzalige onsterfelijkheid gevoed worden”.
WAT IS „DE BELOFTE DES EVANGELIES”?
Onze Catechismus leert, dat het sacrament een teeken is, waardoor God ons „de belofte des Evangelies" des te beter te verstaan geeft ; en een zegel, waardoor Hij ons van de genoemde belofte verzekert.
Wat is nu „de belofte des Evangelies”?
Dat is : dat God ons, vanwege het eenige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving van zonden en het eeuwige leven, uit genade schenkt. (Vr. en antw. 66)
Zoo wil de Heilige Geest ons leeren in het Evangelie en ons verzekeren door de Sacramenten, dat onze volkomene zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is. (Vr. en antwoord 67).
Zoo zegt ook Art. 33 Ned. Geloofsbelijdenis, dat God ons de Sacramenten verordend heeft: „om aan ons Zijne beloften te verzegelen, en om panden te zijn van Zijn goedwilligheid en genade jegens ons, en ook om ons geloof te voeden en te onderhouden”.
En dat geloof spreekt de christen dan uit met de Apostolische Geloofsbelijdenis, zeggende : „ik geloof de vergeving der zonden, de wederopstanding des vleesches en een eeuwig leven”.
Zoo zijn de Sacramenten de middelen waardoor de Heere „bondig en vast maakt in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt. Want het zijn zichtbare waarteekenen en zegelen van een inwendige en onzienlijke zaak, door welke, als door middelen. God in ons werkt door de kracht des Heiligen Geestes". (Art. 33 Ned. Geloofsbelijdenis).
Waar onze Gereformeerde Vaderen in hun belijdenis eenerzijds positie innamen tegenover de Roomschen, daar hebben zij zich anderzijds gezet tegenover de Anabaptistische geestdrijvers, die meenden zóó geestelijk te zijn, dat zij de middelen, door God ingesteld, niet noodig hadden!
Onze Vaderen hebben daartegen, geheel overeenkomstig de Heilige Schrift, zoo heel ernstig gewaarschuwd, opdat we de Sacramenten geloovig zouden gebruiken om beter te mogen verstaan „de belofte des Evangelies", n. 1. de vergeving van zonden en het eeuwige leven, vanwege het éénige slachtoffer van Christus.
TOT ONZEN TROOST des Heeren Heilig Avondmaal houden
Ons Avondmaalsformulier zegt, dat we tot onzen troost des Heeren Heilig Avondmaal moeten houden.
Het Formulier is daarin wonderschoon en duidelijk, om de viering des Heiligen Avondmaals tot troost te doen zijn voor degenen, die mogen aangaan ; tot troost, op 't oogenblik, dat men eet en drinkt, maar ook tot troost voor héél het leven, ja, voor leven en sterven beide.
En de geloovige wordt dan zóó geteekend, dat de troost nooit in den mensch kan liggen, maar dat nu de Heere het Avondmaal heeft gegeven, om daar den troost te vinden, te ontvangen, te genieten.
En het Formulier zegt ons dan, dat het alles gelegen is in Christus, in Zijn verzoenend lijden en sterven, om te verzekeren bij brood en beker, dat nu alles in Hem ligt voor degenen, in wie niets is. Het mag niet in ons liggen, alsof wij waardige dischgenooten waren, die genoeg hadden Gode aangenaam te kunnen zijn en aantrekkelijk voor den Heere.
Want dan zijn we gelijik aan hem, die geen bruiloftskleed aannam. Wat hoogmoed verraadt. Dan gaan we vol eigenwaan, vol zelfbedrog verder, vol geveinsdheid. Dan hebben wij de dingen.en begeeren het niet te ontvangen.
Voor degenen, die zich zondaar mogen weten, bij ernstige zelfbeproeving, is hier troost en geloofsversterking.
„Al is het, dat wij nog "vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als n.l. dat wij geen volkomen geloof hebben, maar dagelijks met de zwakheid onzes geloofs en de booze lusten onzes vleesches te strijden hebben”
Nochtans — desniettegenstaande — is het Heilig Avondmaal om ons te troosten.
Want overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn — zoo zullen wij aan de tafel des Heeren gewis en zeker zijn, dat God ons hier in genade wil aannemen, waar Hij ons deze hemelsche spijs en drank waardig keurt en ons deelachtig maakt.
De Dordtsche Leerregels zeggen daarom, dat zij, die het levend en krachtig geloof in Christus of het zeker en vast vertrouwen des harten in zich nog niet zoo sterk gevoelen, nochtans de middelen moeten gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken. Dat zij vlijtig moeten voortgaan in het waarnemen der middelen en dat zij vurig moeten verlangen naar den tijd van overvloediger genade en die met eerbiedigheid en ootmoedigheid verwachten.
„Wacht op den Heere, zijt sterk en Hij zal uw hart versterken" Ps. 27 : 14.
Opdat wij dan tot onzen troost des Heeren Heilig Avondmaal mogen vieren !
JEZUS IS BEGRAVEN „NAAR DE SCHRIFTEN”
Over dat begraven van Jezus schrijft prof. dr. H. H. Kuyper in „De Heraut" (in verband met de kwestie : begrafenis of verbranding ? ) als volgt:
„De Schrift zegt ons, dat Christus begraven is. En het is dan ook niet toevallig, dat in ons Apostolisch geloof na het gestorven zijn van Christus óók Zijn begrafenis uitdrukkelijk als geloofsartikel door de Christelijke Kerk beleden wordt. Ook de Apostel Paulus in 2 Cor. l0 zegt, dat hij aan de Corinthiërs had overgegeven, dat „Christus gestorven is voor onze zonden naar de Schriften, en dat hij is begraven en dat Hij is opgewekt ten derden dage naar de Schriften" (vers 3 en 4).
In de Schriften des Ouden Testaments was reeds over dit begraven van Christus profetisch gesproken. Want als David in Ps. 16 vs. 10 zegt : „Gij zult mijn ziel in de hel d.i. het doodenrijk niet verlaten en Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie", dan zegt David dit niet van zichzelf, maar van Christus, zooals de Apostel Petrus zegt (Handelingen 2 : 31). Immers, Davids lichaam was in het graf gebleven en was wél aan de verderving overgegeven. Maar al zou de Messias begraven worden ; Zijn lichaam zou door God voor dit lijfbederf bewaard worden. En nóg duidelijker luidt de profetie van Jes. 53. De Messias zou worden afgesneden uit het land der levenden ; Hij zou met de overtreders geteld worden ; men zou zelfs na Zijn dood Hem nog smaad willen aandoen, door Zijn graf bij de goddeloozen te stellen, maar, zoo vervolgt de profetie, bij den rijke zal Hij in Zijn dood zijn d.w.z. dat het plan Zijner vijanden mislukken zou daar Hij door Goddelijke beschikking in Zijn dood bij den rijke zou zijn. Dus niet alleen zou Hij voor de schande, die over Hem besloten was, bewaard blijven, maar Hij zou zelfs een buitengewone eere ontvangen, doordat Hij begraven werd in een aanzienlijk graf. Een profetie, die op treffende wijze vervuld is, doordat Christus begraven is in het graf van Jozef van Arimathea ; Matth. 27 : 57 enz.
Zóó heeft God dus Zelf zorg gedragen voor het doode lichaam van Zijn heilig Kind Jezus. Hij heeft niet gewild, dat na Christus' sterven Zijn beenen zouden gebroken worden, zooals de Joden wilden (Joh. 19 : 32—36), Hij heeft gezorgd, dat Christus' lichaam, na van het kruis afgenomen te zijn, niet in handen viel der Joden, om het smadelijk te begraven, maar dat Jozef van Arimathea het van Pilatus kreeg, om het een eervolle begrafenis te geven in zijn hof. En waar in Palestina het lijkbederf al zoo spoedig na den dood intreedt, heeft Hij Zelf door Goddelijke Almacht Christus' lichaam voor dit bederf bewaard. In de Schriften was dit alles voorzegd ; het was aldus Gods wil, en het is alzoo vervuld. Daarom kon de Apostel zeggen, dat Christus begraven is naar de Schriften. Want uit die Schriften blijkt, dat dit alles niet toevallig geschied is, niet een daad was van de menschen, maar een Goddelijke beschikking, die het aldus had bepaald. En als God de Heere nu zulk een zorg heeft gedragen voor het lichaam van Christus en voor Zijn begrafenis, ligt dan daarin niet de scherpste veroordeeling van hen, die beweren, dat na het sterven het lichaam onzer dooden een waardeloos iets is, waarmee we doen mogen wat we willen, en dat nog waarde te hechten aan het graf onzer dooden niet anders dan sentimentaliteit is? ”
MODERNISTISCH PAASCHEVANGELIE
In de Persschouw van het Calvinistisch Weekblad lazen we een stukje, overgenomen uit het Orgaan van de Remonstrantsche Gemeenten in Leiden, dat we hier nu laten volgen:
„Wanneer het Paaschfeest aangebroken is, komt het zoo menigmaal voor, dat een grootere schare van geloovigen dan gewoonlijk het kerkgebouw vult. Een andere toon, een ander liedl beheerscht de geheele Paaschsamenkomst, een juichtoon en een overwinningslied. En het is geen wonder, dat velen zich daartoe meer voelen aangetrokken dan tot de samenkomsten, die in de lijdensweken vallen. Maar hoe kan een hart zich waarlijk verblijden, als het niet heeft mede-beleefd, medeervaren een tijd van angst en vrees, een tijd van strijd en droefheid ? Het machtig drama dat zich voltrekt om Jezus Christus, eindigend met den smadelijken dood op Golgotha, staat toch immers niet los van het blijde geloof der leerlingen, of beter, van het door God, als een zeker weten, als een door niets te ontnemen overtuiging in hart en leven van de volgelingen van Christus neergelegd, dat niets ons kan scheiden van de Liefde Gods ? Paschen toch is gebouwd op den lijdenstijd, het lijden van Hem die in dienst stond van God, volkomen. En wat bedoelt het kerkelijk jaar anders te zijn dan een levendmaking, een verbreiding van de boodschap die uitgaat van Hem, dien wij onzen Meester noemen?
Dit is de Paaschboodschap in wonderschoonen vorm uitgebeeld in de berichten van de Evangeliën : al wat uit God geboren is, overwint de wereld.”
Tot zoover het citaat van den Remonstrant. Men ziet, het is ook nu weer de oude ontkenning op Paschen van de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. Het historisch feit van de lichamelijke opstanding op den morgen van den derden dag wordt ook hier weer geloochend. Het wordt gemaakt tot een „idee", in „wonderschoonen vorm uitgebeeld" ; de idee : „al wat uit God geboren is, overwint de wereld”.
En dan Jezus in het graf. De Heiland dood. De Verlosser en Zaligmaker niet opgestaan. Niet krachtiglijk bewezen te zijn Gods Zoon.
Een groot profeet, een uitnemend rabbi, een voornaam voorbeeld — meer niet ; en dan gestorven en begraven en — in het graf gebleven.
IJdel is dan de prediking. IJdel ook ons geloof. Dan zijn we nog in onze zonden.
RONDOM HET REORGANISATIE-ONTWERP (6)
We zouden nog iets zeggen over de instructies of lastbrieven voor hen, die als afgevaardigden der Kerken (der Classes enz.) naar de „breedere" of „meerdere" Vergaderingen gaan Hoe was dat vroeger geregeld ? Waren er lastbrieven ? En zoo ja, wat hielden die lastbrieven dan in ?
Het eerste, waarop we letten moeten is, dat in de „meerdere" of ,,breedere" Vergaderingen (dus de Classicale Vergadering, de Provinciale Synode en de Nationale Synode) niet personen, maar Kerken saamvergaderen. Als personen samenkomen om persoonlijk met elkaar te spreken en dan hoofdelijk te stemmen en dan met meerderheid van stemmen een besluit of beslissing te nemen, dan spreken we b.v. wel van „Convent", maar niet van „Synode".
In de Kerkelijke Vergaderingen komen de Kerken, de plaatselijke gemeenten bij elkaar, om als Kerken saam overleg te plegen en te doen wat de taak en de roeping is van de „breedere" vergadering ten opzichte van de gezamenlijke Kerken.
In de plaatselijke gemeente is de Kerkeraad het ambtelijk lichaam, dat grondleggend is en meer rechtstreeks uit de Heilige Schrift is af te leiden. Want de ambten van herder en leeraar, van ouderling en diaken, zijn „naar de Schriften". De Kerkeraad is dan ook het eenigst college, dat rechtstreeks „naar de Schriften" is.
Komt er nu een „breedere" vergadering bij elkaar in de Classis, dan komen de Kerken uit de Classis samen, door afgevaardigden, die van den Kerkeraad ter plaatse een „lastbrief" mee krijgen. De Classis doet dat dan voor de Prov. Synode en de Prov. Synode voor de Nationale Synode. Telkens opdat men weten zal, dat niet „broeder" A en „broeder" B bij elkaar komen om te vergaderen, maar opdat men zal voelen en steeds bedenken : daar zitten de plaatselijke Kerken der Classis enz. Daarom de „afvaardigings-brief", aan de vertegenwoordigers der Kerken meegegeven, opdat men ter vergadering zal weten, niet die broeder en die broeder is er, maar die Kerk is vertegenwoordigd en die Kerk is present. Men moet goed weten : dat de meerdere of breedere vergaderingen samenkomsten der Kerken of Gemeenten zijn, vertegenwoordigd door degenen, die de Kerken zelve deputeeren, afvaardigen en lastgeven.
Art. 33 Kerkorde zegt : „Die tot de samenkomsten afgezonden worden, zullen hunne credentiebrieven en instructiën, onderteekend zijnde van degenen, die ze zenden, medebrengen, enz."
De credentie-brieven zijn dan de geloofsbrieven (litterae fideï, ook wel litterae demissiones of fiduciarae litterae) en dus brieven van vertrouwen of van afzending of getuigenissen, dat men die en die Kerk vertegenwoordigt. Het zijn de bewijzen van wettige afvaardiging.
We kunnen dus zeggen, dat het karakter van credentie-brieven is : „het zijn bewijzen van wettige (kerkelijke) afvaardiging, die tevens het karakter der meerdere vergaderingen als samenkomsten van Kerken aangeven". Samenkomsten van ambtsdragers, zonder credentie-brieven, dragen het karakter van conferentie, d.w.z. samenkomst van personen, en niet van Kerken. En dat moet natuurlijk de Classicale Vergadering, de Provinciale Synode en de Algemeene Synode niet worden. Want dan zouden we krijgen, dat een „hoogere" vergadering van bepaalde personen in 't leven werd geroepen, die zeggenschap zou gaan oefenen over de Kerken, buiten de Kerken om. Een vergadering van broeder A en broeder B en broeder C. kan heel nuttig zijn, maar de Kerken staan er dan buiten en over de Kerken of plaatselijke Gemeenten in de Classis of in de Provincie, heelt zoo'n „kerkelijke conferentie" (meer is het niet), niets te zeggen.
In het midden van de Gereformeerde Kerk van Nederland heeft men altijd acht gegeven op deze zaak. Natuurlijk ging dit niet ineens volmaakt en vlot, want we weten, dat de verhouding van de Overheid tot de Kerk altijd een moeilijk punt is geweest hier te lande, omdat men eenerzijds veel voelde voor het idee : „de Overheid de voedsterheer van de Kerk", maar in werkelijkheid werd het dan: „de Overheid, heerschappij voerende over en in de Kerk". En dat laatste is absoluut verkeerd en verboden. Volgens Schrift, belijdenis en Kerkorde, moet de Kerk, onder de opperhoogheid van haar verheerlijkten Koning Jezus Christus, zelve voor haar zaken zorgen door haar ambtsdragers, haar van Christus gegeven, beginnende plaatselijk met den Kerkeraad.
In 1574 werd dan ook bepaald, dat de Kerkedienaars, die gedeputeerd werden ter Synode, van den Kerkeraad en Classis de „afvaardigingsbrieven" moesten ontvangen en niet van de Overheid. En het werd langzamerhand regel, dat de Kerkeraad lastbrieven gaf voor de Classis, en de Classis voor de Synode.
In die credentie-of geloofsbrieven (vertrouwens-brieven) stonden dan vier zaken : a. de mededeeling van de namen der afgevaardigden ; b. de lastgeving ; c. de stipulatie, en d. de heilbede.
Wat hield nu de instructie in?
De instructie was een aanwijzing en opdracht van de zendende Kerk, wat de afgevaardigden doen moesten; d.w.z. waarover zij moesten spreken en waaraan zij moesten deelnemen op de „breedere" vergadering (van Classis of Synode). De agenda moest tevoren opgesteld worden en nu was de lastbrief in
overeenstemming met de agenda. En daaraan moesten de afgevaardigden deelnemen ; aan de dingen dus, die aan de orde waren, en die tevoren aan de plaatselijke Kerken waren toegezonden, opdat de Kerken zouden weten waarover de bespreking zou loopen en waarin men zou hebben te beslissen.
Stond er nu óók in hoe de afgevaardigden stemmen moesten?
Neen ! — En hier heerscht bij velen een misverstand. De Kerken wilden over 't algemeen en in den regel er niet van weten, om voor te schrijven hoe de afgevaardigden stemmen moesten. En het zou ook niet kunnen ! Want niet alleen, dat er allerlei kwesties op de kerkelijke vergaderingen moeten worden besproken en toegelicht, waarbij men van te voren niet altijd precies; kan zeggen, welk licht er dus op de zaak zal vallen — maar de Kerken hebben altijd gevoeld, dat de afgevaardigden niet verlaagd mogen worden tot stemmachines. Door een „mandat imperatief" of „hevelende opdracht", dat een „bindende" opdracht is, wordt de echte kerkelijke behandeling der zaken van te voren al onmogelijk gemaakt. Het deliberatief of beraadslagend karakter van een kerkelijke vergadering zou op die manier geheel en al verloren gaan en dat zou ongehoord zijn.
Natuurlijk, dat over bijzondere dingen te voren door de Kerken beraadslaagd wordt. Een goede voorbereiding door vóórbespreking is noodig. En wat de zaken, die rechtstreeks uit de Schrift zijn af te leiden, betreft, zullen de Kerken — en ook de afgevaardigden — een vaste opinie en overtuiging hebben. Maar tevoren alle beraadslagingen over de dingen, die uit en door de Kerken ter sprake gebracht worden, af te snijden en onmogelijk te maken, is in strijd met de gemeenschap der Kerken en met de taak en de roeping der Kerken.
En daarom moet in 't algemeen de vrijheid van stemmen aan de afgevaardigden gelaten worden — waarbij dan in de lastbrief stond, dat zij namens de zendende Kerk hebben te oordeelen, te beslissen en te besluiten overeenkomstig de Heilige Schrift, de belijdenis en de regelen van de Kerkorde. De afgevaardigden moesten er zich dan van bewust zijn, daar niet te zitten als particuliere personen, maar namens de Kerken, welke zij hebben te vertegenwoordigen, zijnde de mond der zen ende Kerken, sprekende uit naam van die Kerken.
Maar tegelijk erkennende de beteekenis en waarde van de vergadering zelve, waar en immers bij elkaar gekomen is om met elkaar te spreken en te beraadslagen en dan et elkaar te beslissen en te besluiten.
In de „geloofsbrieven" mocht dan ook b.v. niet staan, dat de vergadering zóó en zóó moest handelen, beslissen en besluiten; want dat aanvaardde de vergadering niet van deze of gene afgevaardigde. En toen in 1582 de classis Haarlem een bijzondere aanteekening mee gaf met de afgevaardigden ter Synode, „dat de zendende Kerken alleen die besluiten van de Synode zouden opvolgen, die mee door haar afgevaardigden zouden zijn goedgekeurd", weigerde de Synode zulk een omschrijving en voorwaarde te aanvaarden ! Wat zou dat voor een toestand worden, als men alléén wil opvolgen waar men zelf vóór gestemd had en dat men overigens gewoon naast zich neer zou leggen, waartegen men zelf gestemd had. De Synode maakte haar dan ook duidelijk, dat na rijpe overwegingen de meeste stemmen beslisten, en dat iemand, die zich met het genomen besluit niet kon vereenigen, zich op de meerdere vergadering kon beroepen. Men bepaalde, dat men moest beloven zich te onderwerpen aan de besluiten der meerdere vergadering („de belofte van submissie" of onderwerping) „tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de Artikelen, in de 'Generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geen andere Generale Synode veranderd zijn.
In ’t algemeen kunnen we dus zeggen, dat zij die ter vergadering gaan, komen als afgevaardigden der Kerken, om die Kerken te vertegenwoordigen en namens die Kerken op te treden, te beraadslagen, te beslissen en te besluiten, waarbij hun „credentiebrief" inhield, dat zij moesten handelen volgens de Schrift, de belijdenis en de Kerkorde, in die zaken die hen zijn opgedragen. Onder dit beding kregen de afgevaardigden onbeperkt mandaat om te handelen over die zaken, die wettig ter vergadering gebracht worden. En ze moeten zóó handelen alsof de gansche Classis en iedere Kerk tegenwoordig ware!
De afgevaardigden mogen geen „beperkt mandaat" meekrijgen, omdat de plaatselijke Kerk dan eigenlijk voorschrijft wat er op de Synode moet worden gedaan, terwijl de afgevaardigden dan eigenlijk naar huis terug zouden moeten keeren, als men ter Synode niet deed zooals de plaatselijke Kerk zou willen voorschrijven.
De Synode mag en moet zoo'n beperking niet aanvaarden!
De credentie-brieven mogen dus niet gelimiteerd of beperkt zijn. Anders is geen vergadering mogelijk en kunnen er geen bindende (iets? anders dan „dwingende") besluiten genomen worden. En dan zou op die manier de éénheid der Kerken verloren gaan.
De Gereformeerden hebben altoos gewaarschuwd om de afgevaardigden ter meerdere vergadering een „mandat imperatief" mee te geven. Alleen bij zéér bijzondere gevallen kunnen de afgevaardigden met een „bevelend mandaat" gezonden worden. Maar ook alleen in zéér bijzondere gevallen. (Prof. dr. H. Bouwman : Geref. Kerkrecht, Deel II, blz. 60, enz.).
En in een gezond Geref. kerkelijk leven moeten alle kerkelijke vergaderingen zich houden aan Art. 31 der Kerkorde : „hetgeen door de meeste stemmen goed gevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden, tenzij) dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten”.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's