Rondblik buiten de Grenzen
Voorloopig heeft Daladier, de nieuwe Fransche premier, het er niet slecht afgebracht. Het parlement keurde met 576 tegen 5 stemmen zijn regeeringsverklarlng goed. We weten, dat daaruit niet te veel mag worden geconcludeerd. Als Daladier niet geweten had, dat althans zijn eerste ontmoeting met de Kamer bevredigend zou verloopen, was hij zeker met geen nieuw kabinet voor het voetlicht getreden. Belangrijker is de vraag hoe Daladier het er zal afbrengen met zijn wetsvoorstel om hem financieele volmachten te geven tot 31 Juli. Deze volmachten betreffen de eischen der landsverdediging en het financieel herstel. De Fransche bevolking schijnt in ieder geval haar voorliefde voor de befaamde Volksfrontpolitiek verloren te hebben. En ook de Volksfront-politici vreezen terecht dat, als Daladier het leven onmogelijk gemaakt wordt, het bewind nog meer ,,rechts" zou worden, al zullen ze er desondanks wel niet afkeerig van zijn om opnieuw hun slag te slaan, wanneer daarop eenige kans bestaat. En de politieke kansen wisselen snel in Frankrijk. Het is intusschen van beteekenis dat het arbeids-conflict in de metaalindustrie weer werd bijgelegd. De machtige vakbeweging heeft wat water bij den wijn moeten doen, toen de regeering zich met de onderhandelingen bemoeide. Het moet Daladier voorts aangenaam zijn, dat de organisaties die voor inmenging in Spanje het pleit voeren, zich evenzeer kalm hielden. Niet onwaarschijnlijk is dit laatste het gevolg van de houding van Moskou. Nu het er steeds meer op begint te lijken, dat Franco als overwinnaar uit den strijd zal treden, voelt ook Stalin niet veel meer voor verdergaande interventie. Voor een kennelijk verloren zaak is het ondankbaar vechten.
De situatie in Spanje wordt er overigens voor Frankrijk niet prettiger op. Nadat de belangrijke electriciteitscentrales van Catalonië in handen waren gevallen van Franco, werd de electrische stroom geleverd door Andorra, een republiekje in de Pyreneën, dat eveneens over een flinke centrale beschikt. Vanzelfsprekend is Franco toen naar Andorra opgerukt. Maar het moeilijke in deze kwestie is, dat het Pyreneesche landje onder gemengd-Fransch-Spaansche opperhoogheid staat. En wordt het door Franco veroverd, dan krijgt Frankrijk de strijd wel heel dicht aan zijn grenzen. Het ziet er echter naar uit, dat men zich hierover in Parijs niet al te zenuwachtig gaat maken. Nu medegedeeld wordt, dat Franco 65 procent van het Spaansche gebied bezet heeft, zal ook Frankrijk wel zoo verstandig zijn om het nieuwe Spaansche bewind niet noodeloos tegen zich in het harnas te jagen. Het zal toch al moeite genoeg kosten om tusschen de nieuwe buren een vriendschappelijke verstandhouding in het leven te roepen.
Overigens is Spanje niet de eenige moeilijkheid waarvoor zij, ten aanzien van de buitenlandsche politiek, geplaatst wordt. Nu het Britsch-Italiaansche accoord officieel geteekend werd, is het voor Parijs ook zaak om zich met Mussolini te verstaan. Het heeft reeds min of meer bevreemd, dat Engeland zulke belangrijke (besprekingen als die met Italië, aanknoopte zonder voorafgaand overleg met Parijs. De oorzaak hiervan zal wel niet alleen gezocht moeten worden in de onzekere situatie waarin het Fransche kabinet verkeerde. De diplomatieke staf blijft meestal wel intact ook al wankelen de ministeries. Waarschijnlijk vond Chamberlain het meer „efficient" om eerst zelfstandig met Mussolini tot overeenstemming te komen, alvorens officieel Parijs in de besprekingen te betrekken. Dat men aan de Quai d'Orsay desondanks wel op de hoogte bleef, kan dunkt ons duidelijk wórden afgeleid uit het feit, dat er, toen de inkt waarmede 't Britsch-Italiaansche accoord nauwelijks droog was, direct nauwkeurige berichten verschenen over de punten waarover de Fransche regeering met de Italiaansche zal gaan onderhandelen. Uiteraard hebben tal van deze punten aanraking met die welke in het Britsche accoord aangesneden en geregeld werden benoemd worden de doorgang in de Middellandsche zee, Spanje en Syrië. En van Italiaansche zijde wordt daar natuurlijk allereerst de erkenning van Abessynië tegenover geplaatst.
Het heeft Mussolini altijd erg gehinderd dat de wereld zoo critisch stond tegenover de erkenning van zijn Abessijnsche kolonie. Dat stak den Duce. En het moet hem dan ook een groote voldoening zijn dat hij met niemand minder dan Engeland's premier over dit netelige punt tot overeenstemming is gekomen. Van Engeland, ten tijde van den door Italië verfoeiden Eden, heeft Mussolini heel v/at last gehad bij zijn rooftocht naar Abessynië. En nu stelt Engeland zich in de weer om de erkenning van het Italiaansche Imperium te bewerkstelligen. Dit punt moge voor Italië dus van groote beteekenis worden geacht, in werkelijkheid gaat het bij het Italiaansch-Britsche accoord om veel belangrijker en verdergaande aangelegenheden. Dit nieuwe accoord is maar geen indrukwekkend parade-stuk als de befaamde „as", een plotseling-verschijnend vriendschapsvertoon, van gelijkgezinde ideologen, maar een hecht-doortimmerd plan van politieke samenwerking, gegrond op nauwkeurig-berekende en goed-geformuleerde gemeenschappelijke belangen. Dat Engeland zooveel belangstelling aan den dag legde voor het Abessijnsche „conflict", en Mussolini desondanks zijn zin kreeg, was een belangrijk punt in de geschiedenis. Niet alleen terwille van Abessynië op zichzelf, maar om alles wat daar letterlijk en figuurlijk aan vast zit: geheel Noord-Afrika. Engeland ziet zijn veelvuldige invloedssferen bedreigd, door den Duce, die niet alleen goede vriendjes poogt te worden met de Mohammedanen, doch met zijn redevoeringen ook in Egypte en Palestina enz. " zat te „morrelen". In hoeverre dit gevaar voor het Britsche rijk thans bezworen is, kan nog niet uitgemaakt worden. Men leze het uitvoerige stuk er maar eens op na, om te zien hoeveel punten in de besprekingen ter sprake zijn gekomen. Het is moeilijk uit te maken wie op 't oogenblik de meeste zij gesponnen heeft bij de Britsch-Italiaansche overeenkomst. Waarschijnlijk zijn de belangen wel aardig verdeeld. Er zal misschien binnenkort wel aanleiding zijn om op de detailpunten nader terug te komen. De weg tot volledige overeenstemming tusschen Londen en Rome is gebaand. Dat heeft Londen zeker belangrijke concessies gekost. Maar men behoeft er niet aan te twijfelen : er staan voor Engeland niet-minder-belangrijke voordeelen tegenover. Men is in Downing-street niet verlegen om oogenblikkelijke succesjes. Maar als Engeland eenmaal gaat onderhandelen, komt de liefde toch zelden van één kant.
een Vrijdag valt ! (En het zou zelfs kunnen overwegen om voorstellen in te dienen bij het departement van onderwijs en eeredienst om een nieuw stelsel in te voeren, zoodat het infame getal 13 voorgoed verdwijnen. Dat zou nog het radicaalste van het radicale zijn !
Wanneer iemand zou meenen, dat men alléén in Indië zoo angstig en bijgeloovig is, dan heeft men het mis. Vlak bij ons, op het Proveniersplein in Rotterdam, zal men in de huizenrij ook het huisnummer 13 missen. Men heeft het eenvoudig overgeslagen ! En dat in Rotterdam !
Wat geen bodem heeft.
De „Junge .Kirche" deelt mede, dat over het verloopen jaar slechts 180.000 nieuwe leden tot de godloozenorganisaties in Rusland toetraden. In het leger moeten volgens de eigen Russische opgaven slechts 121.OOO man tot de godloozen behooren ; dat is nog niet 10% van het roode leger. Ook de litteratuur bloeit niet. De Besjbosjnik (de godlóoze) begon in 1930 met een oplage van 300.OO0 en 8 pagina's omvang.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's