De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

25 minuten leestijd

DE KOMENDE JAARVERGADERING
D.v. zal dus Donderdag 28 April a.s., naar de gewoonte van de laatste tijden, in de eerste week na de Paaschweek, de Jaarvergadering van onzen Gereformeerden Bond worden gehouden. Vlak na Paschen vergaderen altijd De Unie „Een School met den Bijbel" èn De Schoolraad. En als dat voorbij is, komen wij in de daaropvolgende week te Utrecht samen. Zoo ook nu.
Het laat zich aanzien, dat onze Jaarvergadering ditmaal van groote beteekenis zal zijn, omdat allerbelangrijkste dingen, betrekking hebbend op ons kerkelijk leven, aan de orde zullen worden gesteld.
Hoe vele jaren zuchten we al niet onder de zwaarte en de ellende van het kerkelijk vraagstuk ! Vanaf de oprichting van onzen Geref. Bond is dit ook in ónze kringen telkens ter sprake geweest. Ja, de oprichting van onzen Geref. Bond staat met de allertreurigste toestanden in onze Hervormde Kerk in verband. We hebben maar even den naam te noemen van dr. Louis Bahler, die toch eigenlijk het Boeddhisme predikte boven het Christendom en predikant was in de Hervormde Kerk ! Toen dat een „kerkelijke kwestie" was, met een „kerkelijke procedure" is onze Gereformeerde Bond opgericht.
Sinds dien tijd is de kerkelijke kwestie telkens ter sprake geweest en we hebben met elkaar de moeilijkheden gevoeld en we hebben ze samen doorworsteld, bewarende de éénheid in eigen kring, rondom art. 4 van de Statuten.
Art. 4 luidt : „De Vereeniging heeft ten doel, naar uitwijzen der Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de 3 Formulieren van Eenigheid, laatstelijk vastgesteld op de Nationale Synode te Dordrecht in 1618—'19 gehouden — te arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandsche Hervormde (Gereformeerde) Kerk — om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val, en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door den Heere aangewezen — met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619".
Bij het Synodaal-Besturen-Stelsel heeft ons voor oogen gestaan het herstel van de Ned. Hervormde Kerk naar de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht, waarbij de presbyteriale wijze van Kerkregeering en kerkelijk samenleven, het centrale punt is. Van een „Vereeniging van elk wat wils" weer worden „de Gereformeerde Kerk van Nederland", met een centrale plaats in het volksleven ! En daarvoor wilde de Gereformeerde Bond zich opmaken om te verbreiden en te verdedigen de Gereformeerde Waarheid, naar uitwijzen van de Heilige Schrift, in overeenstemming met de 3 Formulieren van Eenigheid van 1618—'19. Opdat mede door dat werk de Hervormde Kerk weer mocht worden opgericht uit haar diepen val.
Alle pogingen tot kerkherstel en tot wederopbouw van de Hervormde Kerk, waar zij nu in zoo vervallen staat verkeert, hebben we steeds daaraan getoetst. Niet in den weg der afscheiding, niet in den weg der doleantie, niet in den weg van verdeelen en verbreken, maar in den weg van herstel der Hervormde Kerk naar uitwijzen van Gods Woord, in overeenstemming met de beginselen onzer Geref. belijdenis, wenschen we te wandelen.
De moeilijkheden hebben we telkens weer gevoeld.
Maar we hebben nu dertig jaar mogen voortarbeiden met het ideaal voor oogen : verbreiden en verdedigen der Gereformeerde Waarheid, opdat we vroeg of laat mogen komen tot „wederoprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val", opdat „de Her­ vormde Kerk weer haar plaats mag verkrijgen in het midden van ons volk, haar Van ouds door den Heere aangewezen".
Voor elke poging, die in die richting ging, hebben we altijd 't meest gevoeld en tegen elke poging, die uit die richting ging, hebben we ons steeds verzet.
Waarbij we geen oogenblik de allures hébben aangenomen, dat wij het maar voor 't zeggen hebben, en dat wij het alléén maar weten en alléén zouden kunnen doen.
Wij hopen van harte, dat als we D.V. de volgende week weer in jaarvergadering zullen mogen samenkomen in Utrecht, dat bij ons allen de wensch en de bede gevonden mag worden, dat we als leden van onzen Gereformeerden Bond één in doel en streven mogen zijn, in den geest van onze Statuten, waarin omschreven is waartoe de Gereformeerde Bond in 1909 is opgericht.

DE VOORSTELLEN DIE TER TAFEL KOMEN
Misschien is het goed, in verband met enkele voorstellen, die ter behandeling op de komende Jaarvergadering zijn ingediend, een enkel woord hier te zeggen.
Niemand zal wel eenig bezwaar hebben tegen het voorstel van Apeldoorn. In het Huishoudelijk Reglement worde dan opgenomen een bepaling, dat de secretaris van de Afdeeling zorg te dragen heeft voor de mededeeling van naam en toekomstig adres van een vertrekkend lid aan het Bestuur van de Afdeeling ter plaatse.
Wat Gouda voorstelt onder b., zal wel door ieder gaarne worden overgenomen, dat er in ons Reglement moet worden opgenomen, dat zij, die lid van den Geref. Bond wenschen te worden, moeten behooren tot de Hervormde Kerk. Meermalen is ook óns de vraag gesteld, door menschen, die tot de Chr. Geref. Kerk of tot de Gereform. Kerken behoorden, of zij lid konden worden van den Geref. Bond (lezers zijnde van „De Waarheidsvriend"), maar dan hebben wij altijd gezegd : gij kunt en moogt wel lezer (abonné) van „De Waarheidsvriend" zijn, maar aangezien de Geref. Bond een speciaal Hervormde organisatie is, kunt gij geen lid van den Geref. Bond worden.
Een aanvulling van ons Reglement in dezen geest zal dus goed zijn.
Het eerste voorstel van Den Haag kan het Hoofdbestuur niet aanbevelen met een gunstig advies. Integendeel. Dat voorstel vraagt iets, dat in wezen in strijd is met onze Organisatie. Want onze Geref. Bond is een Bond van leden. De Herv. Bond van Jongelings-Vereenigingen b.v. (de naam zegt het duidelijk), is niet een Bond van leden (jongelingen), maar van Vereenigingen. Dat is met opzet zoo gedaan. Maar met den Geref. Bond staat het anders. Dit is een Bond van leden. En de leden kunnen dan plaatselijk een Afdeeling oprichten, enz.
In ons Statuut staat dan ook (zie Art. 6, dat handelt over het lidmaatschap), dat leden zijn allen die enz. En Art. 8 handelt over de rechten der leden en zegt dat zij recht hebben op het bijwonen van de vergadering en een stem hebben. Hiervan kunnen en mogen we niet maken : een lid van den Geref. Bond heeft 1/5 stem.
Men weet, dat voor de Afdeelingen bepaald is in het Huishoudelijk Reglement, Art. 9, dat zij zich door één of meerdere leden laten vertegenwoordigen op de Jaarvergadering en dat (Art. 10) voor elk aantal van 5 leden de Afdeeling het recht heeft één stem uit te brengen. Het maximum aantal stemmen, dat zij als zoodanig kan uitbrengen, mag niet meer dan 20 bedragen. «
Naar die bepalingen wordt dan ook altijd door de leden die in een Afdeeling vereenigd zijn gestemd volgens bovenstaande maatstaf. En de „losse" leden van hier en elders en overal, die niet in een Afdeeling zijn geïncorporeerd, maar „rechtstreeks" lid zijn (Art. 6, al. 1) hebben persoonlijk recht op een stem.
De leden van de Afdeeling laten dus stemmen door hun afgevaardigde (de ééne stem hebbende afgevaardigde), en zij die „rechtstreeks" lid zijn van den Geref. Bond en niet tot een Afdeeling behooren, stemmen persoonlijk en hebben uit den aard der zaak krachtens hun lidmaatschap één hééle stem.
Het tweede voorstel van Den Haag; is geheel iets anders. Het gaat over het stemmen over zaken, waarvan Art. 11 Huish. Reglement zegt, dat het niet schriftelijk (met een briefje), maar mondeling zal geschieden. Dat „mondeling" is nu dertig jaar lang verstaan in dezen zin, dat er gevraagd wordt door zitten en opstaan zich „uit te spreken" (zonder den mond te gebruiken) of men vóór of tegen is. Of daarbij „vertrekkende" leden, die „staan" om afscheid te nemen van hun vrienden, de stemming geheel onzuiver maken, betwijfelen , we zeer. Maar natuurlijk wil ieder van ons meewerken, om de dingen naar orde en regel te doen geschieden. En daarom heeft deze zaak zeer zeker ons aller aandacht.
Dat wij hier liever geen vóór-beschouwingen houden inzake de andere voorstellen, zal men waarschijnlijk kunnen verklaren. Op de vergadering zelve hopen we, dat deze dingen met volle ernst zullen werden onder de oogen gezien en als we willen trachten elkaar zoo goed mogelijk te verstaan en zooveel mogelijk te verdragen, zal dit zekerlijk bij onze beraadslagingen ons allen tot een zegen kunnen zijn en onzen Bond tot steun en sterkte.
Wone de Heere in ons midden met Zijn Geest en doe Hij ons Zijn genade en gunst ervaren.

ENKELE AANWIJZINGEN NOG
In verband met de Jaarvergadering op a.s. Donderdag 28 April, willen we hier even mededeelen, dat we ook ditmaal — evenals verleden jaar — in de groote beneden-zaal vergaderen. Het is dus al heel makkelijk, want men vindt die zaal direct bij den gewonen ingang van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, op de Mariaplaats.
Ook zouden we weer graag willen, dat de afgevaardigden van de Afdeelingen aan de ééne zijde van de zaal en wel rechts (gerekend van den ingang) plaats namen. Deze stemhebbende afgevaardigden hebben dan hum eigen plaats bij elkaar, terwijl de overige bezoekers (de vergadering is, zooals men gezien heeft in den oproep, alléén voor leden van den Bond toegankelijk) dan midden in de zaal en links (van den ingang gerekend) kunnen plaats nemen.
We zullen de regelingscommissie te Utrecht weer vragen, ons voor den goeden gang van zaken helpend bij te staan, ook liefst met twee presentie-lijsten, waarop ieder dan verzocht zal worden bij het binnenkomen dadelijk hun naam te zetten.
Zóó kan alles 't best geregeld worden, voor zoover wij meenen, en wij twijfelen geen oogenblik, of ieder zal gaarne willen medewerken om de zaken zoo goed en zoo vlot mogelijk te doen marcheeren.
Zooals men weet, is de aanvang van de morgenvergadering gezet op half elf (precies).

RONDOM HET REORGANISATIE-RAPPORT (7)
Wij zijn het dus niet eens met ds. Lingbeek, wanneer hij zonder meer schrijft : ,,de oude namen van de meerdere vergaderingen worden in het Ontwerp hersteld, evenwel zullen het toch weer feitelijk niets anders dan Besturen zijn, want het zullen immers (aldus ds. L.) colleges zijn, die zonder opdracht en zonder verantwoording, vrij over degenen, die hen benoemen, zullen regeeren" (blz. 6). Dat is veel te sterk gezegd, enkel en alleen om oorzake, dat er van geen lastbrieven sprake is.. De beteekenis van de lastbrieven is sterk overdreven door ds. L., en de vergaderingen van afgevaardigden der Kerkeraden, Classes en Prov. Synoden (van het Ontwerp) zijn sterk gekleineerd door ds. L. Men mag een speciaal geval, zooals het in 161S—'19 zich heeft voorgedaan in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerk van Nederland, niet voorstellen als iets, dat gewoon is. Nooit is het in de practijk der Kerkeraden en Classes en Prov. Synoden als iets gewoons beschouwd, altijd als iets zéér uitzonderlijks.
Wij, voor ons, vinden de vergaderingen in het Ontwerp voorgesteld, véél en véél beter dan wat we nu hebben bij ons huidig besturen-apparaat, en we zouden 't een zéér groote verbetering vinden inzake de wijze van Kerkregeering en kerkelijk samenleven.
En dan vervolgt ds. L. : „Nu kom ik tot een tweede punt ; n.l. wat in het Ontwerp staat te lezen omtrent de belijdenis der Kerk en het belijdend karakter der Kerk".
Over het bekende Art. 8, al. 5, gaat het dan. „We lezen daaromtrent in Art. 8 (aldus ds. L.) „niet maar alleen: : ,,het wezen en doel der Ned. Hervormde Kerk door haar zelve tot uiting is gebracht in hare historische belijdenisschriften en liturgische formulieren" — maar wij zijn zoo gelukkig daarbij aanstonds óók te mogen vernemen wat dat doel en wezen onzer Kerk voor ons allen, lidmaten, dienaren of leden van de kerkelijke vergaderingen mede brengt of in zich sluit". „Daarop toch komt het immer.^ aan ! Als wij dat niet weten is al het gezegde over het wezen en doel slechts een woord". „En wat sluit het dan in zich ? "
„Voor allen, die we boven noemden (n.l. lidmaten, dienaren, leden van de kerkelijke vergaderingen) sluit het in zich „de zorg voor hare belijdenis door hervorming en handhaving, opdat het geloof der Kerk; in hare verkondiging en in hare symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverder tot uitdrukking kome en opdat de openbaring van God, Vader, Zoon en Heiligen Geest naar de Heilige Schrift (Komma) als regel van geloof en leven worde geëerbiedigd", enz.
„Er is altoos aanleiding, maar vooral in onze Nederlandsche Hervormde Kerk, om een ontworpen artikel als dat wij nu bespreken" aldus ds. L. „aandachtig te lezen".
„Wie een weinig bekend is met de geschiedenis onzer Kerk kan en mag nooit één oogenblik vergeten, hoe men in 1816 de verklaring omtrent de leer, die de proponenten vóór de toelating tot de Evangeliebediening hadden af te leggen, met voorbedachten rade en tevens heimelijk, zóó dubbelzinnig had geformuleerd, dat de één erin kon lezen, dat de leer der Kerk moest worden geleerd en, gehandhaafd, omdat zij was gegrond op Gods Woord, maar dat een ander, zoo hij dat wenschte, er in kon lezen, dat hij aan die leer slechts was gebonden, voorzoover zij was gegrond op Gods Woord, welk laatste er op neerkwam, dat ieder voor zich zelf had uit te maken, in hoever de leer der Kerk in overeenstemming was met Gods Woord, en dat dus een ieder, óók volgens de (dan wel overbodige) belofte, geheel vrij stond tegenover de leer der Kerk".
In het bovenstaande door ds. L. nog eens in herinnering gebracht hebben wij hier en daar het een en ander nog eens onderstreept om het cursief te laten drukken. En wie ons boekje : de Ned. Hervormde Kerk en de leervrijheid, 2de druk (Maassluissche Boekhandel) gelezen heeft of even wil inzien, zal voelen waarom we hier en daar een streep gezet hebben, want dit „onwaarachtig schipperen" in zake de belijdenis in onze Hervormde Kerk, gelijk het nu meer dan honderd jaar gedaan wordt, hebben ook wij jaar op jaar aan de kaak gesteld en ten sterkste veroordeeld. Het is niets dan opzettelijk knoeien met het allervoornaamste, wat de ellendigste gevolgen heeft gehad voor onze Hervormde Kerk, die haar belijdenis heeft, maar waarbij men met opzet allerlei bepalingen gemaakt heeft, dat men met die belijdenis feitelijk doen kan wat men wil, óók haan negeeren, ja, haar op 't schandelijkst verkrachten.
Een eeuw van „onwaarachtig schipperen" ligt achter ons.
Daarom is het ons oók uit hét hart gegrepen, als ds. L. verder schrijft : „De herinnering aan zulke historische feiten, schanddaden mogen wij ze noemen, maakt, dat wij, voortaan en dus ook thans, ondubbelzinnige en daartoe glasheldere bepalingen op dit stuk mogen, neen moeten verlangen. Want „zelfs een ezel stoot zich in 't gemeen geen tweemaal aan denzelfden steen", (blz. 7).
En is nu in het Ontwerp die ondubbelzinnigheid en glashelderheid aanwezig ?
„Het kan liggen aan mij" aldus, ds. L. ,maar ik zie ze nog niet".
Want „wat staat hier in dezen zin van Art. 8 ? ”
Over de „hervorming en handhaving" van de belijdenis wil ds. L. het dan nog niet eens hebben ; hij wil allereerst vragen wat er met „die zorg voor de belijdenis" moet worden beoogd en bereikt ?
En dan blijkt uit „de óvervollen zin van Art. 8", dat „die zorg" moet dienen tot twee dingen ; en wel allereerst hiertoe : dat het geloof der Kerk in hare verkondiging en in hare symbolische geschriften en liturgische formulieren „steeds zuiverder tot uitdrukking kome".
Bij een oogenblik nadenken — zegt ds. L. — „stuit ge onmiddellijk op de moeilijkheid, dat in dit artikel sprake is van twee dingen : van de belijdenis der Kerk èn van de belijdenisschriften der Kerk, en dat ge niet weet of met die beide uitdrukkingen dezelfde zaak wordt bedoeld.
En zelfs als we dat een oogenblik ter zijde laten, dan staat hier in elk geval „dat de belijdenis moet worden hervormd (wat niet kan slaan op de óók genoemde „handhaving" !), opdat het geloof der Kerk in hare belijdenisschriften zuiverder tot uitdrukking kome.
Met andere woorden gezegd : de belijdenisschriften moeten, door middel van de toekomstige hervorming, al zuiverder en zuiverder afspiegelen wat de Kerk gelooft.
(Naar het schijnt wordt hier bedoeld : de belijdenis, in den zin van het levende belijden en wordt hier niet bedoeld : de belijdenisschriften. Maar -- aldus ds. L. — dan wordt de mogelijkheid van misverstand nog vergroot, doordat in Art. 70 wel degelijk van de belijdenis gesproken wordt in den zin van : belijdenisschriften).
Wat hier dus in Art. 8 staat komt hierop neer : dat, zoo noodig, de belijdenis der Kerk zal moeten gewijzigd worden naar het geloof der Kerk !
En — waaraan is dan dat geloof der Kerk gebonden ?
Of — is dat geloof der Kerk geheel vrij en van het allerhoogste gezag ?
Hier ligt een allerbelangrijkste kwestie ! Veel belangrijker dan de kwestie b.v. van de z.g.n. lastbrieven !,
En in deze mag in de Kerk des Heer en, ook in de Hervormde Kerk, geen twijfel bestaan. Zal Gods Woord het hoogste gezag hebben, ja of neen ?
„In de oude Dordtsche Kerkorde stond met zooveel woorden in Art. 31, dat een ieder gebonden is aan de uitspraken der Kerk (in de meerdere vergaderingen) tenzij die bewezen worden te strijden met Gods Woord".
In dien éénen zin lag opgesloten : 1° het oppergezag, niet van „het geloof der Kerk", maar van Gods Woord, waaraan het geloof zich had te toetsen en waarnaar het geloof der Kerk zich had te richten ; 2° dat wie bezwaren heeft tegen eenige kerkelijke uitspraak, met die bezwaren bij de Kerk moet voor den dag komen, met argumenten gegrond op Gods Woord ; 3° dat de Kerk, alsdan, die zaak op grond van dat Woord moet onderzoeken en uitmaken.
Naar den regel van het Gereformeerd Kerkrecht heeft de belijdenis der Kerk afgeleid gezag, haar gezag ontleenend aan Gods Woord. En Gods Woord heeft gezag in zich zelf, zoodat de belijdenis altijd hooger beroep op Gods Woord moet geven en naar den eisch van Gods Woord revisibel is of, zoo noodig, moet worden „uitgebouwd".
En bij het opstellen van de Dordtsche Kerkorde stond dat vast (zelfs voor de Remonstranten) dat Gods Woord het richtsnoer moet zijn voor geloof en leven. Maar.,  is dat ook nu nog zoo onder ons, in het midden van de Hervormde Kerk, in haar huidige constellatie ?
„In art. 53 van de Dordtsche Kerkorde werd bepaald — gelijk ook in vroegere Kerkorden stond — dat .al de dienaren des Woords Gods de belijdenis des geloofs der Nederlandsche Kerken zullen onderteekenen. Maar deze zaak wordt in het nu aanhangige Ontwerp overgelaten aan — een latere regeling. Derhalve : die straks de belijdenis onzer Kerk zullen hebben te hervormen en te handhaven, zullen dan alléén aan dit Artikel 8 zijn ge­ bonden".
Dit alles — zegt ds. L. — „geeft ons reden om vooral in dit Art. 8 een zeer ondubbelzinnige uitspraak te verlangen omtrent de gebondenheid aan Gods Woord. En : die vin­den we hier niet !"
(Wordt voortgezet).

DE SYNODALE BESTUREN-ORGANISATIE VAN 1816 (3)
Hoewel Z. M. de Koning zelf erkende, bij een besluit van 16 Mei 1814, dat hij alleen bevoegdheid had tot schikkingen van financieelen aard — mee voortkomend uit de geschiedenis, die sinds eeuwen onder ons gevonden werd —, zoo heeft de Overheid niet geaarzeld om heel de regeling van het kerkelijk leven, met name voor de Hervormde Kerk, in handen te nemen. Wat men met de Roomsche Kerk niet dorst te doen — althans niet gedaan heeft — heeft men met de Hervormde Kerk wèl gedaan. Het liberale beginsel, uit de revolutie opgekomen, oordeelde, dat de Kerk een „maatschappelijke inrichting" was in den Staat, en onder bestuur, of althans onder toezicht van de Overheid moest staan. De Kerk werd niet vertrouwd en het kon „een werktuig zijn, dat zeer nuttig was, maar dat ook schadelijk kan zijn", en daarom was het noodzakelijk, dat de Overheid „er de hand aan hield" ; want de Kerk „behoort als een dienares aan de hand van het Gouvernement te gaan".
Naar dat beginsel heeft Koning Willem I, gesteund door zijn liberale en verlichte raadgevers, gehandeld en de Hervormde Kerk is door de Overheid „geadministreerd, georganiseerd en gecentraliseerd".
Het Kerkelijk Reglement van 1816 is geheel door de Overheid opgesteld en de Kerk had er niets, neen, niets in te zeggen. Het is zuiver en alleen „een Staatscreatuur" ; bij Koninklijk Besluit van 7 Jan. 1816 bekrachtigd en nog in het zelfde jaar in werking gesteld en door den Commissaris-Generaal aan de bestaande Kerkbesturen, die ontbonden werden, toegezonden.
Daarop zijn bij Kon. Besluit van den 6den Februari 1816 de secretaris der Synode, de quaestor — en bij Kon. Besluit van den 28 Mei 1816 de overige dertien stemhebbende en de drie praeadviseerende leden voor de eerste Synodale Vergadering benoemd geworden, die te 's-Gravenhage den 3den Juni 1816 hare eerste zitting begon, welke met een toespraak van genoemden Commissaris-Generaal geopend werd.
Zoo was de Hervormde Kerk van al haar rechten beroofd en was haar een Synodale Besturen-Organisatie opgelegd — waarvan we (ook al zijn er in 1852 wijzigingen van beteekenis aangebracht) nóg de ellendige en schadelijke gevolgen ondervinden en waardoor nóg de Hervormde Kerk veelszins bekneld zit in een Organisatie, die geheel in strijd is met haar aard en wezen als Kerk van Christus.
Nu herhalen we hier nog even, dat de tijdsomstandigheden, na de ellende van de Revolutie en van de Fransche overheersching, gunstig waren voor een dergelijke eigenmachtige handeling van de Overheid. Het werd zelfs door velen als een „verlossing" gevoeld, dat de Koning zich zoo over de Kerk had „ontfermd".
Bovendien beriep de Overheid zich er op, (ten onrechte, maar het gebeurde toch), dat de Kerk zelve niet in staat was zich opnieuw in te richten, waarbij ook werd aangevoerd, dat in de eeuwen, die voorbij gegaan waren, de Overheid zich steeds met de aangelegenheden van de Kerk had bemoeid.
Zelf had de Kerk zich altijd beschouwd (zie de Artikelen 27 enz. van de Ned. Geloofsbelijdenis) als een lichaam va; n „eigen recht", geheel onderscheiden van den Staat. En tusschen ketters en scheurmakers wilde de Gereformeerde Kerk zich als „de ware Kerk" inrichten en handhaven onder een eigen Organisatie, van presbyterialen vorm, met de ambtsdragers : herders en leeraars, ouderlingen en diakenen. Men had de plaatselijke Gemeenten, met de Classes als genabuurde Gemeenten, de Provinciale Synoden en dan de Nationale Synode, welke of om de twee (Emden) of om de drie jaar (Dordt) zou saamkomen. Alles naar eigen recht en eigen beginsel als de Kerk des Heeren, onder haar Hoofd Jezus Christus, Die door Zijn dienaren Zijn Kerk onderhield en regeerde, bij Woord en Sacrament.
Maar — volgens Art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis meende men in Gods Woord te lezen, dat de Overheid de afgoderij en valsche godsdienst (de Paus b.v. was de Antichrist, en de Wederdoopers, de Libertijnen, de Socinianen, de Lutherschen, de Remonstranten, de Brownisten enz. waren ketters of scheurmakers), moest uitroeien en de hand moest houden aan de ware-Kerkedienst, het Koninkrijk Gods moest doen vorderen en het Evangelie overal moest doen prediken.
En de Overheid was daar veelszins toe bereid, om de ware Kerk te steunen en te helpen, ook financieel, maar — dan moest zij óók haar rechten in de Kerk hebben en. verzekerd zijn, dat de Kerk geen gevaar zou opleveren voor de Overheidstaak.
De Kerk wilde geheel zelfstandig zijn en haar eigen aangelegenheden zelf regelen. Maar de Overheid wilde niet buiten de deur gezet worden. En zoo ontstond het conflict tusschen „politieken" en „kerkelijken", zooals het zich reeds in het laatste gedeelte van de 16de eeuw ontwikkelde. De Overheid wilde de predikanten beroepen, ouderlingen en diakenen verkiezen, de kerkelijke tucht oefenen, enz. De Kerk wilde in dit alles vrij zijn en. alleen steun en bescherming van de Overheid genieten, hoewel reeds in de Wezelsche Artikelen uitkomt, dat de Kerk ook wel graag in verschillende dingen op de Overheid wilde leunen en steunen. [Zie „Beginselen van Gereformeerd Kerkrecht. De Wezelsche Artikelen. Uitgave : Maassluissche Boekhandel.]
De Dordtsche Kerkorde van 1618—'19 geeft ten slotte een Compromis, waarbij aan de Overheid belangrijke invloed werd toegekend — geheel in strijd met de Calvinistische beginselen, maar welkom aan de Remonstranten, hoewel deze de invloed van de Overheid veel te gering vonden.
Het loont dê moeite, de geschiedenis van het Convent van Wezel (1568), van de Synode van Emden (1571), van de Synode van Dordt (Juni 1574), van de Synode van Dordt (1578) en van de Synode van Dordt (1618— '10) te vergelijken.
En het is van belang er dan naast te leggen b.v. wat de Staten van Holland in 1575 en 1576 beweerden en wat zij in een Concept-Kerkorde hebben geformuleerd. De politieke heeren beweerden, dat de Synode van 1574 niet het recht had wetten voor de Kerk op te stellen, maar dat dit recht alleen aan de Godvreezende landsregeering toekwam. Volgens Gods Woord toch — zoo redeneerde men — had niet Aaron, maar Mozes dergelijke wetten gegeven en de vorsten moesten de voedsterheeren der Kerk zijn. Dan wordt ook bepaald, dat de Overheid (althans in bepaalde voorname plaatsen) de predikanten zou beroepen en ouderlingen en diakenen zou benoemen. De predikanten moesten in handen van den Magistraat een eed afleggen en de Overheid zou uitspraken doen in teergeschillen en bij misdraging van de predikanten een beslissing nemen. De Kerkvisitatoren moesten rapport uitbrengen aan de Overheid en deze bepaalt plaats en aantal van de predikanten. Alle kinderen, die aangeboden werden, moeten gedoopt worden, ook zonder getuigen, enz. In dit Ontwerp wordt nergens van een belijdenis des geloofs, van Classis of Synode gesproken. Hier wordt de Kerk geheel als Staatskerk, als onderdeel van de Staatsinrichting gezien.
In 1578 komt dan weer in Dordt een Nationale Synode saam (26 leden, met 1 hoogleeraar, 22 predikanten en 4 ouderlingen), waar men b.v. bij het afzetten van predikanten het oordeel van de Overheid zal vragen ; maar overigens zooveel mogelijk den eigen kerkelijken weg zal gaan.
De Provinciale Synode in 1580 te Harderwijk gehouden, bepaalt o.a. dat de ouderlingen gekozen moeten worden uit de Magistraats-personen, waardoor men vanzelf een zeker verband met de Overheid kreeg. Alleen de predikanten hadden de belijdenis te onderteekenen, niet de ouderlingen.
Typisch is, dat de Provinciale Synoden zich dikwijls niet aansloten bij de Nationale Synode en dat de invloed van de Overheid in bepaalde provincies zoó groot was, dat daardoor de overeenstemming met de Nationale Synode werd verstoord.
In 1581 volgt dan weer een Nationale Synode te Middelburg (48 leden, waarvan 29 predikanten en 19 ouderlingen). De Kerkorde, hier aangenomen, was voor een groot deel gelijk aan die van 1578. Maar de invloed van de Overheid wordt sterker erkend ; want b.v. bij de beroeping van predikanten werd ook de goedkeuring van de Gereformeerde Overheid noodig geacht, maar niet bij de benoeming van ouderlingen en diakenen. Mocht de Overheid echter hierop aandringen, dan zou men moeten oordeelen hoevér men gaan mocht !
De Leidsche Magistraat nam met deze Kerkorde (1581) geen genoegen. Sedert 1579 was daar een hevige kerkelijke strijd gaande. De Kerkeraad had hier aan den Magistraat in overweging gegeven, drie van de twaalf ouderlingen te bezoldigen. Daarop was de Magistraat ingegaan, maar had tevens bepaald, dat de Overheid uit een dubbeltal de helft der ouderlingen en der diakenen zou mogen kiezen, en dat er bij de Kerkeraadsvergaderingen steeds twee leden van de Vroedschap aanwezig zouden zijn om te presideeren en om toezicht te houden !
Hierover is heel wat te doen geweest, en te begrijpen is, dat de Leidsche Magistraat nu niet tevreê was met de Middelburgsche Kerkorde, en daarin vermindering van de macht en) de invloed van de Overheid zag, en een streven naar overheersching door de Kerk.
De Vroedschappen stonden aan de zijde van den Leidschen Magistraat en in 1583 hebben de Staten van Holland weer een Concept-Kerkorde opgesteld, waarin méér rekening gehouden werd met de Kerk dan in het Concept van 1576. Bij beroeping en benoeming zouden Kerkeraad en Overheid een gemengd college vormen. Ook werden nu Classicale, en Synodale vergaderingen toegestaan, maar dan moesten daar, evenals in de Kerkeraadsvergaderingen, óók Magistraatsleden aanwezig zijn. En overigens bleef de Overheid toch alles te zeggen hebben.
Tegen dit Concept was van de zijde van de Kerkelijken te veel bezwaar, dan dit Ontwerp ooit wet kon worden. Het is dan ook niet gepubliceerd.
In 1586 (we zijn dan in den tijd van Leycester) volgde de Nationale Synode van Den Haag. Van de 24 leden waren er slechts 2 ouderlingen. Leycester was geheel op de hand van de Kerkelijken, toch wordt in de hier ontworpen Kerkorde nog iets meer aan de Overheid toegegeven. Het beroep van de predikanten (niet de benoeming van ouderlingen en diakenen) heeft de approbatie of goedkeuring noodig van de Overheid, ook al is die niet Gereformeerd, daar het oordeel betreft over „het leven en den burgerlijken wandel" van den beroepene. Bij een beroep naar elders was ook Consent van de Overheid noodig. In den Kerkeraad mag de Overheid twee afgevaardigden zenden. Geen Generale Synode zal gehouden worden zonder tijdige kennisgeving aan de hooge Overheid, die ook haar deputaten zal zenden.
Bepaald werd ook, dat Ouderlingen en Diakenen de Confessie niet behoeven te onderteekenen. Schoolmeesters mogen kiezen tusschen onderteekening van de Confessie óf van den Catechismus. Een nieuwe bepaling was : predikanten, die de Confessie niet wilden onderteekenen, moeten voor onbepaalden tijd geschorst worden ; blijven ze bij hun weigering, dan moeten ze van het ambt ontzet worden.
Ook werd nu de Catechismusprediking verplicht voor den namiddagdienst, omdat deze „in verval raakte". En voor de Catechismusprediking werd de Heidelberger als verplicht voorgeschreven.
De Staten accepteerden deze Kerkorde, zoolang Leycester er was, maar daarna hebben ze zich niet meer daaraan gehouden, en in 1591 bepalen zij, dat geen ParticuIiere (Provinciale) Synode mag gehouden worden zonder hun Consent enz.
In het begin van de 17de eeuw ging de strijd tusschen Gomaristen en Arminianen, tusschen Gereformeerden en Remonstranten.
De strijd is toen (Prins Maurits greep ten slotte in) in zooverre beslist op de Synode van Dordt 1618—'19 (een Contra-Remonstrantsche Vergadering) dat de Kerk niet een deel van het Staatsorganisme is geworden. Maar aan den : anderen kant heeft de Kerk aan de Overheid .belangrijke invloed ook in haar zuiver innerlijke aangelegenheden moeten toestaan. (Te Dordt waren ter Synode 37 predikanten, 18 ouderlingen, 5 hoogleer ar en en 18 politieke-Commissarissen „uit de edelsten en geoefendsten van elk gewest" — en een aantal buitenlandsche afgevaardigden, die echter niet laan de opstelling der Kerkorde hebben meegewerkt).
Ten grondslag werd genomen de Kerkorde van li5'86, maar aan de Overheid werd méér invloed gegund dan toen.
Tegen dezen achtergrond moet mee de geschiedenis van 1816 worden beschouwd.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's