WAT CALVIJN ONS LEERT
Van den mensch.
Er moet van de schepping van den mensch gesproken worden, omdat hij van alle werken Gods het edelste en meest bewonderenswaardige voorbeeld is van Gods gerechtigheid, wijsheid en goedheid. Zoo vangt Calvijn dit nieuwe hoofdstuk aan.
En, gelijk in het begin van deze onderwijzing reeds werd opgemerkt, wij kunnen geen klare en zekere kennis van God hebben, tenzij die samengaat met zelfkennis.
Vandaar, dat wij bij de kennis van den mensch worden bepaald.
Deze nu is tweeërlei.
Wij dienen te weten, hoedanig wij in den eersten aanvang geschapen zijn, en hoe onze staat is geworden na den val van Adam.
Vooreerst dus de kennis van den mensch in den staat der rechtheid.
Het is trouwens, ook noodig te weten, hoe God den mensch heeft geschapen, opdat wij een zuiver beeld van des menschen vermogen hebben. Hij is toch geneigd om redeneerende uit zijn gevallen natuur God de schuld te geven van zijn verdorvenheid.
Sommigen doen dit zonder eenige bedenking.
Anderen spreken met wat meer eerbied over God, maar zoeken verschooning van hun zonde in de natuur. Terecht wijst Calvijn ook dit af. Immers, indien de natuur van den mensch oorzaak van zijn boosheid zou zijn, zou men langs een omweg toch weer den Schepper beschuldigen.
Deze terechtwijzing van Calvijn mogen wij wel ter harte nemen. Want ook onder ons wordt gemakkelijk van de boosheid onzer natuur gesproken. De zwakheid en zonde schuift men op rekening van den ouden Adam en het gevaar is niet denkbeeldig, dat men daarin een soort van vrijbrief neemt om te zondigen, of althans niet zoozeer tegen onzen verdorven aard te strijden als met de gave der genade overeenkomt.
Het tegengestelde vindt men in een vroomheid, die riekt naar het Pharizeïsme, alsof de mensch door nauwkeurige wetsbetrachting zijn zaligheid mocht bewerken, of daaraan iets toebrengen.
Werkheiligheid en verachting van des Heer en geboden zijn echter geen kenmerken van de waarachtige vroomheid. Wie door den Heiligen Geest geleid worden, kunnen noch het een noch het ander als een vrucht der levende religie waardeeren.
De werkheiligheid doet te kort aan de aIgenoegzame genade in Christus Jezus, hoewel Hij is de Zaligmaker, de eenige en algenoegzame offerande Gods.
Verachting van 's Heeren geboden echter doet te kort aan den eerbied, welken wij aan God schuldig zijn.
Daarentegen zal de ware religie gekend worden aan de vruchten der dankbaarheid, welke in het wedergeboren hart door de kracht der genade werkzaam is.
Zoo staat ons derhalve te bedenken, dat wij ons van de zonde niet afmaken door maar altijd over de natuur te praten. Wij maken de natuur tot een zondebok en vergeten, dat wij bedektelijk den Schepper der natuur beschuldigen.
Maar, zal iemand zeggen, de verdorvenheid der natuur is toch een bron van ongerechtigheid. Zeker, doch de verdorvenheid der natuur is niet iets, dat buiten ons omgaat. God heeft de natuur goed geschapen, maar de mensch heeft die bedorven.
De verdorvenheid raakt ons doen en laten. Wij verderven het. De mensch is het,
die zondigt.
Zoo heeft het dus een goede reden, dat Calvijn met nadruk op de onverdorven natuur wil wijzen, opdat wij die kennen en van die kennis uit opstijgen tot kennis van den Schepper.
Verder vestigt Calvijn er de aandacht op, dat de mensch uit het stof der aarde gemaakt is. Die kennis is als een teugel, welken God onze hoovaardij heeft aangelegd. De mensch, die stof is, verheffe zich niet tegen zijn Schepper, en het past hem niet te roemen over zijn uitnemendheid. Als hij roemt, roeme hij in zijn Schepper, die hem, hoewel een leemen hut, tot een woning van een onsterfelijken geest heeft gemaakt. Zoo heeft Adam terecht de vrije gunst der Heeren kunnen groot maken.
De mensch bestaat uit lichaam en ziel. Dat moet vóór alles vast staan en daaromtrent mag men niet twijfelen.
Onder ziel verstaat Calvijn een onsterfelijk wezen, dat nochtans geschapen is. Soms wordt de ziel geest genoemd.
Nu is daar inderdaad verschil tusschen ziel en geest, wanneer zij vergelijkenderwijs worden genoemd, doch wanneer men spreekt van den menschelijken geest, moet dat in gelijken zin als ziel worden genomen. Zoo zegt de Prediker, dat de geest van den mensch tot God wederkeert (12 vers 7). Daarmede wordt de ziel bedoeld. Verder noemt Calvijn het woord des Heeren aan het kruis : „Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen Geest", het woord van Stefanus : „Heere Jezus ! ontvang mijnen geest." (Lucas 23 vs. 46, Hand. 7 vs. 59), waar geest ook in den zin van ziel moet worden verstaan, de ziel, die uit den kerker des lichaams ontbonden werd.
Deze woorden betuigen ook, dat God een gedurige Wachter der ziel is.
Dat is weer zoo'n eenvoudig bijzinnetje bij Calvijn, waarin zulk een gewichtige waarheid wordt gezegd. Het spreekt van zelf, en toch wordt het door ons zoo vaak vergeten. Want, omdat God de Wachter der ziel is, kon Christus haar in de hand des Vaders en mocht Stefanus haar in Christus' hand bevelen.
Calvijn heeft in ander verband ook al op deze zaak gewezen. Hij sprak over het menschelijk bewustzijn. Hoe kan het, dat wij in den slaap ons bewustzijn niet verliezen, maar wakker geworden zijnde, de kennis behouden, die wij tevoren hadden ? Ook daarin zag hij een teeken van de waakzaamheid Gods.
Geest en ziel beteekenen dus het zelfstandige wezen van den mensch, dat van zijn lichaam wordt onderscheiden. Op dat zelfstandige legt Calvijn den nadruk. Want sommigen verbeelden zich, dat de ziel geest wordt genoemd, omdat zij een inblazing van God, zooveel als een ingieting van goddelijke kracht in de lichamen is, die echter een eigen wezen mist.
Het kan duidelijk wezen, op welk misverstand hier wordt gewezen. Toch is het goed, dat in onzen tijd nog eens te herhalen, omdat het inderdaad veelvuldig voorkomt. Voor velen, die in onze dagen vervreemd zijn van de leer der Heilige Schriften, is het heel gewoon, te denken aan een goddelijke vonk in den mensch, een beginsel, dat aan het goddelijk Wezen deel heeft. Het zou niet moeilijk zijn uit de gewone litteratuur, die veelvuldig onder het volk verspreid wordt, dergelijke voorstellingen aan te wijzen.
Dat alles hangt samen met de doorwerking van pantheïstische beschouwingen, die door de wijsbegeerte van de 19e eeuw werden gehuldigd en verbreid. Het is intusschen een heidensche gedachte en een van de kenmerken van het moderne heidendom.
Wanneer de mensch een vonk van den Algeest wordt genoemd, houdt dit tegelijkertijd ontkenning van het zelfstandig wezen en van de schepping van den mensch in.
Maar daaruit blijkt dan ook, dat zulke gedachten in strijd zijn met de eere Gods. Niet alleen wordt de mensch tot iets goddelijks gemaakt, maar God zelf wordt vernederd tot een iefs. En als God tot een iets wordt gemaakt, wordt Zijn Majesteit genegeerd. Hij is dan niet de eeuwige en waarachtige God in Zijn Driepersoonlijk Wezen, hoogste wijsheid, souvereine wil en volheid van goddelijke deugden, maar een onbepaaldheid, een begrip.
Dan is er geen plaats voor een schepping, geen door God gegeven Wet, geen eisch van Zijn heilige Wet, geen gehoorzaamheid, maar ook geen ongehoorzaamheid, geen zonde, geen persoonlijke onsterfelijkheid, geen eeuwige rust der zaligheid, geen oordeel en geen rampzaligheid.
Daarom wil Calvijn de uitdrukking geest niet misbruikt zien en waarschuwt hij tegen de pantheïstische dwaling, waarop wij nader de aandacht vestigden.
Hij verklaart dergelijke beschouwingen uit de duisternis, waarin de zonde den mensch heeft geworpen. Het verstand is afgestompt.
En toch zijn er nog genoegzame teekenen, die ook den verdorven mensch tot waakzaamheid roepen tegen zulke dwalingen.
Zoozeer is het verstand des menschen niet verduisterd, of er is nog altoos een gevoel van onsterfelijkheid overgebleven.
Altijd weer wijst Calvijn op het geweten. Het geweten onderscheidt tusschen goed en kwaad en dit beantwoordt aan een goddelijk oordeel.
Daaruit trekt hij dan de conclusie, dat de mensch onsterfelijk is. Hij redeneert in dezer voege. De onderscheiding van goed en kwaad zegt, dat er een Rechter in den hemel is. Het is Gods oordeel in het binnenste. Immers tegen ons booze hart in blijft het geweten beschuldigen. De mensch wordt ter verantwoording geroepen door den eeuwigen Rechter. Zoo staat hij in een zedelijke betrekking tot den Schepper van hemel en aarde, die het stempel der eeuwigheid draagt. Het recht Gods vervolgt hem ook na den dood.
In die betrekking van den mensch tot God, waarin hij ter verantwoording wordt geroepen voor de vierschaar Gods, ligt besloten, dat de mensch een eigen wezen en bestaan voor God heeft en niet maar een wezenlooze vonk, een iets is van een ander iets. maar een iemand, een persoon.
Een ander kenmerk ontleent Calvijn aan de zooeven aangehaalde woorden uit de Heilige Schrift. Een menschelijke ziel kan boven de wereld niet opstijgen en tot de Bron des levens wederkeeren, als zij een verdwijnende kracht is.
Een derde kenmerk ziet hij in de gaven des verstands, welke ons in staat stellen tot het begrip der dingen door te dringen. Calvijn ziet dat zóó, dat de ziel buiten de begrenzing van het lichaam treedt, hemel en aarde en de verborgenheden der natuur doorlicht, de orde der dingen, die buiten zijn, doorzoekt en begrijpt, zoodat hij zelfs toekomstige dingen kan voorzeggen. Hierbij ziet hij dus op de gave der wetenschap en inzonderheid op de Godskennis.
Hij wil zeggen, dat stof de orde der dingen niet zou kunnen kennen, maar dat er in den mensch wat anders woont, dat van de stof is onderscheiden, een geestelijk wezen, waardoor wij tot kennis der dingen komen.
De ziel mag dus ook niet voor een stoffelijk iets worden gehouden.
Hier raakt Calvijn aan een tegenovergestelde dwaling, die vooral in het midden der vorige eeuw werd geleerd door de verdedigers van een materialistische levensbeschouwing. De ouderen herinneren zich nog wel het toenmaals bekende boek: „Stof en kracht" van een harer radicaalste voorstanders.
De mensch zou slechts een stoffelijk wezen zijn, dat in de wisseling der vormen opkwam en onderging.
De werkingen der ziel wilde men voortellen als stoffelijke verschijnselen, die zich voordeden als een gevolg van chemische processen, welke in hersenen en zenuwstelsel voltrokken zouden worden. Zooals de lever gal afzondert, zoo scheiden de hersenen gedachten af, werd zelfs geweerd.
Op die wijze werd het geestelijke bestand van den mensch weggeredeneerd.
Reeds spoedig kwam in den kring der vooraanstaande mannen, die zulk een leer verdedigden, de onhoudbaarheid van dergelijke stellingen aan het licht, doch de geest, waaruit zulke beschouwingen opgekomen waren, stierf daarmede niet uit.
Want, hoewel men allengs van zulke radicale grofheden terugkwam, werkte toch dezelfde geest in verfijnde vormen door en besmette het bewustzijnsleven door in menig jong gemoed twijfel te zaaien omtrent het bestaan der ziel, de persoonlijke onsterfelijkheid, de geopenbaarde kennisse Gods, de zedelijke eischen aan ons leven gesteld, het goddelijk gericht en zoovele Schriftuurlijke waarheden.
De litteratuur van een halve eeuw geleden was zwanger van zulk een twijfelzaaienden en het zedelijk en religieus bewustzijn ondermijnenden geest.
De gevolgen daarvan zijn niet uitgebleven. De mensch is ontvankelijk voor het zaad van ongeloof en goddeloosheid en ontkomt niet aan de verderfelijke invloeden, welke daarvan uitgaan. Zij werken op de gansche saamleving in en berooven haar van de onmisbare levenskrachten, waarbij zij alleen kan bestaan. De toestanden van onzen tijd zeggen meer dan boekdeelen kunnen beschrijven.
En toch heeft Calvijn gelijk, dat de menschelijke consciëntie hem herinnert aan de onsterfelijkheid zijner ziel. De mensch is er niet gerust op. Er is in dit alles ook een streven om God te ontvluchten en willens en wetens zich te onttrekken aan Zijn gericht.
Het is toch niet toevallig, dat in dezen tijd een verschijnsel als lijkverbranding zoo veelvuldig toeneemt. Men tracht dat te verdedigen op allerlei gronden, b. v. ook hygiënische, als deed men het uit een oogpunt van gezondheid en om besmetting tegen te gaan. Het maakt inderdaad een eigenaardigen indruk, als men zoo groote bezorgdheid voor het nageslacht voorwendt, en dat na zijn dood, terwijl vaak het leven weinig getuigenis gaf van naastenliefde.
Veeleer zoeke men de diepste beweegreden in een zelfzuchtig beginsel van vrees en goddelooze dwaasheid om te ontvluchten aan de onsterfelijkheid. Zelfs zijn er, die ook hun asch niet aan een urn in het crematorium toevertrouwen, maar bevelen, dat zij op de vleugelen der winden worden verstrooid over de aarde.
Zulke dingen kunnen ten eenenmale niet verklaard worden uit de overtuiging, dat het met den dood uit is. Indien iemand die overtuiging rustig in zijn ziel ronddroeg, zou het eerder verklaarbaar zijn, dat hij zorg droeg om nog eenige herinnering bij het nageslacht levend te houden, dan dat hij zijn asch laat verstrooien boven de zee.
Zelfs in het feit, dat iemand beschikkingen treft over zijn lichaam voor den tijd, dat hij er zelf niet meer over beschikken kan, schuilt nog een gedachte der onsterfelijkheid en van het bewustzijn van een zelfstandige ziel.
Uit de stof kunnen zulke beschikkingen niet opkomen, want de stof heeft haar eigen wezen en wet en volgt de ordeningen der Voorzienigheid.
Reeds hierin ligt een grond, om het gestorven lichaam aan de aarde tos te vertrouwen, gelijk ook de gewoonte der Christenen is overeenkomstig het voorbeeld der heiligen.
In schrille tegenstelling met een zékere doodenvereering, die aantoont, welk een groote plaats het geloof aan de onsterfelijkheid bij heidensche volkeren inneemt, staat het gebruik van lijkverbranding. Voor doodenvereering waren de gereformeerde vaderen zeer beducht. Zelfs waren zij tegen het houden eener lijkrede.
Doch, hoe zouden zij oordeelen over lijkverbranding ?
Zeker, zij zouden op den 139sten Psalm gewezen hebben en aangetoond, dat ook de lijkverbranding de onsterfelijkheid niet te niet kan doen. Zonder twijfel zouden zij deze dwaasheid als een goddeloosheid bestrijden.
Doch, hoe zouden zij oordeelen over eén dominé, die bij den vuuroven een verbrandingsrede houdt over het lijk; dat zelfs nog geen lijk wil zijn ? En toch kan men telkens weer in de dagbladen, lezen, dat er zoo zijn.
Men maakt zich druk over reorganisatie, terwijl men dergelijke dingen ongehinderd laat voortgaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's